Symfonie van Ketting: een vlam door het ijs

Jorge Luis Borges, die door componisten graag gelezen wordt niet in het minst vanwege zijn ideeen over de manipulatie van de tijd besprak het werk van Herbert Quain, die op bizarre wijze de fantasie van de lezer wist te bespelen. In The god of the labyrinth wordt deze op het verkeerde been gezet, zodat hij nog eens de desbetreffende hoofdstukken erop naslaat teneinde een andere oplossing te vinden dan de schrijver biedt, te weten de werkelijke.

Hieraan moest ik denken, luisterend naar Otto Ketting's driedelige Derde Symfonie, geschreven voor het dertigste seizoen van de Vara-matinee. Zaterdagmiddag in de Klassieken-serie van de Vara werd hij na de wereldpremiere luidkeels toegejuicht als ware hij een klassieke componist.

De symfonie gebruikt een gegeven waarmee Ravel zijn oeuvre afsloot, het laatste akkoord uit het lied Ronsard a son ame. De Vara liet aan Ketting's compositie liederen van Debussy en Ravel voorafgaan, maar zette ons daarmee a la Herbert Quain op het verkeerde been. Want Ketting gebruikt Ravel's opvallende afsluiting slechts als structureel gegeven, zijn taal is anders: een combinatie van post-expressionisme en de nodige Amerikanismen. De finale van het Pianotrio is Raveliaanser!

De Derde symfonie opent weidse vergezichten in melancholieke lokroepen van het hout en later koper, terwijl de strijkers het betoog op gang houden. Inderdaad klinkt het orkest in duidelijk gescheiden groepen als in de grote klassiek-romantische traditie. Ketting gebruikt met name het slagwerk straight, zonder raffinement: hij wantrouwt muzikale extravanganties.

Maar dan het Adagio! Niets geen vergezichten, niets geen lokroepen, maar Mahleriaans verscheurende strijkers die het tempo rubato uitschreeuwen! Dit deel werd eerst gecomponeerd en penetreerde vervolgens (in structurele zin, niet qua uitdrukking) het eerste en het laatste deel. Om weer met Borges te spreken: de omgekeerde wereld, waarin de dood voorafgaat aan de geboorte, het lidteken aan de wond en de wond aan de slag.

De vervoerende dubbelslagfiguur in Ketting's Adagio klinkt alsof een vlam door het ijs heen slaat. Fraai is ook hoe de hoorn in het vertraagde tempo van die 'schreeuw' de extase dooft, zodat de muziek weer de vertrouwde Kettingiaanse proporties kan aannemen. Het derde deel is minder geinspireerd, de geritmiseerde harmoniek verhoudt zich tot de unendliche Melodik van het middendeel zoals spreken zich verhoudt tot zingen.

Omdat Edo de Waart wegens persoonlijke omstandigheden verhinderd was dirigeerde Otto Ketting zijn eigen symfonie. Van onzekerheden was gelukkig geen sprake. Vooraf dirigeerde Jean Fournet liederen van Ravel en Debussy, stijlvol vertolkt door de mezzosopraan Martine Mahe en de bariton Francois le Roux. Toch verliezen liederen veel als gevolg van de orkestraties. In Ravel's cyclus Don Quichotte a Dulcinee miste men nuances, afgezien in een spaarzaam georkestreerd slot als op O Dulcinee. Alsof een enkele kleurige veer naar beneden dwarrelde om in de stijl van Borges te eindigen terwijl de prachtige vogel zelf al uit het zicht was verdwenen.