Waanzinnige kruisbestuivers

Als de roos de meest geliefde tuinplant is, welke is dan de meest gehate? Kan er een plant bestaan waar dat voor geldt? Sterke afkeer, zou je denken, is een kwestie van persoonlijke smaak, of vooroordeel; elke tuinier moet ergens in zijn hart een plant hebben die hij of zij intens verafschuwt, maar kan dat voor iedereen dezelfde zijn? Het vergelijken van afkeren in de literatuur roept bijvoorbeeld altijd verhitte discussies op; de een haat dit en de ander dat - er zijn altijd wel mensen bereid om zelfs boeken te verdedigen als Hotel du Lac of One hundred years of solitude.

Maar in tuinierskringen ontbreken zulke interessante discussies; er heerst een bedrukkende conformistische unanimiteit, dezelfde plant wordt door iedereen gehaat: het Afrikaantje. Afrikaantjes zijn out, niet alleen maar dit jaar, maar ieder jaar. Het zou een modeverschijnsel kunnen zijn dat op den duur voorbijgaat, maar de tegenstanders ontkennen dat: Afrikaantjes vertegenwoordigen volgens hen de objectieve slechte smaak.

Conventie of natuur? Toen ik nog in een flat woonde en met tuinieren niet meer uitstaande had dan elke zomer een paar bloempotten op het balcon van nieuwe planten voorzien, besloot ik eens een pot te vullen met Afrikaantjes, de kleine, Franse soort. Iedereen die ze zag, zelfs anders beleefde en gereserveerde mensen, maakten onomwonden hun afkeer kenbaar. Velen klaagden over de geur, die mij persoonlijk niet hindert. Achteraf realiseerde ik me wat een uitkomst het is dat Afrikaantjes die reuk hebben, het stelt in staat deze blinde afkeer te wettigen met een beroep op de Natuur.

De afschuw van het Afrikaantje is nergens mee te rechtvaardigen - zomin als de collectieve afkeer van de dahlia, de tulp, de hyacinth, de gladiool of de rode salvia, zoals die in bepaalde regionen van de tuinierswereld wordt gevonden. Het heeft minder te maken met de planten zelf dan met het gebruik dat van ze wordt gemaakt, en in sommige gevallen met de zogenaamde verbeteringen, teweeggebracht door wat iemand eens de 'waanzinnige kruisbestuivers' heeft genoemd.

Wat is er, objectief gesproken, verkeerd aan de tulp? Houding, bladkleur, bloemformaat? Er zijn mensen wier haat voor de tulp nog groter is dan voor het Afrikaantje (Het moet gezegd worden dat de kwekers zich hiervan terdege bewust zijn en steeds deftiger varieteiten telen, zoals Queen of the Night en Spring Green). Als de tulp de nationale bloem van een of ander derdewereldland was zouden de inwoners waarschijnlijk trotser op deze plant zijn dan de Nederlanders.

Het is niet te ontkennen dat de kleuren van veel 'verbeterde' planten minder geraffineerd zijn dan die gewoonlijk met rozen worden geassocieerd (hoewel je ook daarbij onaangename verrassingen tegenkomt). En niet alleen doen die kleuren pijn aan je ogen, het is ook dat we er aan gewend zijn ze misbruikt te zien door mensen die gespeend zijn van gevoel voor kleur. Een massa tulpen kan een prachtig gezicht zijn, maar niet in het wilde weg verspreide bossen van twaalf per kleur.

Opvallende kleuren lijden onder de reactie tegen Victoriaanse opvattingen in het tuinieren, die nog tot op heden te zien zijn in de gemeentelijke bloemperken. Grote klodders scharlakenrood, geel en oranje vullen de bloembedden in de parken, soms zelfs in de vorm van een embleem, waardoor de mensen niet alleen liever ergens anders naar kijken maar ook een hekel krijgen aan de planten zelf. Soms terecht, zoals de universele haat tegen de Salvia splendens; roder bestaan ze niet. Een merkwaardig aspect van de gangbare preutsheid met betrekking tot opzichtige kleuren is dat die niet op alle gebieden van toepassing is. Iemand kan zelf helrode kleren dragen en haar kinderen kleden in felle contrasterende kleuren, en dezelfde kleuren verfoeien in de tuin.

Dan is er ook het feit dat het Afrikaantje niet alleen de verkeerde geur en kleur heeft, maar ook veel te gemakkelijk is te kweken. Je kunt het bijna niet verkeerd doen; zoals Rob Herwig wat uit de hoogte opmerkt: 'Overbekende perkplantjes (...) Normale tuingrond is meer dan goed genoeg.' Dat is immers ook een motief voor plantensnobisme: hoe meer tijd en moeite ze vergen, hoe nobeler. Vanuit dat oogpunt is het grasveld het edelste onderdeel van de tuin, maar de roos is een goede tweede. Zou er een cultuur kunnen bestaan waarin de mensen de roos zien zoals wij het Afrikaantje?

' In geen tuin, hoe klein ook, zou een stukje grond gewijd aan Afrikaantjes mogen ontbreken, ' schreef Mrs C. W. Earle in 1897 nog in alle onschuld over haar moestuin. Ze zegt het niet maar dat is misschien de beste plaats voor ze. Het Afrikaantje stoot namelijk niet alleen mensen af maar ook ander ongedierte. Het verjaagt de zweefvlieg van de kool, de wortelaaltjes van de aardappelen - zelfs op een meter afstand - en de bladluis van de roos. Maar dat laatste is als systeem niet aan te bevelen tenzij je, zoals Marja Roscam Abbing schrijft, kleurenblind bent.

Wat er verder van het Afrikaantje kan worden gezegd, ook de naam is niet gunstig. De stakker komt bovendien helemaal niet uit Afrika maar uit Mexico ('Mexicaantje'); zou er niet een wat bloemrijker naam voor kunnen worden gevonden: '(African) marigold' in het Engels en 'oeillet d'Inde' in het Frans klinken al veel beter. Zelfs Tagetes klinkt niet slecht. Zou de geur van het Afrikaantje zoeter zijn als het een andere naam had? Van rozen is zoiets wel eens beweerd.