Freud bedacht prachtige theorieen, maar vergat te toetsen; Psycholoog met dokterskoffer en een oneindige boekenkast

Geert Panhuysen heeft zich tien jaar in Freud verdiept. Zijn boekenkast bevat meer dan vijftig boeken met Freud in de titel. Maar noch deze hoeveelheid boeken noch de lange tijd hebben hem het gevoel gegeven dat hij de Freud-literatuur volledig kan overzien. 'Er is een onoverzienbare massa over hem verschenen.' Vandaar dat het proefschrift van Panhuysen begint met de verzuchting: 'Dit is het zoveelste boek over de totstandkoming en ontwikkeling van de psychoanalyse.'

Toch vindt Panhuysen het geen overbodig boek. De literatuur over Freud wordt beheerst door twee vragen: kan het werk van Freud tot de wetenschap gerekend kan en welke bronnen gebruikte hij? De eerste vraag vindt Panhuysen van ondergeschikt belang en op de tweede vraag denkt hij een nieuw antwoord te hebben.

De vraag of de psychoanalyse wetenschap is of pseudowetenschap, is erg omstreden. Freud zelf was duidelijk de eerste mening toegedaan. In een overmoedige bui vergeleek hij zich met Copernicus en Darwin. Copernicus had de mensheid de eerste krenking toegebracht door te beweren dat de aarde niet het middelpunt van het heelal vormde. Darwin beweerde dat de mens niet de bekroning van de schepping was, maar slechts een afstammeling van aapachtigen. En Freud tenslotte vond dat hij de derde krenking toebracht door te beweren dat de mens geen baas is in eigen brein. De mens heeft niet de vrijheid het eigen lot te bepalen, maar wordt geregeerd door duistere krachten.

Deze pluim op de eigen hoed is het onderwerp geweest van veel spotternij. Een van de raakste opmerkingen kwam van de psycholoog Eysenck: 'Freud was ongetwijfeld een genie, echter niet een wetenschappelijk genie maar een meester in de propaganda, niet een genie op het gebied van strenge bewijsvoering maar in overredingskracht, niet in het ontwerpen van experimenten maar in de literaire kunst. Zijn plaats is niet naast Copernicus en Darwin, zoals hij beweerde, maar naast de sprookjesvertellers Hans Christian Andersen en de gebroeders Grimm.'

Pauselijk onfeilbaarheid

Panhuysen vindt deze kritiek wel begrijpelijk. Enkele volgelingen van Freud schrijven hem een soort 'pauselijke onfeilbaarheid' toe. Sommige biografische boeken hebben dan ook iets van een hagiografie, de beschrijving van een heiligenleven. Deze toegedichte volmaaktheid wordt door anderen ontmaskerd.

'Maar ook op de tegenstanders van Freud is commentaar te leveren. Heel opvallend vind ik bijvoorbeeld dat Eysenck beweert dat de psychoanalytische theorie waardeloos is, omdat hij onmogelijk gecontroleerd kan worden en tegelijkertijd dat de theorie door experimenten weerlegd is. Deze beweringen kunnen ieder voor zich waar zijn, maar samen zijn zij logisch onverenigbaar.'

Een eigen standpunt in deze loopgravenoorlog tussen voor- en tegenstanders neemt Panhuysen niet in. 'Het is zinloos een etiket wetenschap of pseudowetenschap te plakken. Veel beter is het om rustig te bekijken wat de sterke en de zwakke kanten van de theorie zijn. Door de goede kanten te gebruiken en de zwakke te verbeteren kan onze kennis groeien en daar gaat het uiteindelijk om.'

De bestudering van de manier waarop Freud zijn theorie construeerde is volgens Panhuysen het leerzaamst. Ook dit is al vele malen gebeurd en daarbij werd steeds gezocht naar de bronnen waar Freud uit putte. Deze speurtocht heeft waslijsten met bronnen opgeleverd. Freud gebruikte onder andere zijn zelfanalyse, ideeen van 'Grote Schrijvers en Filosofen', de Joodse traditie, zijn leermeesters en de evolutietheorie. Wanneer Freud echter alle bronnen werkelijk had moeten raadplegen die hij volgens zijn biografen gebruikt zou hebben, had hij absoluut geen tijd gehad om een letter op papier te zetten. Panhuysen spreekt in dit verband over Freuds 'oneindige boekenkast'.

Vandaar dat Panhuysen op zoek ging naar een andere manier om de ontwikkeling van Freuds ideeen te beschrijven. Zijn conclusie is eenvoudig en verhelderend. 'Freud was, voor hij zich op de psychologie, richtte een bekwaam medisch onderzoeker. Hij had in zijn opleiding geleerd het menselijk lichaam op een bepaalde wijze te bestuderen en hij gebruikte deze manier later om de werking van de geest te doorgronden. Hij paste medische denkmodellen op een geheel nieuw terrein toe en deze geniale vondst legde de basis voor heel zijn theorie.' Vandaar dat zijn proefschrift de titel draagt 'Het Ei van Freud'.

Panhuysen toont aan dat Freud dezelfde werkwijze had als in de medische wetenschap gebruikelijk was. De eerste overeenkomst is het ontwerp van een classificatiesysteem van ziekten. Freud werkte op precies dezelfde manier. Zijn eerste stap was een indeling maken van psychische stoornissen. Zo onderscheidde hij bijvoorbeeld angst-, dwang- en gemengde neuroses, hysterie en melancholie. De indeling die Freud gaf was op enkele punten nieuw, maar geenzins revolutionair.

