In Golf-crisis heeft jihad seculiere betekenis

Welke betekenis moet worden toegekend aan Saddam Husseins oproepen tot een jihad (heilige oorlog)? Om deze vraag te kunnen beantwoorden, gaf de hoogleraar godsdienstwetenschap J. H. Bremmer op de opiniepagina van 2 oktober een historische uitleg van het begrip jihad, die echter door andere deskundigen wordt betwist.

Een bekend gegeven in de cartografie is dat hoe groter je de schaal van een kaart maakt, des te onduidelijker de details worden, soms zelfs zo onduidelijk dat je je er in de werkelijkheid, het landschap, niet meer mee kunt orienteren. Daaraan moest ik denken toen ik het artikel las van prof. J. H. Bremmer 'Jihad versterkt Saddams leger niet' (NRC Handelsblad, 2 oktober). Na een lange inleiding over heilige oorlogen in het Oude Testament en het christendom, komt de auteur eindelijk halverwege het artikel ter zake en geeft enige informatie over de jihad. Helaas is een deel van deze informatie inacuraat (bijvoorbeeld de bewering dat de Irakezen allemaal sunnieten zouden zijn; meer dan de helft is sji'iet) of voor het onderwerp irrelevant (bijvoorbeeld de passage over de vroege islamitische veroveringen). Ook de behandeling van de kwestie of jihad godsdiensthistorisch als heilige oorlog kan worden beschouwd draagt weinig bij tot een beter begrip van wat er in de Golf gaande is.

Het gebruik van het woord jihad door moslimse leiders, veroorzaakt in het Westen al gauw enige paniek. Men vreest dat ongure leiders als Saddam Hussein, Arafat en Gaddafi met dit toverwoord hongerige massa's moslims, voorzien van met oliedollars gekochte wapens en islamitische atoombommen, op het rijke Westen kunnen loslaten en dat de totale overwinning van de islam niet meer veraf is. Het is daarom goed om naar aanleiding van Saddam Husseins oproep tot jihad even stil te staan bij de politieke rol van de jihad-leer op dit moment.

Effecten

De centrale vraag die in dit verband moet worden gesteld, is welke effecten deze oproep kan hebben, binnen Irak en binnen de islamitische wereld als geheel. Om hierachter te komen is het noodzakelijk eerst te kijken naar de leer van de jihad en in het bijzonder naar de bevoegdheid om jihad uit te roepen. Daarnaast zijn Saddam Husseins bedoelingen van belang: wilde hij echt een beroep doen op de klassieke jihad-leer of gebruikte hij het woord jihad misschien in een andere betekenis? Als we al deze vragen hebben beantwoord, kunnen we iets meer zeggen over het effect van Saddam Husseins oproep.

De leer van de jihad vormt een onderdeel van het islamitische recht. Zij is gebaseerd op de Koran en de overgeleverde uitspraken en handelingen van de profeet Mohammed en kreeg haar definitieve vorm rond het jaar 800, zo'n anderhalve eeuw na Mohammeds dood. De eerste golf van de islamitische veroveringen was toen al voorbij. Voorop staat in deze theorie dat moslims die in de jihad sneuvelen martelaren zijn en de geneugten van het paradijs zullen smaken. De theorie is zo ruim, dat vrijwel alle oorlogen die de islamitische staat (waarvan er in theorie maar een is) tegen niet-moslims buiten die staat voert, jihad kunnen worden genoemd.

De leer maakt daarbij een onderscheid tussen de expansieve en de defensieve jihad. De eerste vorm omvat oorlogen bedoeld om het grondgebied van de islamitische staat uit te breiden. Het doel van de strijd was daarbij overigens niet gedwongen bekering. De niet-moslims moesten zich slechts onderwerpen aan het gezag van de islamitische staat, maar konden hun godsdienst behouden. In ruil daarvoor moesten ze wel een wat hogere belasting betalen. Deelname aan deze expansieve oorlogen, die door het staatshoofd moeten worden georganiseerd en aangekondigd, is een collectieve verplichting voor alle moslims. De hele islamitische gemeenschap is ervoor verantwoordelijk dat een voldoende aantal strijders deelneemt. Deze vorm van jihad is al eeuwen niet meer in praktijk gebracht.

