In het spoor van dood en verderf

In 1942 ontsnapte E. F. Portier uit een Japans krijgsgevangenenkamp in Birma en belandde na ontberingen bij een Karen-roversbende. Met de bloeddorstige bendeleden trok hij ten strijde tegen Japanners en de Birmese bevolking.

Het is erg ver van Millingen aan de Rijn naar de Drie Pagoden Pas bij de grens van Birma, Thailand en Maleisie en dat is het ook van het heden naar de Tweede Wereldoorlog. Maar afstand in tijd noch ruimte lijkt te bestaan als E. F. Portier (74) in zijn huis aan de voet van de Rijndijk vertelt over de wonderbaarlijke stroom gebeurtenissen waarin hij belandde nadat hij ontsnapte uit een krijgsgevangenenkamp langs de Birma-spoorweg.

Direct na de oorlog waren er drie Westerlingen die wisten hoe het was om mee te draaien als lid van een roversbende van de Karen-stam in Birma. Op dit moment is Portier, drager van het Bronzen Kruis, de enige. Behalve een rapportje dat hij in 1945 op last van zijn superieuren produceerde, schreef hij niets over zijn ervaringen, en hij werd er nooit eerder over geinterviewd.

Portier was eind maart 1942 (een paar weken na de capitulatie van Nederlands Indie) als dienstplichtig soldaat tweede klas van het KNIL gevangengenomen op Noord-Sumatra, en hij werd half mei met 1800 anderen op transport gesteld naar Birma, waar hij eerst aan een vliegveld en later aan de beruchte spoorweg moest werken. Zijn idee dat ontsnappen beter was dan zich te onderwerpen aan de keizerlijke terreur nam gaandeweg vastere vormen aan en won plotseling aan urgentie toen de Japanners eisten dat hun slaven een loyaliteitsverklaring tekenden, inclusief de belofte niet weg te lopen. Wie niet tekende werd overgeplaatst naar een strafkamp.

Verklaring

Portier: 'Onze KNIL-commandant, majoor Hazenberg, zei uiteindelijk: 'Teken maar, het is onder druk, dus het geldt niet.' Maar ik en drie anderen, kapitein Van Hemert, soldaat Schuurman en soldaat Hofman, besloten niet te tekenen, en er vandoor te gaan voordat we de verklaring moesten inleveren.'

Dat was in de nacht van 4 op 5 oktober 1942. Bewaking was er niet: dat lieten de Japanners over aan het omringende oerwoud. Ontsnappen was een kwestie van een rivier doorwaden, ongemerkt naar de kust marcheren en per prauw naar India zeilen. Dat was althans het plan.

'We hadden alle vier Indisch bloed', aldus Portier, 'en we droegen sarongs zodat we niet te veel opvielen. Maar we probeerden hoe dan ook ieder contact met de bevolking te mijden. We hadden een bijl, en ieder had een kapmes om de begroeiing weg te slaan. Om te eten hadden we een blik rijst, maar dat werd nat en verzuurde. Na twee weken herkende ik op een nacht ineens het terrein: we hadden een kring gemaakt en waren weer terug in ons kamp!'

Een historisch gegeven waar de vier veel baat van zouden hebben was dat de Birmezen al enkele oorlogen tegen de Engelsen achter de rug hadden, terwijl een grote minderheid in het land, de Karen (spreek uit: Kren), al die tijd leverancier was geweest van personeel voor het Britse leger. De echte Birmezen sympathiseerden daarom vrij sterk met de nieuwe bezetter, maar de Karen helemaal niet.

Portier: 'Na een paar weken hadden we zo'n honger dat we besloten te proberen rijst te krijgen. Aan een jongen en een meisje op een akker vroeg ik met gebaren om voedsel, en zei in het Maleis dat we koelies uit Malakka waren. Maar hij wees naar me en zei: 'Japan kamp!' Nu ben ik de sigaar, dacht ik. De jongen probeerde duidelijk te maken dat in hun kampong iemand was die wat Engels sprak maar we begrepen dat daar Engelsen waren, dus wij daarheen. Ik liep achter de jongen, Van Hemert achter dat meisje. Als ze ons probeerden te verraden zou ik hem een klap met mijn bijl geven en Van Hemert zou haar neerslaan. Niks aan te doen.'

Bijna werd dat plan uitgevoerd, want in de kampong waren Japanners aanwezig, zij het dat ze op het punt van vertrekken stonden. Ze bleken juist instructies te hebben gegeven om uit te zien naar vier ontsnapte gevangenen. Jammer voor de Japanners: het was een Karen-kampong, en in weerwil van de uitgeloofde losprijs besloot het kamponghoofd zijn gasten zo goed mogelijk te helpen. Via-via werden ze ondergebracht op verschillende locaties in het binnenland waar de Japanners haast niet kwamen en de Birmezen zelden.

Acht rustige maanden volgden. Portier bivakkeerde in een olifantenkamp en op allerlei akkercomplexen, hij leerde met zijn handen vis vangen, leerde de Karen-taal en leerde lopen als een Karen, want het was vooral zijn gang die hem zou kunnen verraden. In juli 1943 kwam het viertal in een kampong weer bijeen: Van Hemert was haast uitgeschakeld door Birma-koorts en, ander probleem, de Japanners waren met hernieuwde ijver naar ze aan het zoeken. De veiligste plaats was volgens het kamponghoofd in de gelederen van een roversbende ter sterkte van een man of 280 en uitgerust met 70 Royal Enfield geweren die 20 kilometer ten zuidoosten van de stad Moulmein opereerde.

