Gedragstherapie voor honden; 'Hier, zit, lig, af'

Iets minder dan de helft van de hondeneigenaren heeft problemen met het gedrag van hun huisdier. Uit een recente enquete onder Nederlandse dierenartsen blijkt dat ruim 5% van de dierenartsbezoekers komt voor gedragsproblemen. Voorbeelden daarvan zijn agressie opgewekt door angst, pijn of dominantie; angst voor mensen, voor andere honden soortgenoten en voor geluiden; ongehoorzaamheid; onzindelijkheid; niet-alleen-kunnen-zijn; vernielen; hinderlijk blaffen; denkbeeldige vliegen najagen (in de lucht happen) en nog vele andere gedragsstoornissen.

In veel gevallen is het zo dat wat de hondebezitter hinderlijk gedrag vindt, in de natuurlijke leefsituatie van de hond (lees: wolf) 'evolutionair uitgebalanceerd' is en dus als normaal beschouwd moet worden. Dit soms hinderlijke, maar normale gedrag is iets heel anders dan echt abnormaal gedrag, dat niet in relatie staat tot een doel.

Abnormaal gedrag, gekenmerkt door dwangbewegingen, wordt juist vaker gezien bij landbouwhuisdieren als rund, varken en kip. Ze worden meestal opgeroepen door de huisvestingssystemen waarvan de bio-industrie zich bedient.

De dierenarts wordt sinds jaar en dag geconfronteerd met gedragsproblemen, vooral van agressieve honden. Veelal bestond daar geen oplossing voor. De honden kwamen bij veterinair neurologen terecht, waar ze geen doeltreffende behandeling vonden en werden soms afgemaakt. Het waren aanvankelijk vergelijkend psychologen die zich op papier met deze stoornissen bezig hielden, leerprocessen bestuderend zoals ze beschreven zijn in de klassieke psychologie en fysiologie.

Wolvenroedel

Dr. Bart W. Knol (48), dierenarts, doet aan de diergeneeskundige faculteit in Utrecht onderzoek naar probleemgedrag van honden en behandelt honden, die naar hem doorgestuurd worden uit de kleine-huisdierenpraktijken.

Toen hij zelf nog een praktijk had, vroeg Knol zich al af of de klassieke veld-ethologie van Lorenz en Tinbergen een oplossing zou kunnen brengen.

Als de huishond beschouwd wordt in zijn oorspronkelijke sociale systeem de hierarchische wolvenroedel waarin spel, soms uitlopend op een gevecht, de verhoudingen verheldert zou de ethologische benadering heel goed toe te passen zijn op problematisch hondengedrag. Want een hond in een gezin functioneert als in een roedel. En dan zijn de gedragingen in het gezin, tussen zijn roedelgenoten, erg belangrijk bij het afleren van probleemgedrag.

Spreekkamer

Begin jaren tachtig opende Knol een polikliniek binnen de Utrechtse veterinaire faculteit: ' Veel problemen bleken terug te voeren op een onduidelijke hierarchie in de gezinsroedel en op misverstanden tussen baas en hond, problemen dus met het uitwisselen van signalen. Mijn onderzoek rust op drie pijlers: gegevens verzamelen over de geschiedenis van de hond , het observeren van de hond en het waarnemen van de interacties tussen eigenaar en hond.'

In Knols spreekkamer wordt vaak al snel duidelijk welke plaats het dier in de roedel-hierarchie inneemt: een hoge houding met een opgericht lichaam met hoog gehouden staart zijn tekenen van dominant gedrag. Een lage houding, met als regel een navenante positie in de rangorde, kenmerkt zich door een ineengedoken lichaam met een aangesloten staart. Door de eigenaar uit te vragen over de hond, de afkomst, leeftijd van plaatsing in het gezin, huisvesting, voederwijze, routines van uitlaten, tijdstippen en kenmerken van optreden van het ongewenste gedrag, wordt getracht het probleemgedrag zo duidelijk mogelijk te definieren. Waren er misschien traumatische ervaringen (diep ingrijpende schokken)? Was er soms sprake van jeugddeprivatie?

Over jeugddeprivatie spreekt men als de hond als pup tussen zijn vierde en twaalfde levensweek, de socialisatiefase, onvoldoende contacten met de mens of andere honden heeft gehad, waardoor het een sociaal gemankeerd individu is geworden. Het kan voorkomen bij honden van grootschalige fokkers die vele nesten in onbemensde stallen grootbrengen en het kan aanleiding geven tot het kennelsyndroom: extreem onderdanigheids- of vluchtgedrag als reactie op een normale prikkel, 'lage' houding, urineren, verstarren, sidderen.