De tweede vorm van jihad is een oorlog om islamitisch grondgebied tegen aanvallen van buiten te verdedigen. In dit geval wordt deelname aan de oorlogsvoering een individuele plicht voor elke volwassen moslimse man uit de aangevallen streek en zo nodig ook van moslims daarbuiten.

Het uitroepen van de jihad kan dus twee dingen betekenen. Het kan een organisatorische maatregel zijn om een expansieve veldtocht aan te kondigen. In dat geval moet de oproep van het staatshoofd of de opperbevelhebber van het leger afkomstig zijn. Maar de oproep tot jihad kan ook de constatering zijn dat het islamitische grondgebied in gevaar is en dat de verdediging ervan de plicht is van iedereen in de aangevallen streek. Omdat het gaat om toepassing van de islamitische wet, zijn deze oproepen als regel afkomstig van personen met religieus gezag, doorgaans hoge met de staat verbonden godsdienstgeleerden. De jihad-oproepen van de laatste eeuwen zijn allemaal van deze tweede soort.

Ba'ath-partij

Nu terug naar de politieke werkelijkheid van het Golfconflict. Saddam Hussein pretendeert absoluut niet dat hij een islamitische godsdienstgeleerde is met religieus gezag. Dat zou hem ook niet lukken. De Arabische Ba'ath-partij, waarvan hij al meer dan twintig jaar deel uitmaakt en waarmee zijn bewind is verbonden, wijst de rol van godsdienst in de politiek af. Het is een nationalistische en uitdrukkelijk seculiere (niet-godsdienstige) partij voor alle Arabieren, moslims of christenen (er bestaan in het Midden-Oosten belangrijke christelijke Arabische minderheden).

Daar komt nog bij dat Saddam Hussein acht jaar lang oorlog heeft gevoerd tegen Iran, de enige islamitische staat in de regio, en de islamitische oppositie in zijn land hardhandig heeft onderdrukt. Dat zijn geen wapenfeiten die zijn prestige bij religieus georienteerde moslims binnen en buiten Irak hebben vergroot. Het is dan ook niet aannemelijk dat Saddam Hussein deze oproep heeft bedoeld als religieus middel om moslims voor zijn zaak militair te mobiliseren.

Maar waarom heeft hij deze oproep dan wel gedaan? Hiervoor zijn twee verklaringen. In de eerste plaats heeft hij het woord jihad in een vrijwel geseculariseerde betekenis gebruikt. Dit is niet iets nieuws. Het woord jihad kan, zoals ons woord kruistocht, worden gebruikt voor bijna elke strijd of campagne voor een goed doel, waarbij godsdienstige associaties nauwelijks meer een rol spelen. Jihad heeft dan in Saddam Husseins mond de betekenis van nationalistische strijd tegen het imperialisme gekregen. Het Arabische woord martelaar (shahied) had al eerder een dergelijke betekenisuitbreiding ondergaan. Daarmee kan nu iedereen worden aangeduid die voor een goede zaak is gestorven.

Amerikaanse troepen

Daarbij heeft Saddam Hussein ongetwijfeld bewust voor de term jihad gekozen om de wel religieus georienteerde Saoedi's in verlegenheid te brengen met de absurde situatie dat zij een beroep moeten doen op een leger van ongelovigen om de islamitische heilige plaatsen te beschermen, die de laatsten niet eens mogen betreden. De leidende Saoedische godsdienstgeleerden hebben inmiddels hun goedkeuring gehecht aan de Amerikaanse militaire steun, maar daarvoor hebben ze zich in allerlei bochten moeten wringen. Ik heb geen kennis kunnen nemen van de tekst van deze uitspraken, maar dat deze wel heel spitsvondig beargumenteerd moeten zijn, staat buiten kijf. Het islamitische recht verbiedt immers dat een islamitisch staatshoofd de hulp van niet-moslims inroept tegen andere moslims.

Het is nu juist de aanwezigheid van Amerikaanse troepen op Saoedisch grondgebied ter verdediging van Mekka en Medina die onder moslimse Arabieren grote emoties heeft gewekt en de anti-Amerikaanse en anti-Saoedische stemming heeft gevoed. Door het gebruik van religieuze symbolen heeft Saddam Hussein deze stemming proberen aan te wakkeren om daar politieke munt uit te kunnen slaan.