Saddam wil met jihad tegenstanders splijten

De Arabische veroveringen tijdens het leven en na de dood van de profeet Mohammed werden volgens prof. Bremmer (NRC Handelsblad, 2 oktober) vooral ingegeven door de zucht naar buit, 'omdat niet-moslims een hogere belasting moesten betalen dan bekeerlingen'. Alhoewel de zucht naar buit een belangrijke factor was, kan deze eeuwen durende expansie echter niet worden losgezien van het religieuze elan dat samenhing met de universele aanspraken van de islam.

Bremmer stelt dat de tactiek om de inspanningen der moslims te richten op de jacht naar buit zo succesvol was, dat de islamitische opmars eerst bij Poitiers door Karel Martel in het jaar 732 kon worden gestopt. Algemeen wordt echter aangenomen dat de moslimse veldheren in die tijd niet de intentie hadden hun staat uit te breiden tot Midden Europa. De veldtochten naar Midden-Frankrijk waren geisoleerde verschijnselen met het karakter van raids. De moslims consolideerden hun macht vooral in het midden en zuiden van het Iberisch Schiereiland.

Onjuist is ook dat 'de veroverde bevolking zich aansloot bij de islam'. Integendeel, in islamitisch Spanje bijvoorbeeld was in de eerste eeuwen na de verovering een groot deel van de bevolking jood of christen, en kwam het pas eeuwen later tot uitgebreide islamisering.

De door Bremmer geschetste ontwikkeling in de moderne tijd van een exclusief naar buiten gerichte strijd (tegen de ongelovigen) naar een tevens interne strijd (moslims onderling) wordt niet door de bronnen bevestigd. De beroemde moslimgeleerde Al-Mawardi die leefde in de elfde eeuw onderscheidde een jihad tegen ongelovigen en een jihad tegen gelovigen, namelijk tegen afvalligen, tegen hen die er heterodoxe meningen op na hielden, en tegen hen die zich hadden afgescheiden van de islamitische gemeenschap.

Aan het slot van zijn artikel stelt Bremmer de vraag naar het gevaar van Saddams oproepen tot jihad en komt tot de conclusie dat 'we (wie zijn dat overigens?) niet echt bang hoeven te zijn'. Dit vanwege Saddams seculiere machtsbasis (de Ba'ath-partij) en het feit dat Irak bevolkt zou zijn door sunnieten, die anders over de jihad zouden denken dan de (Iraanse) shi'ieten. Ook deze analyse laat zeer te wensen over. Ten eerste is de meerderheid van de bevolking van Irak shi'iet (zie H. Halm, Die Schia, Darmstadt 1988,). Vervolgens wordt zowel in de shi'itische als de sunnitische islam gesteld dat degene die de martelaarsdood sterft in het paradijs komt. Op dit punt is er geen verschil. Ten slotte zal het effect van Saddams oproepen sterk afhangen van de wijze waarop de argumenten die hij gebruikt binnen de sunnitische en shi'itische islam worden gewogen.

Het centrale punt in Saddams pleidooi voor een jihad is het inroepen van de hulp van vreemde, niet-islamitische mogendheden door Saoedi-Arabie. Deze aanwezigheid is niet alleen vanuit het koloniale verleden een probleem, maar ook omdat hier niet-moslimse mogendheden de staat waarin de heilige plaatsen Mekka en Medina liggen, bijstaan in de strijd tegen een islamitisch buurland. Weliswaar heeft de Azhar-Universiteit in Kairo inmiddels een fatwa (decreet)uitgevaardigd waarin de aanwezigheid van vreemde troepen aldaar als niet strijdig met de islam wordt betiteld, het probleem blijft echter dat niemand op dit moment weet op hoeveel steun die zienswijze kan rekenen, bijvoorbeeld in kringen van schriftgeleerden in Saoedi-Arabie zelf. Saddams herhaalde oproepen tot jihad zijn waarschijnlijk niet zozeer bedoeld om het moreel van de eigen troepen te beinvloeden, als wel om de onderdanen van zijn vijanden tegen hun regeringen te mobiliseren. De vraag naar de mate waarin de Westerse aanwezigheid thans in de gehele regio destabiliserend werkt, zou dan ook wel eens belangrijker kunnen zijn dan de kwestie of de notie jihad iets toevoegt aan de 'gevechtskracht' van het Iraakse leger.