Het religieuze voorbehoud van George Steiner

Mijn aanvankelijke beeld van George Steiner was bepaald niet positief. Temidden van Konrad, Semprun en Marquez maakte hij in de inmiddels klassieke VPRO-serie een gekunstelde indruk. Teveel een beschermde levenswandel in vergelijking met de andere drie en wellicht daarom het meest hoekig in zijn opvattingen. Bovendien te verliefd op zijn eigen zinswendingen: het beeld van een zelfvoldaan lachje na weer een apodictische volzin blijft hangen. In een woord: te veel effectbejag.

Het was dan ook met een fris vooroordeel dat ik Steiners laatste boek Het verbroken contract ter hand nam. Misschien dat mijn enthousiasme daarom zo groot is, want het is een zeer eigenzinnige studie. Het pessimisme is hier geen pose, maar een zorgvuldig beredeneerde twijfel. En al wemelt de tekst van onnodig geetaleerde eruditie, het betoog wordt rustig opgebouwd om in een onverwachte en moeilijk weerlegbare religieuze wending te eindigen. De auteur stelt zich tot doel om de culturele neergang op heterdaad te betrappen. Steiner komt een heel eind met deze niet geringe ambitie. Het verbroken contract betreft de breuk tussen het woord en de wereld. Waar anderen slechts een cliche over het opdringen van het beeld (de televisie) en de neergang van het woord te berde brengen, graaft Steiner dieper en weet pagina's lang te varieren op deze vertrouwensbreuk. Daarbij is zijn inzet hoog: '... ik geloof dat de ondergang van de humaniora (...) in de huidige cultuur en samenleving de ondergang van het humane met zich mee zal brengen'.

Hoe komt Steiner tot deze treurig stemmende uitvergroting?

Zijn verhandeling is een polemiek met de aanhangers van de 'deconstructie'. Deze stroming is er op uit elke mogelijke betekenis van een tekst net zolang te ontrafelen tot de toevalligheid en willekeur ervan zichtbaar wordt. De gangbare verwijzing naar een biografische, een historische of een culturele context wordt verworpen. De speurtocht naar 'motieven' die achter een tekst schuilgaan, is zinloos. Het woord en de wereld vallen uiteen, het contract wordt verbroken en wat overblijft is een oneindige reeks verwijzingen binnen de tekst. Elk vast punt daarbuiten is onzeker geworden. Er is dan ook niet langer een bevoegde uitlegger die de ware bedoeling kan bepalen, aldus Steiners weergave van deconstructie-denkers.

Van een wereld waarin het gezag van het woord zo fundamenteel in twijfel wordt getrokken is de stap naar het nihilisme snel gezet. Zonder enigerlei traditie en daaruit afgeleid gezag is de cultuur louter een optelsom van mogelijkheden die geen onderscheid in waarde hebben. Steiner commentarieert dat op deze manier geen hierarchie meer mogelijk is tussen de grote meesterwerken en de daarop parasiterende commentaren. Die nivellering is het onontkoombare gevolg van een steil relativisme. En voor Steiner vormt het een 'onweerlegbare uitdaging'.

Er is maar een mogelijke uitweg en dat is de erkenning van een religieuze dimensie in de hedendaagse cultuur. Alle muziek, literatuur en beeldende kunst van werkelijk belang verwijzen naar een transcendentaal moment in onze ervaring: 'Ze zijn de uitdrukking van een oerdrift van de menselijke geest om mogelijkheden van betekenis en waarheid te verkennen die buiten het empirisch en bewijsbaar bereik liggen'. Slechts een veronderstelde aanwezigheid van God kan betekenisvolle tekst voortbrengen. Zo luidt kort samengevat Steiners antwoord.

Je zou kunnen zeggen dat het pessimisme Steiner zo naar de keel vliegt dat de sprong naar gene zijde nog de enige redding is een wel zeer tegendraadse conclusie in een wereld die zo weinig met religie op heeft als de onze.

Maar het is een conclusie die niet eenvoudig terzijde kan worden geschoven. Wie de blik richt op het politieke en Steiner doet dat zelf maar al te graag komt met deze cultuurkritiek tot een verontrustende slotsom. Alle politiek in een geseculariseerde samenleving is in deze visie uiteindelijk vraatzuchtig. Veroordeeld tot deze wereld slokt ze in potentie al het menselijke op. Slechts een religieus voorbehoud kan daartegen weerstand bieden. Het is dan ook geen toeval dat de christelijke traditie in haar zuivere vorm een pessimistisch mensbeeld paart aan een kritiek op de hoogmoed van de politiek die haar grenzen niet kent.

Vooruitgangsoptimisme kan slechts worden geremd door verbondenheid met religieuze traditie in de breedste zin. Waar alle moraal opgaat in de stroom van de geschiedenis en er geen gezichtspunt is dat zich daaraan onttrekt, heerst een blind geloof in de mogelijkheden van de mens. Slechts uit een ervaring van transcendentie kan matiging en zelfbeperking voortkomen. Dat is de betekenis van Steiners kritiek voor het politieke denken en doen.

Christelijke politiek is dan ook onmogelijk, want het religieuze moment behelst juist het voor- en het napolitieke. Waar het sacrale en het politieke zich met elkaar verzoenen of dat nu een theocratie is of het socialisme is het gedaan met de gewetensvrijheid. Steiner gaat, denk ik, nog een stap verder: als de religie zijn normerende werking verliest, neemt de politiek monsterlijke vormen aan en treedt steeds verder buiten haar oevers.

En het is juist de leer van individuele vrijheid en beperkte staatsinterventie het liberalisme die daarvoor de verantwoording draagt. Want de liberale scepsis heeft de kracht van de religie ondermijnd. Zo bezien holt het moderne vrijheidsideaal zichzelf op termijn uit.

'Pas wanneer de vraag naar het bestaan of nietbestaan van God al haar actualiteit verloren heeft, pas wanneer men, zoals het logisch-positivisme leert, de onzinnigheid ervan inziet en aanvoelt, zullen we een wetenschappelijk-seculiere wereld bewonen. De opinierende voorhoede heeft min of meer beslag gelegd op de leegte, die als een nieuwe vrijheid wordt gezien. Het algemene denken kan dit voorbeeld volgen, of zeer dreigend, in religieus fundamentalisme of kitschideologieen vervallen', aldus een sombere Steiner.

Beide extremen komen, hier in een mildere vorm, bekend voor. Onmiskenbaar is er een keerzijde aan de burgerlijke emancipatie. Het egoisme, de verloedering en de grofheid van de vrijheid in de stad vormen een werkelijke bedreiging. De vlucht in een autoritaire geborgenheid is dan een keuze. De Amerikaanse samenleving laat beide ontwikkelingen scherper zien dan de Westeuropese, maar wellicht is dat alleen een kwestie van tijd.

'We moeten onszelf en onze cultuur de vraag stellen of een seculier, in wezen positivistisch model van het begrijpen en van de ervaring van betekenisvolle vorm (het esthetische) houdbaar is in het licht of, zo u wilt, in de duisternis van het nihilistische alternatief.'

Het is de vraag of er tussen ontkerstening en nihilisme inderdaad een ongebroken lijn loopt. Al was het maar omdat de terugkeer van een algemeen aanvaard religieus besef niet in het verschiet ligt, zou ik hopen dat er ergens een kink in Steiners kabel zit. Maar zeker weten doe ik het allerminst.