DE METEROPNEMER VAN DE NEDERLANDSE ECONOMIE; Stroomcijfers Sep geven actueel beeld van conjunctuur

Vanuit de bossen aan de rand van Arnhem hebben de Samenwerkende elektriciteits-produktiebedrijven (Sep) een actueel en betrouwbaar beeld van de ontwikkeling van de Nederlandse economie. De groeicurve van het stroomverbruik als spiegel van het wel en wee van de nationale huishouding. Een conjunctuurindicator met een actualiteit die die van het CBS, De Nederlandsche Bank of het Centraal Planbureau verre overtreft.

Alleen boven de drie geavanceerde werkstations branden heldere tl-lampen, verder is de verlichting in de hoge zaal gedempt. De operators kijken geconcentreerd naar de gekantelde monitoren voor hen. Een van hen brengt met zijn hand een balletje, dat in het tafelblad is ingebouwd, aan het rollen en beweegt zo de cursor naar een wit bolletje op zijn beeldscherm. Na enkele seconden wordt dat rood en op hetzelfde moment klapt een honderdtal kilometers verderop, ergens tussen Eindhoven en Geertruidenberg, een schakelaar in een hoogspanningslijn dicht. Een voor een sluit de man vervolgens op dezelfde manier, hier vanuit het Landelijk Bedrijfsvoeringscentrum (LBC) van de NV Samenwerkende Elektriciteits-Produktiebedrijven (Sep), de volgende schakelaars. Ten slotte buigt hij zich naar een microfoon. 'Attentie, Eindhoven-grijs komt in bedrijf.'

Via een straalzender op een hoge toren, buiten, wordt zijn waarschuwing naar het 380 Kilovolt station in Eindhoven gezonden, waar grote luidsprekers hem weer doorgeven aan de werknemers die daar tussen de hoogspanningsschakelaars rondlopen - zodat ze niet schrikken van de enorme knal die het onder spanning zetten van de 380 KV lijn zo dadelijk zal veroorzaken. In de zaal van het Landelijk Bedrijfsvoeringscentrum heerst een weldadige rust. De operator drukt op een knop. Op een grote, licht gebogen wand vol met blauwe lijnen en afkortingen gaan twee groene lampjes uit en twee rode aan. De tijdelijk afgekoppelde hoogspanningslijn Eindhoven-Geertuidenberg-grijs (een van de drie) doet weer mee in het landelijke koppelnet, de autosnelweg van de elektriciteitsvoorziening.

Actueel

Vanuit dit LBC houdt de Sep van minuut tot minuut in de gaten hoeveel stroom de verschillende centrales produceren, hoeveel er naar het buitenland gaat, hoeveel er omgekeerd via lijnen uit Belgie en Duitsland ons land binnenkomt, of en waar storingen optreden. Alles per computer, alles met eigen straal- en telefoonverbindingen, allemaal hier vanuit de bossen aan de rand van Arnhem.

Hoewel onbedoeld, is het LBC daarmee tegelijkertijd de meest actuele monitor van de economische bedrijvigheid, een conjunctuurindicator met een actualiteit die die van het CBS, De Nederlandsche Bank of het Centraal Planbureau verre overtreft. Sinds enkele jaren loopt de ontwikkeling van het elektriciteitsverbruik - in 1989 in totaal zo'n 75 miljard kilowattuur - namelijk vrijwel parallel met die van de economie. Het BNP nam in 1989 met 4,3 procent toe, het stroomverbruik met 3,9 procent. 'Wij kunnen de economische ontwikkeling hier vrijwel op de voet volgen', zegt J. van den Berg, onderzoeker bij de Sep. 'Twee, drie dagen na levering kennen wij de cijfers over de kilowattuur-ontwikkeling al.' De groeicurve van het stroomverbruik kan dan ook worden gezien als de spiegel van het wel en wee van de nationale huishouding.

