DE OVERLEGCULTUUR VAN DE LAGE LANDEN

Vijf jaar na oorlog, in 1950, moet de Sociaal-Economische Raad een droom zijn geweest, een droom van samenspraak tussen werkgevers en werknemers. De SER was, evenals de in 1945 opgerichte Stichting van de Arbeid, de belichaming van de zo typisch Nederlandse overlegcultuur. Verwondering over dit fenomeen is het uitgangspunt geweest waarmee de in de Verenigde Staten docerende Nederlands econoom Arjo Klamer zijn jubileumboek over de SER heeft geschreven. Met die benadering volgt hij het spoor van die andere Amerikaanse econoom, John P. Windmuller, die in de jaren zestig naar Nederland kwam om hier het zo unieke model van arbeidsverhoudingen te bestuderen en daar een standaardwerk over te schrijven waar nog steeds uit wordt geput.

In zijn boek Verzuilde Dromen gaat Klamer veel minder ambitieus te werk dan zijn voorganger. Hij heeft zich beperkt tot het schrijven van een vlot boek, doorspekt met allerlei filosofietjes die dieper gravend speurwerk moeten vervangen. Zeker voor een plechtig instituut als de SER is het een wat frivool uitgevallen jubileumgeschenk geworden. Klamer heeft zijn impressies als een journalist te boek gesteld waarbij gesprekken met mensen uit heden en verleden van de SER hem tot leidraad hebben gediend.

Niettemin is hij erin geslaagd vanuit zijn verwondering een eigen kijk op de SER te ontwikkelen waarbij hij tot zijn eigen verrassing de 'ontdekking' doet dat de SER vooral een christelijke droom weerspiegelt. Deze droom van saamhorigheid en samenspraak contrasteert in alle opzichten met de Amerikaanse droom die hij als modern, liberaal, zakelijk en humanistisch kenmerkt. Die droom heeft natuurlijk niet stand kunnen houden in een wereld waarin de verhoudingen steeds zakelijker werden. Klamer vraagt zich af hoe het komt dat het SER-overleg toch voortduurt en waarom Nederlanders nog steeds na onderling beraad in talloze raden beslissen. Het antwoord dat hij ten slotte vindt is dat 'het familiegevoel, de verzakelijking, de rituelen en de retoriek allemaal het SER-gesprek gaande houden'. Het overleg is vooral redelijk, maar ook saai. Dit is het woord waarmee Klamer de Nederlandse overlegcultuur afdoende denkt te kunnen typeren.

Saaiheid

Het gepraat en geschrijf is saai, zoals het gebouw van de SER zelf. Desondanks gaat de samenspraak door, want blijkbaar is die saaiheid ergens goed voor. In de Verenigde Staten komt het begrip overlegeconomie niet voor. Dit is niet zo verwonderlijk, omdat economisch overleg ingaat tegen de Amerikaanse idealen van de vrije markt en de open democratie. Waar een markt beslist, is geen overleg nodig.

Ondank zijn Amerikaanse achtergrond is Klamer tot het oordeel gekomen dat het overleg in de SER zin heeft. De SER heeft een aanwijsbare plaats in het praatcircuit dat de Nederlandse economie en politiek gaande houdt, stelt hij vast. Sommige van zijn gespreksgenoten zijn minder uitgesproken positief over het voortbestaan van de SER. Zo antwoordt Wim Kok op de vraag of de SER afgeschaft zou kunnen worden: 'Zou ik niet doen, maar ik weet niet als we morgen zouden moeten besluiten over de oprichting van de SER of we hem dan morgen weer net zo zouden oprichten. Daar zou ik nog wel eens een nachtje over willen slapen.'

