Manwijf Kenau

Met kokende olie, brandende pekhoepels, spiets, bus en rapier wist Kenau Simonsdochter Hasselaar eind januari 1573 de Spanjaarden van Haarlems stukgeschoten wallen te weren. Kapitein Kenau stond aan het hoofd van een compagnie van driehonderd Haarlemse vrouwen, met Diewerte Claessen als luitenant, de freule van Berkenrode als vaandrig en burgemeestersvrouwen onder haar manschappen. De Spanjaarden waren diep onder de indruk en riepen: 'Hoe, zijn de vrouwen hier mannen geworden?'

Het verhaal van Kenau is sinds het eind van de zestiende eeuw overgeleverd in tal van boeken, toneelstukken, gedichten en geuzenliederen.

Pas in 1872 zette de Haarlemse historicus C. Ekama hier voor het eerst vraagtekens bij. De speurtocht die daarop volgde liet weinig heel van de legende en is in 1956 tot in details beschreven door de Haarlemse archivaris Gerda H. Kurtz in haar boek Kenu Symnsdochter van Haerlem.

Kenu, zoals ze in archiefbescheiden wordt genoemd, werd in 1526 in Haarlem geboren. Ze trouwde met scheepsbouwer Nanning Gerbrandszoon Borst en kreeg vier kinderen. Nadat haar man in 1562 overleed, zette Kenau, zoals we haar verder zullen noemen, de scheepswerf en houthandel met grote voortvarendheid voort.

Kenau liet niet met zich sollen. 'Bijkans haar gehele leven sedert haar weduwschap is vervuld met procederen', schrijft Kurtz. De meeste processen werden door de stoere Haarlemse gewonnen.

Kenau's optreden tijdens het beleg van Haarlem, dat duurde van december 1572 tot 13 juli 1573, werd al in 1573 voor het eerst beschreven en wel in een werkje getiteld Historie ende een waerachtich verhael van al die dinghen die gheschiet sijn, van dach tot dach, in Haerlem, in dien tijt als die van den Hertoge van Alba beleghert was.

Schrijver Johannes Arcerius Frisius was zelf bij het beleg aanwezig en beschrijft met bewondering de vrouwen en meisjes die hielpen bij het herstellen van de wallen. 'Bysonder was daer een seer manlycke vrou, die met recht een mannine ghenoemt mocht worden, met name Kenu, nu al een vrou zijnde op haer daghen, welcke met oncosten (...), met arbeyt, wapenen ende geweer het ghemeene welvaren voorstonde, ende met spijt en schempe, daer sy die vyanden sonder ophouden mede quelt ende tercht, heeft altoos boven alle ander een manlick hart int lijf ghehadt.'

Een mannine die de vijand met schelden en vloeken kwelde en tergde het verhaal maakte diepe indruk en werd in de loop der tijd aangedikt tot de legende waarbij 'kapitein' Kenau driehonderd vrouwen aanvoerde. Dat Kenau als houtleverancier waarschijnlijk goed aan de herstelwerkzaamheden van de wallen heeft verdiend, kon niet verhinderen dat zij door latere generaties werd gezien als 'een sprekend voorbeeld van heldenmoed in de zwakkere kunne', zoals een naslagwerk het in 1836 formuleerde. Al in de zeventiende eeuw kreeg haar naam de betekenis van 'moedige, doortastende, onafhankelijke, zelfstandige, ongemakkelijke vrouw'. Van Dale geeft tegenwoordig als betekenis: 'virago, manwijf'.

Kenau stierf in 1588, onder nooit opgehelderde omstandigheden. Op een gegeven moment troffen haar dochters in de haven van Hoorn het schip aan waarmee hun moeder op 21 juni 1588 naar Noorwegen was vertrokken om daar hout te kopen. Waarschijnlijk is de 62-jarige Kenau onderweg door zeerovers overvallen en overboord gesmeten.

In de categorie spreekwoorden kreeg Kenau overigens al spoedig gezelschap van een andere doortastende dame. 'Als de Hollanders van Kenau pochen, dan pochen de Friezen van Bauck' herinnert aan Bauck Hemmema-Popma ((+)1501), die in 1496 op manmoedige wijze Hemmema State te Berlicum tegen de Groningers verdedigde. Maar zo berucht als Kenau zou deze Bauck nooit worden.