Hans Teengs Gerritsen: 'generaal' en lieveling der goden

Toen hij het enorme badhuis binnenkwam met een groep in vuile kampkleding gestoken magere mannen met kaalgeschoren koppen, viel hij wel een beetje uit de toon. Hij droeg een grijs flanellen pak, al zat daar ook een rode driehoek op met een nummer en de letters NN (Nacht und Nebel). En ook had hij zijn blonde haar nog. Het transport uit het buitencommando van het KZ Natzweiler werd aan de andere kant van het 'grote bad' van Dachau opgewacht door een paar leerling-verplegers van dienst, onder wie ik. Maar eerst moest hij zijn kleren inleveren, bij de luizencontrole opnieuw van boven en onder worden geschoren en gedesinfecteerd. Daarna onder de douche. Pas toen stond hij voor me, naakt, ook kaal geschoren, ontdaan van alle uiterlijke 'Prominenz', maar wel zeer zelfverzekerd.

Hij stak zijn hand uit en zei: 'Gerritsen, hoe maakt u het?' Ik zei: 'Brugsma. Hoe maakt u het?'

Een Britse ambtenaar van het koloniale bestuur in de jungle van Borneo, alleen dinerend in dinnerjacket, zou ons hebben geprezen. Waar je ook bent, neem de vormen in acht. Ik kon hem nog net vertellen dat ik een jaar tevoren in Heemstede zijn zoontje Victor had gezien en dat die het goed maakte. Toen moest hij afmarcheren door het donkere licht van de 'Lagerstrasse' naar de quarantaine-blocks in de laatste winter van Dachau.

Bij de bevrijding van het kamp zag ik hem weer. Hij droeg toen al een Amerikaans officiersuniform en zat in het selecte gevangenencomite dat de bevrijders de weg wees bij het besturen van het 35.000 man tellend zooitje ongeregeld aan Haftlinge. Hij vormde daartoe zijn eigen hulptroepen, 25 Hollanders benoemd tot Auxiliary MP, beschikkend over een pistool en een soort bromfiets, waarmee bescheiden werd geplunderd. We 'bevrijdden' bijvoorbeeld honderd gebraden kippen bij een boer. Toen 'bevrijdde' hij ook nog een autobus waarmee we vervolgens naar huis reden want op de Nederlandse regering kon je wachten tot je een ons woog en dat deden sommigen van ons al.

Zo ontmoette ik Johan Teengs Gerritsen die ik later op zijn tachtigste verjaardag aan het diner heb omschreven als een 'born leader of men' (het woord 'leider' zou hier niet op zijn plaats zijn geweest). Een kampgenoot, Japie van Mesdag, noemde hem dan ook altijd 'de generaal', net als Rinus Michels. Aan dat diner zat het meest heterogene gezelschap dat ooit in Nederland gezamenlijk een vorkje heeft geprikt: van de koningin en alle prinsessen van Oranje, via de halve regering, een handvol captains of industry, ook Harry Mulisch, menige communist en Peter Post, alsmede veel tanige oude knakkers uit de kampen. De vorstin sprak hem aan met 'oom Hans'. Omdat de oorlog een anglofiele tijd was blijft op hem de omschrijving van toepassing 'whom the gods love'. Hij was blond als een edelgermaan, had het lichaam van een atleet, bokste en ijshockeyde, kende geen vorm van vrees en was dan ook geen intellectueel. Maar het hart dat er vorige week mee ophield was buitengewoon ruim bemeten. Hij ging altijd voor zijn vrienden staan, onverschillig of dat nu prins Bernhard was in de Lockheed-affaire of een arme kampgenoot die met geen cent op de bank toch een nieuwe auto van een halve ton had besteld.

Had hij geen vijanden? De ongeschreven wet van de 'oud-concentrationairen' luidt: 'Elkaar nooit afvallen'. Maar, Nederlanders blijven Nederlanders, ze besturen graag in hun vrije tijd. Die oude KZ-knakkers zijn verenigd in wel tien verschillende verenigingen en als Nederlanders gaan besturen maken ze ruzie. 'De generaal' was de baas van een soort alles overkoepelende club van linkse en rechtse voormaligen en hield alles zo goed en kwaad als het ging bij elkaar. Totdat hij vond dat ik gelijk had met een stuk dat pleitte voor het wegsturen van de Twee van Breda. Dat zei hij dan ook maar meteen en toen werd het nooit meer helemaal zoals het was.

De dag voordat hij stierf stond er een onduidelijk stuk in De Telegraaf waaruit bleek dat sommige oud-kampgenoten zouden hebben verklaard dat hij zijn verzetsdaden zou hebben 'opgeklopt'. Een week eerder stond er ook zoiets in het voormalige verzetsblad Vrij Nederland. Als dat waar zou zijn, dan zou hij niet de enige zijn geweest. Vijftig jaar na dato, ik weet het uit eigen ervaring, wil het geheugen wel eens wat selectiever te werk gaan. Uit die vijftig jaar herinner ik mij van hem geen enkele vorm van opschepperij alleen maar van zelfspot.

Hij wist ook dat hij had wat Napoleon van zijn maarschalken vroeg: 'de la veine'. Toen al en later. In het buitencommando van Natzweiler werd hij benoemd tot tandarts, niet omdat hij daarvoor had doorgeleerd, maar omdat de SS-arts van het kamp met hem op de chique kostschool Suoz in Zwitserland had gezeten, die 'old boys network'. Na de thuisreis uit Dachau ruilde hij de bevrijde autobus voor een ondergedoken Pontiac, reed 's ochtends naar Soestdijk en kwam 's middags terug als lid van de staf van Prins Bernhard. Zo bleef het gaan, ook in zaken. Mannen werden zijn vriend, vrouwen wierpen zich aan zijn voeten.

Veine, charme, hij had het allemaal. Hoe het mogelijk is in dit afgunstigste land ter wereld dan ook nog aardig en geliefd te blijven, is een mirakel. Hij zal zeker niet de braafste van de klas zijn geweest, maar die zaten dan ook zelden in het verzet, in Ischa Meijers woorden: 'een stel onverantwoordelijke avonturiers'. Zo was dat ook nog eens een keer. Niet de braafste dus, maar wel de trouwste. Op de eerste afroep voor zijn vrienden door het vuur. Geheimtaal voor ex-militairen: 'Is het de knijp? Ja, het is de knijp'.

Nu ligt hij dan, 'de generaal', lieveling der goden. En net als in het donkere licht op de Lagerstrasse van Dachau is het weer een beetje koud en eenzaam om ons heen.