Meer behoefte aan zorg bij militaire slachtoffers

DOORN, 9 okt. 'Het bevalt me hier uitstekend', zegt J. A. H. van den Driesschen (86). Gezeten in zijn grote fauteuil trekt hij aan een sigaar. 'We woonden in een flat in Vlaardingen, maar toen mijn vrouw vorig jaar stierf zag ik dat niet meer zitten. Ik ben hier toen een week op vakantie geweest en heb mijn ogen goed de kost gegeven. Ik dacht, ik moet zien dat ik hier terechtkom.'

Van den Driesschen bewoont een van de zes nieuwe woningen op het terrein van de Bond van Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers (BNMO) in de bossen van Doorn, die vorige week officieel werden geopend. De BNMO poogt de belangen te behartigen van militairen die blijvende lichamelijke of psychische verwondingen hebben overgehouden aan de Tweede Wereldoorlog of aan militaire activiteiten in Nederlands Indie en Korea en van degenen die in vredestijd in dienst blijvend letsel hebben opgelopen. Een belangrijke rol daarin speelt het centrum in Doorn, waar per jaar zo'n 2.200 mensen deelnemen aan vijf- a tiendaagse nazorgprogramma's. Sommige zijn gericht op geestelijke verwerking, andere zijn vooral fysiek. In alle gevallen nemen ook de echtgenotes deel. Omstreeks de feestdagen in december zijn er weken voor weduwen.

De belangstelling voor de programma's is groot, aldus directeur J. J. Kellerman Slotemaker. 'Vooral de vraag van degenen die in de jaren '45-'50 in Indie hebben gediend gaat nu snel omhoog en nadert de vijftig procent.'

'Toen zij terugkwamen was de houding van de overheid: ga maar aan het werk, dan kom je er wel overheen', zegt T. de Mooij, woordvoerder van de bond. 'Dat ging ook, tot ze ophielden met werken en met VUT of pensioen gingen. Toen gingen ze piekeren. Bij die generatie komen nu de psychische problemen naar boven.'

De grote frustratie van menigeen binnen de bond is dat het ministerie van defensie niet bijdraagt aan de nazorgprogramma's en de exploitatie van de woningen. De Mooij: 'Er is nu wel een goed samenspel met Defensie, maar voor allerlei dingen hebben ze geen geld. Toen hebben we het maar zelf gedaan.' Een voorbeeld daarvan is het maatschappelijk werk van de krijgsmacht. De Mooij: 'Defensie heeft daar flink op bezuinigd. Het werd steeds meer bedrijfsmaatschappelijk werk voor militairen in actieve dienst en voor begeleiding van oorlogs- en dienstslachtoffers was steeds minder mogelijkheid.' Elke regionale afdeling van de bond heeft tegenwoordig een eigen maatschappelijk werker in dienst die alle leden op zijn tijd bezoekt, degenen die het nodig hebben vaker. De Mooij: 'De taken van de BNMO nemen toe. Het wordt tijd dat Defensie meebetaalt.'

Op het terrein in Doorn bevinden zich ook 26 appartementen en veertien bungalows voor rolstoelgebruikers. Om voor plaatsing in een appartement in aanmerking te komen moet men een indicatie volgens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) hebben. De appartementen zijn echter een paradijs vergeleken met een verpleeghuis. Alle hebben twee kamers, zodat de partner mee kan. In een gewoon verpleeghuis kan dat niet. Het verblijf van de partner wordt echter niet door de AWBZ vergoed. Hiervoor betrekt de BNMO geld uit particuliere bronnen via de Stichting Nederlandse Militaire Oorlogs- en Dienstslachtoffers en Aanverwante Doeleinden (SNMO). De stichting betaalt ook de nazorgprogramma's.

Er staan al zestig echtparen op de wachtlijst voor het woonoord, meldt directeur mevrouw M. Weetink. En aangezien de gemiddelde leeftijd laag is, circa zeventig jaar, is de doorstroming gering. Als een bewoner met AWBZ-indicatie overlijdt moet zijn of haar partner na een half jaar vertrekken. Voor hen zijn nu de zes nieuwe woningen op het terrein gebouwd. De partners hoeven dan niet weg uit de hun inmiddels vertrouwde omgeving. Ook kunnen de woningen worden gebruikt voor spoedopnames als er geen plaats vrij is in het woonoord.

Van den Driesschen, die zodra er plaats is verhuist naar het woonoord: 'Ik was hier nooit geweest. Ik kende niemand, maar ik heb er nu al wel een paar ontmoet die ik uit mijn marinierstijd kende.' Hij trad in 1924 in dienst bij het Korps Mariniers. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij in verscheidene concentratiekampen. Sindsdien kan hij slecht slikken en eet hij alleen fijngemalen voedsel. Dat wordt in de keuken van het woonoord bereid. Ook van andere faciliteiten op het terrein is hij een trouw gebruiker: 'Bowlen, zwemmen en klaverjassen natuurlijk.'

    • Dick van Eijk