Politieke Unie EG moet 'trekpaard' zijn voor continent; Architecten van het nieuwe Europa laten schetsen zien

ROTTERDAM, 9 okt. Het was het weekeinde waarin architecten van het nieuwe Europa hun schetsen lieten zien. Het waren nog voorlopige tekeningen, probeersels vaak en soms proefballonnen.

Zaterdag sprak de Franse president Mitterrand over de noodzaak van een nieuw verdrag dat de basis zou moeten vormen van een Europese Gemeenschap die spoedig tot een Europese Politieke Unie zal uitgroeien. Hij deed op een symposium in Parijs over de Frans-Duitse vriendschap bovendien het voorstel 'een economische regering van Europa' te vormen om de in aanbouw zijnde Economische en Monetaire Unie van de EG tot een succes te maken.

Tijdens dezelfde bijeenkomst schilderde de Duitse minister van buitenlandse zaken, Genscher, een veel wijder toekomstperspectief. Hij riep op tot snelle uitbreiding van de samenwerking in de Europese Gemeenschap en tot integratie van het continent van de Atlantische Oceaan tot de Oeral. 'Hoe vlugger we de (Politieke) Unie van de Europese Gemeenschap voltooien, des te meer moedigen we de eenheid van Europa aan', zei hij. 'We willen een ongedeeld Europa vormen, een afzonderlijk Europa.'

Een verenigd Europa moet volgens hem ook Oost-Europa omvatten, inclusief de Sovjet-Unie. Dat land moet daarvoor dan wel de weg vrijmaken 'met effectieve economische hervormingen en een staatsorde die kan voldoen aan de wensen van zijn volken'. Bovendien zal een paneuropees veiligheidssysteem dat voortkomt uit de Conferentie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (CVSE) militaire macht verminderen en nieuwe conflicten in de regio voorkomen, aldus Genscher.

'Op deze basis zullen materiele, intellectuele en politieke krachten worden vrijgemaakt die hun invloed tot buiten Europa zullen doen gelden en een bijdrage zullen leveren aan de mondiale problemen waarmee we nu worden geconfronteerd: uitbanning van onderontwikkeling in de Derde wereld, beheersing van het schuldenvraagstuk en bescherming van onze natuurlijke omgeving.'

Waar Mitterrand zich leek te concentreren op het uitzetten van praktische lijnen voor institutionele regelingen, leidde Genscher de blik naar een verre horizon. Vullen Fransen en Duitsers elkaar zo aan? Het leek erop want Mitterrand prees uitbundig de Frans-Duitse rol bij de Europese eenwording: 'Zonder de Frans-Duitse verzoening zou niets mogelijk zijn geweest en zou er niets zijn opgezet', al zei hij er direct bij dat 'het Frans-Duitse koppel de pretentie noch de ambitie heeft om de Europese Gemeenschap voor te schrijven wat ze moet doen'.

In de buurt van Venetie traden Frankrijk en Duitsland zaterdag en zondag opnieuw samen naar voren tijdens informeel beraad van de EG-ministers van buitenlandse zaken. Daar werd uitgebreid gesproken over de manier waarop de Politieke Unie van de EG zou moeten worden opgezet. De Franse minister van buitenlandse zaken, Dumas, presenteerde nadrukkelijk mede namens Genscher ('die blij was dat zijn Franse collega ook voor hem sprak', merkte de correspondent van het Britse dagblad The Guardian op) een plan voor het optuigen van de Europese Gemeenschap met een gemeenschappelijke buitenlandse politiek en een gezamenlijk veiligheidsbeleid.

Opvallend in het Frans-Duitse voorstel is dat het zowel de soevereiniteit van de lidstaten probeert te handhaven als de overdracht van beslissingsbevoegdheid naar de Gemeenschap wil versterken. De Europese Raad, zoals de topconferentie van regeringsleiders van de Twaalf wordt genoemd, moet onderwerpen voor een gemeenschappelijk buitenlandse beleid selecteren 'op basis van gemeenschappelijke belangen en waarden' en de ministers van buitenlandse zaken moeten bij de uitvoering daarvan met gekwalificeerde meerderheid besluiten nemen. Een combinatie dus van intergouvernementele samenwerking (binnen de Europese Raad, waar elk land een vetorecht heeft) en supranationaliteit (de meerderheidsbesluitvorming binnen het overleg van de ministers).