Klamer is op een punt zeer stellig in zijn mening over de SER. Hij vindt dat de onafhankelijke, door de Kroon benoemde leden beter een andere functie kunnen krijgen. Hij vraagt zich af of wetenschappers wel op hun plaats zijn in de geinstitutionaliseerde samenspraak met het bedrijfsleven. Hij denkt dat de wetenschappers kunnen worden gehoord door de sociale partners zonder dat ze actief deelnemen aan het gepraat en de besluitvorming. De SER zou naar zijn mening hoorcommissies kunnen instellen die de mening van wetenschappers - en de anderen - horen. Het lijkt me een goed advies, want de positie van de Kroonleden in de SER is al sinds lang onduidelijk en problematisch, sinds ze zich niet meer onderscheiden door hun specialistische kennis en sterk aan gezag hebben verloren.

Klamers boek is zeker niet het laatste woord over de SER en over het Nederlandse overlegmodel. Op de vorige week gehouden jubileumbijeenkomst in de Ridderzaal bestond er bij de sprekers geen enkele twijfel over de vraag of de SER moet blijven. Recente aanvallen op dit instituut, zoals van de fractievoorzitter van de Partij van de Arbeid in de Tweede Kamer, Thijs Woltgens, werden resoluut afgeslagen. Het is ook wat vreemd als uit de politiek het al vaker vernomen verwijt klinkt dat te veel op adviesorganen als de SER wordt afgeschoven en dat de politici zelf weer hun eigen besluiten moeten nemen, terwijl tegelijkertijd de klacht wordt gehoord dat de politiek zich te weinig aan de SER-adviezen gelegen laat liggen.

De onmisbaarheid van de SER bij de politieke besluitvorming wordt weer eens onderstreept door de uitkomst van het onlangs gehouden Najaarsoverleg tussen kabinet en sociale partners. Het kabinet deed daarbij de toezegging de SER om advies te zullen vragen over de wenselijkheid van een wettelijke verplichting voor werkgevers om een minimum aantal werknemers uit etnische minderheden in dienst te hebben. Volgens de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, De Vries, kan de politiek op dit moment geen verantwoordelijkheid voor een dergelijke verplichting nemen. De Vries (een overtuigd voorstander van de overlegeconomie) is van mening dat het overleg tussen de sociale partners en de overheid staat of valt met het zichtbaar maken van verantwoordelijkheden en met het maken van afspraken waar geen van de partijen zich achter kan verschuilen.

Nieuw geluid

In dit opzicht viel een nieuw geluid te horen van FNV-voorzitter Johan Stekelenburg. Hij stelt voor de SER de bevoegdheid te geven om algemeen verbindende regels op het gebied van de arbeidsverhoudingen vast te stellen. Naar zijn mening is er behoefte aan nieuwe juridische instrumenten om centrale afspraken tussen sociale partners een meer bindend karakter te geven.

Niet alleen zou het gewicht van de SER - ook bij afspraken met een loonpolitiek karakter - weer groter worden, ook het centrale overleg wint aan betekenis wanneer de gemaakte afspraken algemeen bindend worden voor de achterban van werkgevers- en werknemersorganisaties.

Bij alle twijfel die de laatste tijd weer is gerezen over het nut van die halfjaarlijkse ontmoetingen op centraal niveau, lijkt dit voorstel te leiden tot een voltooiing van het corporatistische model dat nog altijd de kern vormt van het Nederlandse overlegstelsel. Er zou grondig over nagedacht moeten worden voor we de SER met een dergelijke vergaande bevoegdheid toerusten. Het zou wel eens kunnen dat het dan nog moeilijker wordt om tot centrale afspraken te komen. De verantwoordelijkheid van de sociale partners wordt sterker geprofileerd, maar daar staat tegenover dat juist die verantwoordelijkheid haaks staat op het algemeen geaccepteerde model van decentrale besluitvorming. Dat kan natuurlijk juist de bedoeling van de FNV-voorzitter zijn, die toch al grote bezwaren heeft tegen de door de werkgevers aangehangen 'nieuw-rechtse ideologie' dat elke vorm van centraal sturen funest is.