Kapmessen

Ter orientatie door Van Hemert vooruitgestuurd, bereikte Portier de bende op 26 september 1943: 'Daar werd ik aan een reeks tests onderworpen, om te zien of ik wel iets waard was. Kwam er bijvoorbeeld ineens een man luid schreeuwend met twee kapmessen op me af. Ik bleef rustig zitten en dat was goed. Ik moest ook schiettests doen. Het hoofd van de groep vertelde me dat hij zelf nooit door een kogel geraakt was of zou kunnen worden, dank zij zijn amuletten en tatoeages. Alle bendeleden waren getatoeeerd: als ze naakt waren leek het alsof ze toch nog een broek aan hadden. Het hoofd zei: dat moet je ook doen, maar ik had er geen zin in.'

Tijdens zijn tiendaagse logeerpartij kreeg Portier wel zijn vuurdoop: Birmezen en Japanners kwamen wraak nemen voor een recente overval, en Portier kreeg een automatische Bren Gun te bedienen. Toen de rook aan het eind van de nacht was opgetrokken, werden 49 ontzielde vijanden en een gesneuveld bendelid geteld.

'Toen ik na terugkeer aan Van Hemert vertelde wat ik had meegemaakt wilde hij proberen van die rovers een nuttige guerrillagroep te maken. Ze hielden zich alleen maar bezig met overvallen om in leven te blijven, maar Van Hemert hoopte dat ze in actie kwamen bij een parachute-inval van de geallieerden.'

Met de bagage en de zieke kapitein op een ossekar verhuisden ze tachtig kilometer, naar de rovers, waar ze medio oktober arriveerden. Van Hemerts herscholingsplan lukte maar matig, geeft Portier toe, maar des te vaker werd dood en verderf gezaaid onder de Japanners en de Birmezen zij het dat alleen Portier meedeed aan de acties tegen de vijandige Birmese burgerbevolking.

'Dat was tegen de wil van Van Hemert. Hij zei steeds: 'Geen burgers, geen Birmezen, alleen Japanners. Ik krijg moeilijkheden als ik na de oorlog moet rapporteren dat ik burgers heb gedood.' En ik zei steeds: 'Ze zijn op ons leven uit. De Karens van de groep zijn vogelvrij, net als wij, dus help ik ze.' Ik voelde me toen al helemaal een Karen: net als zij had ik lang haar en liep ik altijd op blote voeten. Alleen had ik geen tatoeages en geen vrouw. Ik had helemaal geen zin om ooit nog terug te keren naar het normale leven en weer belasting te betalen. Brrr!'

In zijn rapport uit 1945 noemt Portier drie overvallen op vijandelijke stellingen. Maar nu zegt hij: 'In werkelijkheid is die lijst veel langer! O god! Ik geloof dat ik wel veel burgers heb gedood, maar nooit vrouwen of kinderen. Ik moest leven. Je werd beschoten als je zelf niet eerst schoot. Vergeet niet: we waren maar een kleine groep.'

Na vijf weken leek het dat beschutting niet langer nodig was, en de vier kozen vervolgens voor agrarische werkzaamheden in de Karengemeenschap. Een andere ontsnapte spoorwegwerker, Knoester, sloot zich in die dagen bij hen aan maar de sterkte daalde weer tot vier toen terugkeer naar de bende begin 1944 geboden was: Hofman besloot dat hij er genoeg van had, en dat hij boer wilde blijven. Hij zou het einde van de oorlog niet meemaken.

Brandstichting

Er volgde een tijd van verhevigde Japanse en geallieerde activiteit in Birma: met klassieke middelen als marteling, moord en brandstichting werden de Karen onder steeds hogere Japanse druk gezet om hun vijandelijkheden te staken.

Langdurig vertelt Portier over het laatste traject van zijn avontuur: over het verraad van sommige Karen, over de heldenmoed van sommige anderen, over het kamponghoofd Mau Mela, die de vier tot aan zijn marteldood in bescherming bleef nemen, en uiteindelijk over een steeds kleiner wordend kordon van Japanners en Birmezen met speren, kapmessen en honden. Op 31 juli 1944 werden Portier, Van Hemert, Knoester en Schuurman gevangengenomen. Wie ze waren was de Japanners snel bekend maar een reeks martelingen en schijn-executies ten spijt bleef voor hen verborgen dat de voortvluchtigen in de tussentijd de strijd hadden hervat, en ze werden 'slechts' tot zeer lange gevangenisstraffen veroordeeld.

Toen de geallieerden op zondag 19 augustus 1945 de cellen van de beruchte Autramgaol in Singapore opendenwas Van Hemert inmiddels bezweken en woog Portier nog 28 kilo.

Wanneer hij 45 jaar later een beknopt relaas van zijn belevenissen beeindigt, zet behalve de verslaggever ook dochter Karen Portier een bandrecorder stil. Mevrouw Portier: 'Hij heeft haar altijd beloofd dat hij het allemaal nog eens op zou schrijven.'