De Duitsers zijn bang voor Duitsers

De dag na de Vereniging was er op de Duitse televisie een discussie over de vraag of Berlijn weer de hoofdstad moest worden. Twee politici, een historicus en een schrijver, vlogen elkaar daarover in de haren.

Het feit dat Berlijn als zodanig in de Westduitse grondwet staat, speelde geen rol. De SPD-strateeg Egon Bahr deed dat af met: het staat in de grondwet omdat niemand in zijn hart heeft geloofd dat het ooit nog eens zo ver zou komen.

Niemand bestreed dat en aldus kwam de weg vrij voor emoties die onthullender waren dan de argumenten.

SPD-politicus Peter Glotz was fel tegen Berlijn want dat zou weer kunnen leiden tot het centralisme en nationaal-chauvinisme dat Duitsland en zijn buren al genoeg ellende hadden bezorgd.

Egon Bahr vroeg zich vertwijfeld af wat Berlijn toch 'fur Boses' had gedaan en zei dat in 1933 maar 22 procent van de Berlijners op Hitler had gestemd. Is onze democratie dan zo zwak?

Die vraag liep als een bezorgde ondertoon door de gehele discussie ondanks de overtuiging van alle deelnemers dat Duitsland juist zo'n sterke en stabiele democratie heeft opgebouwd. Precies, denkt dan de buitenstaander, jullie hebben die democratie gevestigd op de ruines van 1945 en dat is bewonderenswaardig want de welvaart kwam pas vijftien jaar later dank zij het genie van Ludwig Erhard. Waarom dan toch die angst van Duitsers voor Duitsers? Ook in de redevoering van Bondskanselier Helmut Kohl in de Rijksdag was die bespeurbaar. Duitsland als natie van de vrede, de goede buurman, het Europese Duitsland.

Het klonk als een bezweringsformule. Wie wilde hij geruststellen? De buren of de Duitsers? Ik moest denken aan de wijze Konrad Adenauer die tegen Alfred Mozer eens gezegd heeft: 'Wir brauchen Europa um die Deutschen gegen die Deutschen zu schutzen'.

Ik vraag me af wat Duitsland meer nodig heeft, ons vertrouwen of een geniale psychiater. Ik houd het op beide.