Kwekersrecht versus boerenrecht

Zoals eerst het eten komt en dan de moraal, zo komt eerst het zaaizaad en dan het eten. Zaaigoed is sinds jaar en dag een hoeksteen van de samenleving. Het is dan ook niet verwonderlijk dat de kwestie of zaaigoed gemeengoed is, danwel het intellectueel eigendom van de veredelaar, een centrale kwestie is bij de lopende internationale handelsbesprekingen.

In de Verenigde Staten en Japan worden thans octrooien of patenten op veredelde planten gegeven. De Europese industrielanden kennen het kwekersrecht, een wat zwakkere vorm van intellectueel eigendom. In de besluiten van de FAO (de wereldvoedselorganisatie) uit 1983, geldt zaaigoed echter als gemeengoed, en dat is ook het standpunt van de Derde Wereld-landen.

'First the seed' is een goede inleiding tot het ontstaan van deze controverse. Kloppenburg beschrijft de ontwikkeling van het planten-veredelen in de Verenigde Staten. De opkomst en neergang van de publieke planten-veredeling, en de sterke afhankelijkheid van uit het buitenland verkregen plantaardig materiaal, nemen daarbij een centrale plaats in. Zoals de Verenigde Staten voornamelijk is opgebouwd door immigranten, zo zijn ook de gewassen die in Noord-Amerika worden geteeld grotendeels geimporteerd.

Alle voedselgewassen en ongeveer 85 procent van de industriele cultuurgewassen komen van elders, vooral uit Latijns-Amerika en West-Azie. Ook de Westeuropese landbouw drijft trouwens op van elders verkregen gewassen. Negentig procent van de voedselgewassen en alle industriele gewassen zijn bij ons uiteindelijk import. Deze importafhankelijkheid betekent ook dat plantgoed met belangrijke nieuwe karakteristieken in de regel uit den vreemde moet worden betrokken. Dat is op grote schaal gebeurd en onder stilzwijgende verwijzing naar het gemeengoede karakter daarvan zonder er een cent voor te betalen. Iets dat sterk contrasteert met de enorme financiele baten, die verbonden zijn met het gebruik van dit plantgoed bij de veredeling.

Proefstations

Zowel de import van interessante planten als het veredelen zelf was aanvankelijk in de Verenigde Staten vrijwel geheel een publieke zaak. In de negentiende eeuw zorgden diverse overheidsinstanties, waaronder de marine en het octrooibureau, voor een gestage toevloed van interessant nieuw plantgoed. De veredeling zelf gebeurde voornamelijk door boeren en door de overheid gefinancierde instanties, zoals proefstations. Met de herontdekking van de wetten van Mendel begin deze eeuw verschoof het zwaartepunt van de veredelingsaktiviteiten naar de overheidsinstellingen. Een statistiek van de 128 nieuwe in de Verenigde Staten geintroduceerde varieteiten uit 1934 geeft aan dat 100 daarvan afkomstig waren van overheidsinstanties; 23 kwamen uit de koker van individuele boeren en 5 van particuliere zaaigoedbedrijven.

Anno 1990 is dit beeld drastisch veranderd. Door de overheid gefinancierde instanties hebben thans in de Verenigde Staten de opdracht geen nieuwe varieteiten af te leveren en de boer is als veredelaar praktisch van het toneel verdwenen. Vrijwel alle nieuwe varieteiten komen van de particuliere zaaigoedbedrijven.

Volgens Kloppenburg hebben bij verschuiving ten gunste van het particuliere bedrijfsleven twee zaken een sleutelrol gespeeld. De eerste is de uitvinding van hybride gewassen, gemaakt door de kruising van twee door inteelt verkregen varieteiten. Deze hybride gewassen hebben een hoge opbrengst, maar leveren zaad dat niet geschikt is voor een nieuwe oogst. De boer kan daardoor de oogst niet gebruiken voor een nieuwe teelt, maar moet terug naar de zaaigoedproducent voor nieuw zaaigoed.