Op het dieptepunt van de crisis van begin jaren tachtig, toen ook de economie inkromp, was er sprake van een netto daling van de elektriciteitsconsumptie. Maar in de loop van 1983, toen Nederland nog volop in malaise-stemming verkeerde, kon de Sep aan de hand van de kilowattuur-cijfers al vroegtijdig constateren dat het ergste voorbij was. De mincurve boog om en kwam in de plus terecht. 'Pas een half jaar later verschenen de eerste berichten in de krant dat het beter ging met de economie', zegt de chef van het Landelijk Bedrijfsvoeringscentrum, J. Hoogveld, met bescheiden trots. Sindsdien zijn de groeipercentages van het stroomverbruik relatief stabiel. Mede doordat belangrijke delen van de industrie omvangrijke energiebesparingsprogramma's hebben uitgevoerd, zijn ze niet langer anderhalf tot tweemaal zo hoog als de groei van het BNP, zoals begin jaren zeventig, maar tenderen ze naar een een op een relatie. De afgelopen jaren groeide het stroomverbruik met twee tot vier procent, en de jongste gegevens tonen aan dat de toename van 1989 - een jaar van hoogconjunctuur - zich in het eerste kwartaal van 1990 onverminderd voortzette met 3.7 procent (ten opzichte van het eerste kwartaal 1989). Daarna zette een periode van nogal sterke schommelingen in, althans in de afname van stroom uit het openbare net, dat goed is voor zo'n 84 procent van de totale electriciteitsproduktie. De overige veertien procent wordt geproduceerd door het bedrijfsleven zelf.

Farce

Aan de verbruikscijfers van de Sep is tamelijk gedetailleerd af te lezen hoe de Nederlandse economie zich sinds 1979 heeft ontwikkeld. Zo blijkt dat de crisis van 1980-1983 niet overal op hetzelfde moment toesloeg. In de metaal, de groot- en detailhandel, de zakelijke diensten (exclusief de banken), de horeca en de reparatiebedrijven viel het dieptepunt al in 1981. De voedingsmiddelenindustrie, de textiel- en ledersector, de chemie en de bouw beleefden de grootste malaise pas twee jaar later, in 1983. Opmerkelijk genoeg werd de ontwikkeling van het stroomverbruik bij de overheids- en semi-overheid nauwelijks door de recessie aangetast. Alleen de sector cultuur, recreatie en sport stagneerde in 1984 duidelijk, maar de rest groeide gewoon verder, hoewel in een tempo dat vooral de laatste jaren enigszins achterblijft bij de totale economische groei. De Sep-cijfers adstrueren zo de bekende klacht dat de (semi)overheid - de politieke 'krimp'-ideologie van begin jaren tachtig ten spijt - allesbehalve kleiner is geworden en dat veel bezuinigingen een farce zijn gebleken.

Het verband tussen stroomverbruik en economische groei is niet in alle bedrijfstakken hetzelfde. De olieraffinaderijen en de papierindustrie, beide energie-intensieve bedrijfstakken, hebben veel gedaan aan besparingen en aan de inzet van warmte-kracht koppeling. Daardoor is hun elektriciteitsconsumptie niet sneller gegroeid dan hun produktie; in de chemie is de elektriciteitsintensiteit, het verbruik per eenheid produkt, zelfs afgenomen. Maar in de voedings- en genotmiddelenindustrie is de stroomconsumptie sterk toegenomen, vermoedelijk door schaalvergroting en automatisering van de produktielijnen in deze branche. In de metaal is het beeld divers: de basismetaal is als gezegd tot medio jaren zeventig sterk energie-intensief geworden, vooral door de opkomst van de aluminiumproduktie. Maar in de metaalproduktensector gaan produktiegroei en toename van het elektricteitsgebruik weer gewoon gelijk op.