Tijdens het onderzoek wordt de eigenaar altijd verzocht de hond wat dagelijkse commando's te geven. De wijze waarop 'de baas' (of vaker 'het vrouwtje'!) dit doet en reacties van het dier dragen bij tot de diagnostiek.

Skinner en Pavlov

Wat de behandeling betreft baseert Knol zich vooral op het associatieleren: de klassieke en operante conditionering. De klassieke (Pavlovse) conditionering bedient zich van de wetmatigheid dat een neutrale prikkel door herhaalde koppeling met een andere prikkel dezelfde respons uitlokt zonder koppeling. Het schoolvoorbeeld is de hond die gaat kwijlen als hij een bel hoort luiden, omdat hij eraan gewend is eten te krijgen als de bel geluid wordt.

De operante conditionering, bekend door het werk van de onlangs overleden Amerikaanse psycholoog Skinner, gaat uit van een gedragspatroon dat al in het normale repertoire van een dier voorkomt. Dit toevallige gedrag kan men bekrachtigen, waarna men ziet dat de frequentie van vertoning ervan toeneemt.

Uit de Pavlovse hoek komt de counterconditioning: men leert het dier een gedrag aan dat fysiek onverenigbaar is met het uitvoeren van probleemgedrag. De beloning voor het alternatieve gedrag moet zo groot zijn dat het probleemgedrag wordt overstemd door het alternatieve gedrag. De hond die eerst blaffend naar de deur rende in reactie op de deurbel, gaat nu in zijn mand zitten en wacht op een beloning.

Van de principes van extinctie wordt gebruik gemaakt als aangeleerd gedrag niet langer wordt bekrachtigd (bijvoorbeeld door het straal te negeren) en daardoor vanzelf verdwijnt. Hiervan wordt gebruik gemaakt bij agressie die door angst wordt opgewekt.

Therapie

Komen de wrijvingen echter duidelijk voort uit de combinatie van vertroebelde hierarchie in de gezinsroedel of door misverstanden in het signalenverkeer tussen hond en baas, dan moeten ethologie en conditioneren elkaar vinden in een therapie. Knol redigeerde een aantal standaardmaatregelen tot een werkzame set, die onder de naam ILO (Improvement of Leadership and Obedience) inmiddels zijn weg in de kynologie (hondenkunde) heeft gevonden.

De baas gaat naar huis met als opdracht twee tot drie maal daags gedurende 5 a 10 minuten gehoorzaamheidsoefeningen te doen (kom, volg, zit, af, blijf). Binnenshuis worden zeer frequent simpele oefeningen gedaan (tot 50 keer per dag laten komen en zitten). Verder wordt aangeraden om het aanhalen van de hond te stoppen, behalve na gehoorzamen, aandachttrekkend gedrag een halt toe te roepen, gewenst gedrag te belonen en ongewenst gedrag te bestraffen (met behulp van een slipketting of door het van boven omvatten van de kaken, in een roedel zeer vernederend!). Belangrijk in het protocol is dat de gestandaardiseerde prikkels altijd herkenbaar moeten blijven voor de hond. Beloningen dienen vriendelijk gegeven te worden, commando's altijd neutraal, en bestraffingen onvriendelijk.

Essentie van de ILO-maatregelen is dat de eigenaar er zelf op moet toezien dat ieder commando en iedere bestraffing immer effect heeft. Het is daardoor tevens de achillespees van de therapie: er mag nooit gesjoemeld worden met de maatregelen; consequent doorvoeren is wet.

Tussen 1983 en 1985 werden er aan de Utrechtse kliniek 183 honden aangeboden met probleemgedrag. Naast enige malen jeugddeprivatie, traumatische ervaring en angst-geinduceerde agressie werden de diagnoses rangordeproblemen en probleemgedrag versterkende conditionering het meest gesteld.

Als voorbeeld voor het laatste diagnose is angst. Veel eigenaren hebben de neiging een angstige hond te kalmeren, wat door de hond als aangenaam ervaren zal worden. Maar het gedrag wordt er alleen maar erger door. Milde bestraffing blijkt eerder op zijn plaats te zijn, omdat alleen daarmee de motivatie voor aandacht-trekken-via-angst-gedrag is te terug te brengen. In sommige gevallen was sprake van een combinatie van diagnoses.