De tweede factor ten gunste van de particuliere zaaigoedbedrijven is volgens Kloppenburg de opkomst van de ideologie dat overheid en particuliere sector complementair moeten zijn. Volgens deze ideologie moet de publieke sector zich beperken tot fundamenteel onderzoek, en moet het particuliere bedrijf zich richten op toepassing: de produktie van nieuwe varieteiten.

Met de opkomst van de particuliere veredelingsindustrie neemt ook de roep om zoiets als een planten-patent toe. Al in 1885 vallen de eerste geluiden in deze richting te horen. In 1930 wordt er een wet uitgevaardigd die het mogelijk maakt varieteiten die ongeslachtelijk worden voortgeplant met een octrooi te beschermen. De belangrijke gewassen blijven daarmee buiten het octrooi-recht. In 1970 wordt in de Verenigde Staten in navolging van West-Europa het kwekersrecht vastgelegd. Dit is een minder sterke vorm van eigendom dan het octrooi. In 1985 komt het tot het eerste patent op een genetisch gemodificeerde plant.

Minder quasi-verbetering

Het belangrijkste argument dat ten gunste van intellectueel eigendom in de vorm van patenten, octrooien of kwekersrecht te berde wordt gebracht, is de bevordering van de vooruitgang in de veredeling. Volgens Kloppenburgs analyse van de feitelijke gang van zaken voor en na de introductie van patent en kwekersrecht is echter niets te merken van een succesvollere veredeling dankzij de bescherming van intellectueel eigendom. Naar zijn mening is het systeem van veredeling door overheidsinstanties zeker zo goed als dat van veredeling door particuliere bedrijven. Sterker nog, naar Kloppenburgs mening heeft veredeling door de overheid overwegende voordelen. Het brengt minder quasi-verbetering, er gebeurt minder dubbel werk en de boer is zekerder dat hij geen kat in de zak koopt. Overheidsveredeling biedt in de visie van Kloppenburg voorts betere mogelijkheden tot het vermijden van ongewenste sociale neveneffecten van veredeling. Ook zijn vrijheid en snelheid bij de verspreiding van wetenschappelijke informatie meer gediend met een systeem van publieke veredeling dan met het particuliere systeem. Immers publieke veredeling wordt niet gekenmerkt door bedrijfsgeheimen en stilte in afwachting van octrooien.

Een feit is echter dat in industrielanden particuliere veredelaars de toon aangeven en intellectueel eigendom in de vorm van kwekersrecht op patenten een feit is. De industrielanden willen zo blijkt uit de lopende wereldhandelsbeperkingen dat kwekersrecht en patenten op nieuwe varieteiten wereldwijd worden erkend, maar dat de varieteiten die op expedities worden bijeengescharreld gemeengoed blijven.

Tegen deze achtergrond acht Kloppenburg het voor derde wereld-landen weinig zinvol om het standpunt te handhaven dat zaaigoed gemeengoed hoort te zijn. Naar zijn mening moet de Derde Wereld nationaal eigendom claimen voor de in hun land aanwezige varieteiten, die immers het produkt zijn van eeuwenlang mensenwerk. In kringen van FAO, die lang op het standpunt 'zaaigoed is gemeengoed' heeft gestaan, heeft in dit licht inmiddels het idee van boere-recht postgevat.

Dit boere-recht zou een tegenhanger moeten worden van het kwekersrecht. Boeren in de Derde Wereld zouden voor het gebruik van hun gewassen in de veredeling net zo goed geld moeten krijgen als de kwekers voor hun nieuwe varieteit.

Een systeem van octrooien of een verzwaard kwekersrecht voor nieuwe varieteiten zoals dat thans ter discussie staat in Europa, en in de Verenigde Staten en Japan vorm lijkt te krijgen, wijst hij af. Zo'n systeem zou in afwijking van het kwekersrecht boeren niet meer in staat stellen vrijelijk tekunnen beschikken over het zelf geoogste zaad. Een nieuwe teelt met zulk zaad zonder toestemming van de octrooihouder zou immers een inbreuk betekenen op het octrooi.

Een terugkeer van overheidsinstanties op de markt voor nieuwe varieteiten zou Kloppenburg daarentegen zeer welkom zijn.

    • First The Seed
    • Lucas Reijndersjack Ralph Kloppenburg Jr
    • Cambridge University Press