Vereniging Nederland-DDR besluit tot opheffing; 'Muur hadniet mogen vallen'

AMSTERDAM, 8 okt. Natuurlijk moest het lijk ten grave worden gedragen en snel graag, want er was de laatste tijd genoeg op gedanst: de ruim honderd leden van de Vereniging Nederland-DDR, afgelopen zaterdag voor de laatste keer bijeen, hadden nauwelijks behoefte aan discussie over het belangrijkste agendapunt: het voorstel tot opheffing van de vereniging.

Ze waren dan ook met een ander oogmerk naar Amsterdam gekomen. Door vriend en vijand waren ze de laatste tijd als naieve idealisten dan wel gevaarlijke Honecker-aanhangers neergezet. En hier kwamen tenminste mensen bijeen die begrepen dat dergelijke etiketten onterecht waren. Ze hadden het goed bedoeld. Deze middag zou ze daarin bevestigen.

Niet dat daarmee het laatste woord was gesproken. Velen van de doorgaans grijzende, sober geklede aanwezigen voelden zich bij het einde van de Duitse variant op het socialisme gehouden tot een persoonlijke verantwoording voor hun jarenlange trouw aan de onbetrouwbaar gebleken vriend. En aldus werd veel latente wrevel alsnog manifest.

Zo was er W. Gomes, een orthodoxe communist uit 'Noord-Holland-noord', die verklaarde heus 'begrip' te hebben voor het feit dat de vereniging zich als niet-communistisch had geprofileerd, maar de laatste tijd had het wel geleken of ze anti-communistisch was, hetgeen hem net te ver ging.

Terwijl D66-kamerlid D. Tommel achter de bestuurstafel de linkerhand onder de kin plaatste, zette Gomes zich aan een vlammend betoog.

'We wilden voorkomen dat het Vierde Rijk werkelijkheid werd. Dat is mislukt, het kapitaal heeft gewonnen. Maar dat is tijdelijk, let op mijn woorden. Kijk naar de werkeloosheid, naar de afbraak van de sociale voorzieningen, naar de drugshandel die nu al welig tiert in Oost-Berlijn, de bankovervallen, de verkeersovertredingen die ineens aan de orde van de dag zijn in de voormalige DDR. Allemaal door het kapitalisme.'

Een mevrouw (PDS-sticker op de map) fluisterde: 'Zo is het!' Gomes ging kloek voort. 'Honecker heeft fouten gemaakt, maar ik bestrijd de stelling dat alles wat hij deed verkeerd was. Kameraden, 3 oktober 1990 zal de geschiedenis ingaan als een zwarte dag! Een zwarte dag voor de niet-bezittende klasse, voor de antifascisten, voor de vrede. De muur had nooit mogen vallen. Leve het socialisme!' Een aarzelend applaus volgde.

Meer sprekers lieten zich in dergelijke zin uit, zij het in minder klassieke toonzetting. Een van hen presenteerde zich als '84-jarige socialist uit Friesland' en meende dat het, ondanks de opheffing, de plicht van de aanwezigen was 'genegenheid uit te blijven dragen naar alle goede, socialistische Duitsers'. Want het socialisme blijft springlevend. 'Ik weet dat er in deze vereniging ook niet-socialisten zitten, maar ik ben er altijd van overtuigd gebleven dat ze op den duur tot inkeer zouden komen. Dat ben ik nog. Eerst zal het kapitalisme zichzelf vernietigen, dan komen wij!'

De zwijgende Tommel had inmiddels ook de rechterhand onder zijn kin geplaatst, toen het de PvdA'er A. Lems, voormalig burgemeester van Zaanstad, te veel werd. 'We moeten de geschiedenis niet vervalsen. Deze vereniging stond open voor alle politieke stromingen. Onze doelen waren antifascisme en vrede. Ik vind het een beetje te gek worden als wordt gesuggereerd dat sociaal-democraten hier nog net werden getolereerd.'

Nog was niet al het leed geleden. A. Burghoorn, die als voormalig docent aan de Amsterdamse Hogeschool voor Economische Studies regelmatig studiereizen naar de DDR organiseerde, opende een aanval op het bestuur van de vereniging. 'De gewone leden wisten het niet, maar die trips van het bestuur naar de DDR: het waren snoepreisjes. Er werden Kamerleden of andere hotemetoten meegenomen, overal ging de rode loper uit, eten en drinken werden overvloedig aangeboden en al die delegaties zijn nooit een gewone DDR-burger tegengekomen. Gelukkig kunnen we nu allemaal vrij naar oostelijk Duitsland reizen, we mogen blij zijn dat deze vereniging ophoudt te bestaan.'

Het bestuur zou zwijgen, P. van Zutphen mocht Burghoorn van repliek dienen. Als jongerensecretaris was hij drie maal daar geweest, niks snoepreisjes, zware trips waren het: 'We stonden voor dag en dauw op en werkten keihard.' Burghoorn wist van geen wijken: 'Het bestuur danste naar het pijpen van het regime, zo is het gewoon.'

'Mijn hoop', zei voorzitter en oud-PSP-Kamerlid P. Burggraaf later in zijn slotwoord, 'was dat in de DDR een socialistische samenleving zou groeien. Een bolwerk tegen fascisme en tirannie. Uit deze nu opgeheven vereniging nemen we nieuwe hoop mee. Hoop op een vredelievend Duitsland, hoop dat de bezieling die wij hadden, behouden zal blijven.' Ternauwernood kon hij zijn tranen bedwingen.