De genoemde ILO-maatregelen werden in 171 gevallen voorgeschreven, 132 keer in combinatie met andere therapeutische maatregelen. Gedurende de drie jaar van het onderzoek was bij 47% van de patienten sprake van een duidelijke verbetering, bij 31% bleven de problemen onveranderd en bij 20% verslechterde de situatie zelfs. Bij honden met 'probleemgedrag door versterkende conditionering' werd verbeterde zelfs 62%. Bij jeugddeprivatie en diep ingrijpende schrikervaring waren de resultaten relatief slecht. De gunstige resultaten van de behandeling waren in zo'n tachtig procent na drie maanden nog aanwezig. Na drie jaar zakte dat percentage naar vijftig.

Probleemhond

Honden met probleemgedrag worden niet opgenomen, maar worden poliklinisch behandeld. Knol: ' De eigenaar moet juist zelf thuis leren prikkels aan de hond toe te dienen en omgekeerd op signalen van de hond te reageren. Worden de juiste prikkels toegediend, dan reageert de hond als een marionet aan een touwtje. Met een kort-bestek college ethologie dat ik in de spreekkamer geef en het consequent toepassen van de regels wordt meer bereikt dan wanneer ze hun hond uit handen geven. Reguliere hondentrainingen, voor gehoorzaamheid en dergelijke, zijn, mits goed uitgevoerd, kunnen probleemgedrag voorkomen, maar werken niet curerend. Ik heb niets tegen de opvattingen van hondertrainer en Tros-presentator Martin Gaus, integendeel, maar ik denk dat zijn aanpak vooral slaagt bij dominante honden.' Gaus heeft niet alleen een bekend TV-programma bij de Tros ('Dierenmanieren'), maar beheert ook een trainingsinstituut in Lelystad. Gaus is zeer bekend in het wereldje van hondenliefhebbers, al worden zijn opvattingen niet door iedereen gedeeld.

Spreekkamer

Eveneens in Utrecht, bij Vergelijkende Fysiologie, een vakgroep van de faculteit Biologie, doet dr. Matthijs Schilder onderzoek aan gedrag van honden. Schilder: ' Ik prefereer dat een dierenarts zijn spreekkamer uitkomt en gaat kijken in het gezin, op straat, hoe een probleemhond reageert op allerhande prikkels. Ik vraag me verder af of altijd het volledige maatregelenpakket moet worden aangereikt. Bij sommige patienten kun je nu eenmaal niet anders dan met een simpele opdracht beginnen. Er zijn bovendien commando's die belangrijker zijn dan andere: afliggen heeft voor een hond automatisch een ondergeschiktheid bevorderend effect, maar zitten niet!'

Schilder beoordeelt alle bestaande therapieen, de Utrechtse incluis, als nog te weinig wetenschappelijk onderbouwd. Er is te weinig gemeten over het ontstaan van gedragsproblemen en stress bij de probleemhond, hoe stress zich manifesteert en waarom stress kan verdwijnen als de hond een bepaald (probleem)gedrag aanwendt. Toch bestaat er volgens hem een veel betere kijk, mede door de opgedane praktijkervaring, op probleemgedrag dan zo'n tien jaar geleden.

De Nederlandse diergeneeskunde student krijgt al sinds een jaar of vijf, mits hij in zijn afstudeerfase voor een nadere specialisatie in de gezelschapsdieren kiest, een curriculum ethologie voorgeschoteld, inclusief enige ochtenden kliniek. Daarmee moet hij, volgens Schilder, beter in staat worden geacht de gangbare gedragsproblemen bij de hond te kunnen behandelen dan de meeste buitenlandse collega's.

Kinderen

Vorig jaar december promoveerde Bart Knol op een onderzoek naar de invloed van stresshormonen op agonistisch (agressie en angst) gedrag van de normale reu. Knol: ' Bij dat onderzoek is de kliniek naar de periferie verdreven. Liever had ik het effect van menselijk handelen op het gedrag van gezelschapsdieren bestudeerd. Bijvoorbeeld door gezinssituaties te simuleren, maar die zijn zo verschrikkelijk lastig in een experimentele vorm te gieten. Toch moeten we die mens-gezelschapsdier relatie scherp zien te krijgen. Neem de angst-geinduceerde agressie van honden als reactie op het onderzoekende gedrag dat jonge kinderen vertonen. Dit soort zaken speelt bijvoorbeeld mee in de pitbullproblematiek. Het kindergedrag wordt eenvoudigweg niet begrepen en dus niet getolereerd door een hond: kleine kinderen zijn een ramp voor honden.'