Ook de structuurveranderingen in de economie sinds de recessie van begin jaren tachtig zijn aan de elektriciteitsconsumptie af te lezen. Tussen 1982 en 1987 (het laatste jaar waarover gedetailleerde cijfers beschikbaar zijn), steeg het totale verbruik met zestien procent. De commerciele dienstensector en de industrie zaten daar gemiddeld boven, maar de huishoudens, de land- en tuinbouw, en de bouw bleven achter. Het werken vanuit de eigen woning daarentegen is dramatisch toegenomen: sinds 1982 steeg het gecombineerd zakelijk/huishoudelijk verbruik met ruim negentig procent. Binnen de industrie gaven vooral de elektrotechniek, de papier- en grafische industrie, de (niet-dierlijke) voedingsmiddelenindustrie, en de producenten van hout- en bouwmaterialen groei te zien terwijl ook de textiel een opmerkelijk consumptieherstel vertoonde. De toename van het stroomgebruik in de dienstensector komt vooral voor rekening van de handel en de horeca; en bij de (semi)overheid spande het onderwijs de kroon met een toename van 45 procent.

Nieuwe apparaten

Blikopeners, steengrillen, folie-lasapparaten voor het dichten van plastic zakken, koelboxen, gourmetsets, massage-apparaten, hotsticks voor het snel inzetten van krullen, het scala aan elektrische apparaten is zo langzamerhand niet meer te overzien. De nieuwste trend, zegt een woordvoerder van Philips, zijn de oplaadbare apparaten: snoerloze stofzuigers, boormachines, schroevendraaiers, ze gaan als warme broodjes over de toonbank. Vooral de magnetron rukt op, meldt het CBS, dat via een panelonderzoek periodiek meet hoe het met het bezit van duurzame consumptiegoederen gesteld is. In 1984 bezat nog vrijwel niemand een 'microwave', vijf jaar later was dat negen procent van de huishoudens. Ook de wasdroger mag zich in een groeidende belangstelling verheugen: een op de vijf huishoudens heeft er een, tegen een op de acht in 1984. Het aantal kleurentelevisie - nu 93 procent - neemt ook nog altijd enigszins toe, net als het bezit van videorecorders. En dan is er natuurlijk de spectaculaire opkomst van de homecomputer, nu aanwezig in een op de vijf huishoudens, en die van de compact-disc, vanuit het niets in 1984 doorgedrongen in een kwart van de huishoudens in 1989. De Vereniging van exploitanten van elektriciteitsbedrijven in Nederland (Veen) meldt verder dat per honderd huishoudens tien elektrische grasmachines, elf heggescharen, zes aquariumpompen, vijf gezichtssolaria, drie zonnbanken en 31 elektrische dekens beschikbaar zijn. Een kwart van het stroomgebruik gaat bovendien op aan doe-het-zelf apparaten.

Hervatte groei

Geen wonder dat het elektriciteitsgebruik van huishoudens weer stijgt, de toegenomen energie-efficiency van al dit soort spullen ten spijt. Jarenlang was de tendens dalend, van rond de 3100 kilowattuur per huishouden per jaar in 1980 naar rond de 2800 in 1988. Maar vorig jaar begon de groei weer, vooral in de grotere huishoudens en dwars door alle sociale lagen heen.

Toch gebruikt Nederland naar verhouding niet al teveel elektriciteit. In zes van de twaalf EG-landen (Luxemburg, Denemarken, Belgie, Duitsland, Frankrijk, Engeland) is het stroomverbruik per hoofd van de bevolking groter, in vijf landen lager (Spanje, Griekenland, Ierland, Italie en Portugal). De reden ligt voor de hand: in veel landen wordt elektriciteit ook ingezet voor verwarmingsdoeleinden; wij gebruiken daar op grote schaal aardgas voor. Toch nemen de huishoudens nog altijd zo'n 28 procent van de totale stroomconsumptie voor hun rekening, evenveel als overheid en dienstensector (samen ook 28 procent). Derde en vierde op de ranglijst zijn de metaalindustrie (achttien procent) en de chemie (negen procent), waarbij aangetekend dat deze laatste bedrijfstak daarnaast nog eens bijna net zoveel zelf aan elektriciteit opwekt. De grootste zelfopwekkers zijn de olieraffinaderijen, die voor driekwart in hun eigen behoefte voorzien.

