'Ik, de broer' kan Spaanse vice-premier niet schoonwassen

MADRID, 8 okt. Het boek heet Yo, el hermano 'Ik, de broer' en ligt sinds vorige week in alle boekwinkels en kiosken van Spanje. In al zijn onbescheidenheid doet de titel denken aan de beroemde roman van Augusto Roa Bastos, waarin het karakter van een Zuidamerikaanse dictator wordt ontleed, maar het mist de literaire kwaliteit van Yo, el supremo en met nauwelijks meer dan honderdzestig grootgedrukte pagina's is het ook lang niet zo dik. In kranten en tijdschriften is de inhoud afgekraakt, in cafe's en kantoren wordt er om gegniffeld en gegnuifd, maar desalniettemin of juist daarom is het onstuitbaar op weg naar de top van de bestsellerlijst. De verklaring daarvoor is al te vinden in de eerste zin, die op een aparte bladzijde in kapitalen staat afgedrukt en luidt: 'Mijn naam is Juan Jose Guerra Gonzalez en ik ben de broer van de vice-premier.'

Naar eigen zeggen heeft Juan Guerra deze gedenkschriften geschreven omdat hij het slachtoffer is geworden van een campagne die in de eerste plaats tot doel heeft de tweede man in de Spaanse regering en diens politieke denkbeelden onschadelijk te maken. Hijzelf is slechts een middel in de handen van de beramers van dit komplot om zijn broer Alfonso ten val te brengen. Omdat de pers zijn opvattingen nooit juist heeft willen weergeven was hij wel gedwongen zelf de pen ter hand te nemen en het een en ander recht te zetten.

Met Yo, el hermano sorteert de schrijver echter een averechts effect. Zijn larmoyante schets van een jeugd in de arme buurten van Sevilla maakt van de familie van de vice-premier een karikatuur. De daaropvolgende uitlatingen over de politiek en het zakenleven in het Spanje van de jaren tachtig en negentig bevatten geen enkele serieuze weerlegging van de feiten die Juan Guerra door de rechter van onderzoek ten laste zijn gelegd. En toch zijn die beschuldigingen ernstig genoeg.

Juan Guerra, aan het begin van de jaren tachtig nog verkoper van naslagwerken, liet zich kort na de eerste verkiezingsoverwinning van de nog steeds regerende sociaal-democratische partij van Spanje (PSOE) benoemen tot 'assistent' van zijn broer, de vice-premier, in Sevilla. Vanuit het hem toegewezen bureau in het kantoor van de deelregering van Andalusie begon hij echter te bemiddelen tussen overheid en bedrijfsleven, vooral als het ging om de verkoop van onroerend goed en het wijzigen van bestemmingsplannen ten behoeve van bestemmingsplannen. Uit het justitieel onderzoek, dat acht maanden geleden is begonnen en nog steeds voortduurt, is gebleken dat Juans activiteiten zich uitstrekten tot ver buiten Andalusie: hij hielp bij de overdracht van voormalige kazernes in Madrid en onderhandelde over de bouw van woningen in Galicie. Daarbij betaalden hij en de aan hem gelieerde bedrijven bovendien vrijwel geen belasting.

In de afgelopen week is via het onderzoek naar de 'affaire-Guerra' zelfs een heel nieuw type fiscale fraude aan het licht gekomen, waarbij enige van de grootste Spaanse banken betrokken blijken te zijn. Deze banken houden er parkeer- of tussenrekeningen op na die niet op naam zijn gesteld en waarop zich geld bevindt van klanten die 'de allerhoogste mate van vertrouwen' genieten. Wie de eigenaars van dit geld zijn, weten alleen een paar hooggeplaatste employes van de bank in kwestie en rente over het gestorte bedrag wordt op een andere rekening uitgekeerd. Het ministerie van financien schatte eind vorige week dat op dergelijke rekeningen voor meer dan 200 miljard peseta's (bijna veertig miljoen gulden) aan zwart geld verborgen is, waarvan uiteraard slechts een deel aan Juan Guerra toebehoort. De hermanissimo (zoiets als 'superbroer') noemt in zijn boek alle beschuldigingen onbewezen en acht zich het slachtoffer van een fysieke en geestelijke marteling door 'de inquisiteurs van de pers'. Ook de vice-premier zelf duidde vorige week in een redevoering de media aan als de 'nieuwe inquisitie' en bij eerdere gelegenheden heeft hij opgeroepen geen aandacht te schenken aan wat de pers over hem en zijn familie beweert. Uit opiniepelingen blijkt echter dat de burgerij dat wel degelijk doet. Volgens een enquete van het dagblad El Pais vindt een meerderheid van de Spaanse bevolking dat de vice-premier zodanig gecompromitteerd is door het gedrag van zijn broer Juan, dat hij af zou moeten treden. Premier Felipe Gonzalez heeft gezegd dat zijn vriend en medewerker inderdaad al dit voorjaar zijn functie ter beschikking heeft gesteld, maar dat hij het ontslag niet heeft aanvaard.

De affaire komt voor Alfonso Guerra extra ongelegen, nu aan de vooravond van het grote partijcongres van november binnen de PSOE een keiharde machtsstrijd is ontbrand tussen zijn aanhangers, de guerristas, en de voorstanders van een gematigde politieke koers en meer openheid en ruimte voor debat binnen de partij, onder wie verscheidene ministers. Juan Guerra kiest in zijn boek uitgebreid partij voor zijn broer, wiens innerlijke rijkdom en sociale bewogenheid hij niet aflaat te prijzen en die hij aanduidt als 'het baken, het licht dat gevolgd moet worden door allen die de moed hebben gehad de winterpaleizen te bestormen'. Zijn kritiek op de tegenstanders van de vice-premier pakt echter af en toe nogal ongelukkig uit. Bijvoorbeeld in de passage waar hij de voormalige president van Andalusie een veeg uit de pan geeft. Deze functionaris moest in het voorjaar het veld ruimen na een verloren machtsstrijd met de guerristen. Geen wonder, legt Juan Guerra uit, want hij had de fout gemaakt om tegenover Alfonso al in een vroeg stadium bezwaren te uiten over het toewijzen van het nu zo omstreden kantoor in het gebouw van de deelregering.

In de negen maanden dat het Spaanse politieke leven nu wordt beziggehouden door de affaire-Guerra hebben de beide broers niet meer met elkaar gesproken. Een kwestie van tactiek, legt Juan uit. Tegelijkertijd laat hij geen gelegenheid onbenut om zijn eigen probleem te vereenzelvigen met de problemen van de sociaal-democratische partij en van de regering. Als de samenzweerders van rechts denken dat ze hem en de PSOE er onderkrijgen, dan vergissen ze zich. 'Dan kennen ze mijn broer niet, dan kennen ze Felipe niet, dan kennen ze de socialisten niet. En dan kennen ze mij niet', verzekert de auteur, die aan het slot van zijn boek een vervolgdeel in het vooruitzicht stelt met onthullingen over politieke affaires en persoonlijkheden en zijn 'leven in de nabijheid van de macht'. De vraag is wie bevreesder moet zijn voor de literaire ambities van de Beruchte Broer: zijn vijanden of zijn vrienden en familie.