Verleidingstheorie

Freuds grote stap voorwaarts ging uit van een ander medisch principe, later verwoord door Virchow: ziekte is niets anders dan leven onder veranderde, ongunstige omstandigheden. De mechanismen die ziek maken werken ook in het gezonde leven, alleen pakken ze dan beter uit. Koorts is bijvoorbeeld het gevolg van verhoogde activiteit van het afweersysteem tegen ziektekiemen. Het immuunsysteem is echter altijd actief.

Dit uitgangspunt leverde grote problemen op voor Freud. De geestelijke afwijkingen van zijn patienten moesten in gewijzigde vorm ook aanwezig zijn bij gezonde mensen. In zijn tijd was het echter gebruikelijk om de mens als een rationeel handelend wezen te beschouwen. Dit was onmogelijk te rijmen met de voorkomende ziektebeelden. Bij hem op de divan lagen mensen die hun armen of benen niet konden bewegen, terwijl zij lichamelijk niets mankeerden. De uitleg dat het hier een doelbewuste handeling betrof schiet hopeloos tekort. Freud werd door zijn uitgangspunten gedwongen een mensbeeld te creeren dat het afwijkende mogelijk maakt.

Freud ging daarom op zoek naar vormen van 'geestelijk gestoord' functioneren bij psychisch gezonde mensen. Hij vond dit bij dromen, grappen en versprekingen. Panhuysen: 'In zijn boek De psychopathologie van het dagelijkse leven geeft Freud een voorbeeld van een man die een vergadering moet openen. Hij zegt echter: 'Hierbij verklaar ik de zitting voor gesloten'. Volgens Freud komt deze verspreking voort uit het onbewuste verlangen om de vergadering zo snel mogelijk te beeindigen.' Uit de verspreking blijkt dat gezonde mensen geen baas in eigen brein zijn en dat hun acties gestuurd worden door onbewuste motieven.

Een volgende eigenschap van het medische denkmodel is dat voor iedere ziekte een specifieke oorzaak gegeven moet worden. Volgens Panhuysen was deze richtlijn een gevolg van de ontdekking van ziektekiemen. Freud ging dus op zoek naar de specifieke oorzaak voor neurosen en vond die op het terrein van de seksualiteit. Op het begin van zijn loopbaan bracht Freud de verleidingstheorie naar voren. Neurosen zouden een gevolg zijn van seksueel misbruik op zeer jeugdige leeftijd. Een recente ervaring roept de onbewuste herinnering hieraan op en de gebeurtenis uit het verleden kan alsnog zijn ziekmakende invloed uitoefenen.

Maar deze opvatting bleek onhoudbaar. Als het waar was dan moest seksueel misbruik wel ontzettend vaak voorkomen. Freud had vele patienten en bovendien moesten er nog talloze mensen rondlopen die wel misbruikt zijn, maar niet ziek zijn geworden. (Niet iedereen die met een ziektekiem in aanraking komt wordt ziek.) Freud kwam tot de conclusie dat veel van zijn patienten fantaseerden misbruikt te zijn.

Freud werd gedwongen hiervoor een verklaring geven en hij vond zijn antwoord in de Oedipus-mythe. Ieder mens maakt dezelfde ontwikkeling door. Jongetjes worden verliefd op hun moeder en meisjes op hun vader. De ouder van hetzelfde geslacht is een geduchte concurrent en ieder mens moet het klaar zien te spelen deze verwikkelingen te verwerken. Wanneer dit niet goed lukt zijn neurosen op latere leeftijd het gevolg. Het onverwerkte verleden stuurt de fantasie. Freud legde hiermee een mechanisme bloot dat neuroses tot gevolg kan hebben, maar dat evengoed bij gezonde mensen actief is.

Hiermee staan de hoofdlijnen van de theorie van Freud. In zijn dokterstas droeg hij de ideeen bij zich die hem hielpen de ziekten van zijn clienten te doorgronden.

Overal verdringing

Maar volgens Panhuysen ontbreekt er toch iets fundamenteels in Freuds psychoanalyse. Freud heeft nooit voldoende getest of zijn ideeen wel kloppen met de werkelijkheid. Masturberen was volgens Freud erg riskant, maar hij heeft nooit aangetoond dat hier werkelijk risico's aan verbonden zijn. Een ander voorbeeld is dat hij overal verdringing zag, maar hij ondernam niets om dit intuitieve inzicht te controleren. Freud stelde weinig eisen aan zijn feitenmateriaal en daardoor wekt zijn werk af en toe de indruk van op hol geslagen fantasie.

Opmerkelijk is dat Freuds volgelingen dit gemis nooit goed gemaakt hebben. Volgens Panhuysen is daarom hoog tijd Freuds theorieen eens een keer behoorlijk te toetsen. Hij laat in zijn proefschrift zien dat dit mogelijk is. Daarna kunnen conclusies worden getrokken over de status van de psychoanalyse.

Ook zonder deze toetsing is het tegenwoordig duidelijk dat zijn theorieen op verschillende punten aangepast moeten worden. Freud ging uit van feiten over de hersenen die inmiddels achterhaald zijn.

Ondanks deze manco's plaatst Panhuysen Freud toch naast Copernicus en Darwin. 'Ik denk dat zijn werk minstens evenveel invloed heeft gehad. Verschillende ideeen van hem zijn misschien onhoudbaar, maar ik geloof dat zijn manier van werken nog steeds vruchten af kan werpen. Bijvoorbeeld zijn constatering dat de mens een gelaagd wezen is lijkt mij nog steeds actueel.'

De Utrechtse psycholoog G. E. M. Panhuysen promoveert aanstaande vrijdag. Handelseditie van het proefschrift: Het ei van Freud over de bijdrage van medische heuristieken aan de geboorte en groei van de psychoanalyse. Amsterdam, Swets en Zeitlinger, 1990. fl.55, -