Besparing

Hoe lang het stroomverbruik als conjunctuurindicator bruikbaar blijft, valt overigens moeilijk te voorspellen. De afgelopen jaren viel het steeds weer hoger uit dan gedacht - net als de economische groei zelf. De overheid, die het beleid met betrekking tot de stroomvoorziening bepaalt, gaat nu al enkele jaren uit van de verwachting dat er fors op het gebruik moet kunnen worden bespaard. Het ministerie van economische zaken wil in 2010 een besparing van een kwart ten opzichte van 1980 hebben bereikt (in de huishoudens zelfs van 45 procent). De verhouding stroomverbruik/economische groei zou daardoor drastisch veranderen. Maar begin vorig jaar liet het Centraal Planbureau weten dat de besparingsaanname van EZ rijkelijk overtrokken is; en ook de Sep meent dat de doelstelling van EZ zonder extra stimulerende maatregelen absoluut onhaalbaar is. Investeringen in energiebesparing, constateert de organisatie in het jongste Elektriciteitsplan, gaan namelijk samen met een hoge elektriciteitsprijs en een toename van het verbruik. De laatste omstandigheid doet zich wel voor, maar de eerste - althans tot de Golfcrisis - niet. Dientengevolge dringt de zuinige lamp maar nauwelijks door in de huishoudens en geeft ook de industrie tot op heden geen enkele prioriteit aan het verlagen van de stroomrekening. Of de Golfcrisis het verbruiksgedrag werkelijk fundamenteel zal veranderen, moet worden afgewacht.

Als gezegd: in het eerste kwartaal van 1990 lag het stroomverbruik 3,7 procent boven het niveau van het eerste kwartaal 1989, en dat spoort nog steeds aardig met de economische groei die volgens het CBS 3,9 procent (bruto nationaal produkt) bedroeg. Daarna is het beeld minder betrouwbaar, omdat de Sep over die periode alleen over cijfers van de eigen produktie beschikt - de produktie van de zelfopwekkers sinds maart is nog onbekend. Op basis van de Sep-cijfers kan in ieder geval een duidelijke afname van de groei worden geconstateerd. Sep voorspelt voor het gehele jaar 1990 dan ook een groei van

totale elektriciteitsverbruik van rond de drie procent, bijna een procentpunt lager dan vorig jaar. De Golfcrisis is in deze voorspelling nog niet meegenomen. Tot en met de eerste week van september was van de effecten daarvan op de economische activiteit nog niets te merken. De twee daaropvolgende weken gaven een forse daling van de groei naar 0,6 en 0,8 procent te zien. Maar volgens een woordvoerster van Sep is die periode nog 'te kort om conclusies uit te trekken'.

ELEKTRICITEITSVERBRUIK

in miljoenen kilowatt/uur volgens het CBS

1987 1988 1989 toename '87-'89landbouw en visserij 1927 1907 1876 -2,6% industrie (exc.raffinage) 23.023 23.676 24679 +7,2%bouw en bouwinstallatie 463 464 450 -2,8%groothandeln1.488 1.523 1.706 +14,7%detailhandeln2.523 2.578 2.871 +13,8%horeca 1.268 1.264 1.465 +15,3%reparatiebedrijven 492 508 551 +12,0%transport/opslag/communicatiebedrijven 1.267 1.237 1.287 +1,6%bankenn498 595 570 +14,5%verzekeringenn154 185 173 +12,3%zakelijke dienstverlening 943 1165 1187 +25,9%openbaar bestuur en defensie 2.356 2.986 3.068 +21,0%onderwijsn636 738 715 +12,4%gezondheidszorg 1.141 1.185 1.225 +7,4%huishoudensn15.300 15.500 16.000 +4,6%totaal verbruik 57.928 60.093 62.397 +7,7%