DGB eist verbod op uitzendwerk in Duitsland

BERLIJN, 10 oktober De Duitse vakcentrale DGB eist een algeheel verbod op het inhuren van uitzendkrachten in Duitsland. Het verbod moet het hoofd bieden aan een wassende stroom Oostduitsers, die in West-Duitsland voor ongeveer de helft van de daar geldende lonen werken.

Volgens de plaatsvervangende DGB-voorzitster, Ursula Engelen-Kefer, werken in West-Duitsland nu al meer dan een half miljoen mensen als uitzendkracht. Meer dan drie miljoen zouden werkzaam zijn in 'onbeschermde' arbeidsverhoudingen, dwz. zonder aanspraak op sociale verzekeringsrechten e.d.

De DGB vreest dat deze aantallen door de stroom Oostduitsers naar het Westen drastisch kunnen stijgen, omdat de werkloosheid op het gebied van de voormalige DDR snel stijgt en de lonen er maar zo'n veertig procent van die in West-Duitsland bedragen.

Officieel heersen in West- en Oost-Duitsland verschillende CAO-regimes, zodat iemands honorering afhangt van de plaats waar hij werkt. Met uitzendbureaus kan deze regeling evenwel worden ontdoken, omdat de arbeidscontracten immers in Oost-Duitsland worden afgesloten, maar de arbeid in West-Duitsland wordt verricht, meestal aldus de DGB tegen de helft van de daar geldende beloning.

Volgens de DGB zijn er de afgelopen maanden in Oost-Duitsland 430 bedrijven voor uitzendwerk opgericht, die op een vergunning van overheidswege wachten. Ook de meeste Westduitse uitzendorganisaties zijn inmiddels doende met het oprichten van dochterondernemingen in Oost-Duitsland. De DGB verwacht van de import van Oostduitse 'import' naar West-Duitsland, een nadelige invloed op de loonontwikkeling daar.

De OTV, de belangrijkste Westduitse ambtenarenbond, is inmiddels in het geweer gekomen tegen het voornemen van het Westberlijns gemeentebestuur om werknemers, die in Oost-Berlijn of het gebied van de voormalige DDR wonen, voortaan te honoreren naar Oostduitse maatstaven. Voor de meesten van hen, medewerkers bijvoorbeeld aan wetenschappelijke instituten in West-Berlijn die de afgelopen maanden zijn aangenomen, zou dit voornemen een inkomensdaling van vijftig procent of meer betekenen. De bijzondere legale status van Berlijn geeft het bestuur daar formeel de mogelijkheid, de woonplaats en niet de arbeidsplaats als criterium voor de salarisuitkering te nemen.