De EG-ministers van buitenlandse zaken moeten volgens Dumas ook over sommige veiligheidsaangelegenheden kunnen praten maar defensie zou in handen van de Westeuropese Unie (WEU) moeten blijven. Van de WEU zijn nu negen EG-landen lid en in de Frans-Duitse visie moet worden geprobeerd alle twaalf lidstaten van de Gemeenschap binnen de WEU te krijgen.

Net als in Parijs liet Genscher zich ook in dit forum nog even van zijn paneuropese kant zien. Volgens zijn woordvoerder had de minister 'een brede historische visie' ontvouwd. 'De EG mag niet achter de ontwikkeling in heel Europa aan komen hinken', aldus Genscher. De Politieke Unie zou in dit verband een rol moeten spelen van 'trekpaard' voor heel Europa.

Het voorstel waarmee de gastheer van het overleg, de Italiaanse minister van buitenlandse zaken De Michelis, het Europese debat had verrijkt samensmelting van de WEU met de EPS, het intergouvernementele verband waarbinnen de EG-landen nu hun buitenlandse politiek afstemmen raakte onder dit Frans-Duitse geweld op de achtergrond. Alleen van Belgie kreeg hij volop steun. Maar De Michelis toonde zich een sportief verliezer en kenschetste zijn voorstel opgewekt als een doelstelling voor de lange termijn.

Het overleg bij Venetie heeft eens te meer aangetoond dat het debat over de vraag of de Europese Gemeenschap een eigen buitenlandse politiek en een eigendefensiebeleid moet hebben met grote levendigheid wordt gevoerd. Het idee zelf lijkt niet meer op onoverkomelijke weerstand te stuiten. Zelfs Groot-Brittannie is niet mordicus tegen. Weliswaar zei de Britse minister van buitenlandse zaken, Hurd, dat EG-initiatieven op het gebied van defensie en buitenlandse politiek de NAVO niet mogen verzwakken maar hij voegde er direct aan toe: 'Ik denk niet dat de Britse regering al een definitief standpunt over deze kwestie heeft ingenomen'.

In Den Haag is het niet anders. Minister Van den Broek heeft 'reserves' geuit tegen het plan om WEU en EPS te laten fuseren en over de Frans-Duitse voorstellen zegt zijn woordvoerder dat ze niet mogen leiden tot versterking van het intergouvernementele karakter van de Gemeenschap. Maar het ministerie van buitenlandse zaken verkeert nog in een 'denkproces', zo wordt onderstreept.

De Nederlandse Europese bouwmeesters lijken in de volgende richting te denken: Het Europese integratieproces is niet compleet zonder een gemeenschappelijke buitenlandse politiek en een gezamenlijk veiligheidsbeleid. Maar deze moeten stapsgewijs tot stand komen; De WEU zou alle EG-landen moeten omvatten; Voor andere Europese landen en daarbij wordt vooral gedacht aan NAVO-lidstaten Turkije en Noorwegen, maar ook aan EVA-landen als Oostenrijk en de nieuwe Oosteuropese democratieen moet een 'associatief lidmaatschap' van de WEU in het leven worden geroepen; het bestaande EPS-overleg moet worden worden opgeklopt metnieuwe werkterreinen zoals: wapenexportbeleid, non-proliferatie, deelneming aan vredesmachten van de Verenigde Naties en gezamenlijk optreden van de EG in de VN-Veiligheidsraad; De veiligheidspolitiek van de EGmoet goed worden afgestemd met de NAVO en alles moet worden gedaan om de Verenigde Staten betrokken te laten blijven bij de Europese ontwikkelingen; Bij alleplannenmakerij moet goed op het institutionele kader worden gelet en dat wordt nog al eens, en dan met name door de Duitsers die graag denken in grote concepten, vergeten. Het bouwen van intergouvernementele luiken in een communautair systeem, wat het Frans-Duitse plan lijkt in te houden, zou volgens Den Haag in elk geval een slecht idee zijn.