Geconserveerde dieren in musea handig voor evolutionaironderzoek

Sinds de ontwikkeling van de polymerase kettingreactie (PCR) enkele jaren geleden is het een fluitje van een cent om zeer kleine hoeveelheden DNA te vermeerderen (amplificeren) en te analyseren. Met de techniek kan bijvoorbeeld worden bepaald of een zeker gen of ander stukje DNA voorkomt in biologisch materiaal dat uit slechts een cel bestaat. Ook is het mogelijk om DNA te amplificeren uit mummies en museumstukken en om genetische analyses te doen aan dieren (quagga's bijvoorbeeld) die reeds lang zijn uitgestorven.

In een recent artikel in het tijdschrift Journal of Molecular Evolution hebben moleculair-biologen nu de PCR-techniek gebruikt voor onderzoek naar historische variatie in genfrequenties. Ze vergeleken bepaalde stukjes DNA van moderne exemplaren van het Californische kangaroeratje Dipodomys panamintinus met museumexemplaren verzameld tussen 1911 en 1937. Doel was om te kijken of er individuele dan wel geografische wijzigingen zijn opgetreden en daarmee hoe snel de frequenties waarin bepaalde genen voorkomen zich wijzigen.

De onderzoekers keken naar twee transfer-RNA genen en omliggende regio's in DNA uit de mitochondrien, de half-autonome celorganellen waar de energiehuishouding plaatsheeft. Ze analyseerden DNA uit 43 oude geconserveerden rattehuiden (behorend tot drie ondersoorten) uit het Museum of Vertebrate Zoology van de Universiteit van Californie in Berkeley, en uit 63 in 1988 op dezelfde lokaties gevangen moderne exemplaren (van dezelfde drie ondersoorten).

Het bleek, dat bij geen van de drie ondersoorten in de laatste 50 tot 80 jaar noemenswaarde verandering in geinfrequenties waren opgetreden. De verschillen in frequenties die nu tussen de ondersoorten bestaan, zijn dezelfde als die aan het begin van de eeuw.