Het kromme Parthenon

Op de omslag van de nieuwe Histechnicon staan een paar gebouwtjes bij een fabriekspijp. Delftse ingenieurs zullen het misschien herkennen als het pand Ezelsveld 61, de mensa waar ze vroeger de macaroni met vleessaus naar binnen lepelden. Vandaag vergadert de 'Commissie Stappenplan' over een nieuwe bestemming van dat pand en de aangrenzende gebouwtjes. Als alles goed gaat en de gemeente Delft haar woord houdt, zal het gebouw het nieuwe Techniek Museum Delft gaan herbergen. De commissie beslist vandaag of aan het herbouwplan van architect ir. J. van Zwol dan wel aan dat van zijn collega ir. C. J. N. Pak de voorkeur moet worden gegeven. Na de opheffing vanhet Technisch Tentoonstellings Centrum (het TTC aan de Kanaalweg) van de TU Delft zal Delft dan toch een technisch museum krijgen. Geprivatiseerd weliswaar, maar met steun van de TU en de gemeente, die een 'inspanningsverplichting' in het vooruitzicht heeft gesteld. Wat dat precies is, is voorlopig onderwerp van speculatie, maar in ieder geval zit er beweging in de zaak.

Binnenin het blad staan weer enkele artikelen over de geschiedenis van de techniek die er zijn mogen. Een doorwrocht artikel van A. Wegener Sleeswyk (ook van deze bijlage bekend) over de waterklok van Archimedes, een niet minder interessant stuk van M. J. Sparnaay over de betekenis van Christiaan Huygens voor de ontwikkeling van de vacuumtechniek en een rijk geillustreerde verhandeling van H. J. Sprokholt over de Akropolis in Athene.

Alle artikelen zijn geschreven door deskundigen die geen enkele moeite doen de zaken interessanter voor te stellen dan ze zijn. Doordat het materiaal zo sterk is en alle auteurs zo'n goed oog voor het sprekende detail hebben, zal iedereen met cultuur-historische belangstelling de stukken met plezier lezen.

Het artikel van Sprokholt over de Akropolis is een goed voorbeeld van de onopgesmukte verteltrant van Histechnicon. De Griekse tempels zoals die van de reisfolders bekend zijn, werden in de geschiedenis voorafgegaan door volledig houten heligdommen. De muren waren van leem gemaakt of van in de zon gedroogde baksteen. De draagkracht was gering en daarom waren de daken in dat stadium waarschijnlijk van riet. Pas in de zevende eeuw v. Chr. gingen de tempelbouwers over op natuursteen en werd de dakpan geintroduceerd. De houten herkomst van de tempels bleef daarbij zichtbaar. Zo was de architraaf, de horizontale legger die direct op de zuilen rust, oorspronkelijk een houten balk. Boven de architraaf bevindt zich in de regel een fries met vakjes, afwisselend een gebeeldhouwde voorstelling (metope) en een zich herhalende decoratieve versiering (triglief). De trigliefen zijn oorspronkelijk de kopse kanten van de reusachtige houten balken die in de lengterichting naar achteren liepen en wie dat eenmaal weet, kijkt voortaan met andere ogen naar zo'n stenen tempelfront.

De verstening van de houten tempels stelde de oude Grieken voor een groot aantal bouwkundige problemen. Sterkteberekeningen waren onbekend en daarom werd maar het zekere voor het onzekere genomen. Alle bouwelementen werden veel te zwaar uitgevoerd. De oudste tempels zijn massiever uitgevoerd dan de latere, maar zelfs het meest gedurfde ontwerp is nog altijd veel zwaarder uitgevoerd dan noodzakelijk was. Dat tempels als het Parthenon toch een luchtige en lichte indruk wekken was het gevolg van de innovaties van de Griekse bouwmeesters. De bekendste truc is de curvatuur, de kromming van het gondvlak. In het midden van de lange zijde van het Partheon (dat een grondvlak heeft van ongeveer 60 (x) 35 meter) ligt het grondvlak 11 cm hoger dan op de hoeken. Verder neigen alle zuilen en andere verticale elementen licht naar binnen (inclinatie). Deze vertekeningen doen de tempel er ranker uitzien dan hij in werkelijkheid is.

Curvatuur en inclinatie hadden tot gevolg dat geen enkel bouwelement zuiver rechthoekig was en alleen bij de gratie van de hoge precisie waarmee de stenen werden bewerkt pasten de elementen in elkaar. Bij de restauratie van een tempel maakt men daar dankbaar gebruik van: van elk fragment valt de herkomst exact vast te stellen.

Het artikel van Sprokholt biedt verder gedetailleerde informatie over hoekconstructies, steenverbindingstechnieken en de methoden waarmee de stukken natuursteen werden getransporteerd. Het is, kortom een voorbeeld van het soort artikelen waarin dit blad excelleert.

Dat de vormgeving van het tijdschrift geheel die van het verenigingsblaadje blijft, dat de personalia van de auteurs niet worden gegeven en dat het tijdschrift begint met twee praatjes van de beide voorzitters van de vereniging daar moet men zich niet door laten misleiden. Histechnicon is niet alleen een sympathiek tijdschrift, het is ook van hoog niveau.