UITZICHTLOOS CHINA

Sinds het bloedbad van 4 juni 1989 lijkt, althans in de schrijvende pers, voor China het doek gevallen. Er bereikt ons nauwelijks nog nieuws dat die term waard is. Zo is de oogst, de afgelopen zomer, van ruim een maand NRC Handelsblad en Volkskrant mager en bovendien vaak macaber. Het nieuws gaat meestal over buitenlandse betrekkingen (Rode Khmers, Indonesie), of er worden uitsluitend officiele bronnen geciteerd en geanalyseerd. Over de Chinese 'man in de straat' vernemen wij niets.

Des te interessanter is de publikatie van een boek van een antropoloog-sinoloog die het in 1989 allemaal ter plekke heeft meegemaakt. De combinatie is bijzonder: van de antropoloog verwacht je dat hij 'levensechtheid' biedt, de 'man in de straat' juist wel weet te vinden en aan het woord te laten, van de sinoloog dat hij de taal en de cultuur grondig bestudeerd heeft. Frank Niming werd door de gebeurtenissen volstrekt verrast. Hij gaf blijk van flexibiliteit door tijdens zijn onderzoek van zijn oorspronkelijke probleemstelling ('een gedetailleerde case study van het dagelijks leven in stedelijk China') af te wijken en zich onmiddellijk op de ontwikkeling van 'de beweging' te richten. Daarbij bleef hij wel doorgaan met zijn interviews met allerlei vertegenwoordigers van verschillende bevolkingsgroepen, namelijk omdat die interviews ook pasten binnen zijn nieuwe probleemstelling.

In het eerste hoofdstuk ('De Top') wordt het functioneren van de politieke elite beschreven. Niming ziet in de Chinese politiek na 1949 twee met elkaar samenhangende 'constanten'. De eerste is het gebrek aan (wettelijke) spelregels die het politieke proces zouden kunnen reguleren. Dat bracht '... voortdurend het risico [met zich] dat een crisis of conflict binnen de top uit de hand zou lopen en de nieuw verworven orde en regelmaat in een klap ongedaan zou maken'. De tweede constante is de politieke patronage, het verschijnsel dat de politieke macht van individuele leiders in sterke mate afhankelijk is van het netwerk van 'clienten' en 'vrienden' dat zij in de loop van een politieke carriere hebben weten op te bouwen. Af en toe heeft de lezer het gevoel dat hier geen communisten in Peking, maar christen-democraten in Napels beschreven worden - inclusief de van de 'clienteles' integraal deel uitmakende camorra-clans. De notie dat ook in 'socialistische' regimes patronage bestaat, is bepaald niet nieuw - men denke aan de beschrijvingen van de corruptie en het 'officieuze circuit' in Georgie, Polen of Roemenie. Maar het is een verdienste van Niming dat hij aannemelijk weet te maken dat politieke patronage zelfs de essentie is van dit type politiek systeem.

Verhelderend is ook wat hij schrijft over de hervormingen in het tijdperk-Deng Xiaoping. Niming maakt duidelijk dat er in de jaren na de Culturele Revolutie (1966-69) sprake was van een verregaand politiek cynisme onder brede lagen van de bevolking en een grote ontwrichting van de economie. Hij spreekt, wat de economie betreft, het vermoeden uit dat het systeem nog enigszins functioneerde dankzij 'informele strategieen' en het gebruik van allerlei persoonlijke banden - ook hier volop, en steeds meer 'clienteles' dus. Politiek wilde men geen grand designs a-la-Culturele Revolutie meer, maar een zekere mate van vrijheid en vooral rust. Economisch wilde men volgens Niming eigenlijk niets anders dan een hogere levensstandaard.

RADICALISERING

Deng was van plan, toen hij daartoe in 1978 de mogelijkheid kreeg, geleidelijk hervormingen in deze richting door te voeren, maar hij stuitte daarbij op twee wezenlijke problemen. Ten eerste moesten de hervormingen min of meer halfslachtig blijven omdat hij noch zijn tegenstanders binnen de politieke elite de marxistisch-leninistische en maoistische principes en de daaruit voortvloeiende structuren ter discussie wilden stellen. Ten tweede neigde iedere factie aan de top juist tot radicalisering, en wel wegens het bovengenoemde gebrek aan mechanismen ter regulering van conflicten. Door dat gebrek escaleerden meningsverschillen al snel tot 'totale' politiek-ideologische confrontaties. Het gevolg was, vooral op het gebied van de gevoelige politieke hervormingen, een zigzagkoers die nu eens leidde tot een relatief liberaal klimaat met meer persvrijheid (ook ter betere controle van de bureaucratische willekeur), hervorming van de rechterlijke macht, bestuurlijke decentralisatie en dergelijke, dan weer tot centralistisch geleide campagnes tegen 'bourgeois liberalisering'. Kortom, de taak die Deng Xiaoping zich had gesteld, was volgens Niming gedoemd te mislukken.

In hetzelfde hoofdstuk geeft Niming een vrij overtuigende analyse van de volgens hem eveneens tot mislukken gedoemde economische hervormingen. Ook hier weer een paradox waarin politieke patronage centraal staat: ' Corruptie en vriendjespolitiek zijn onder het socialisme dus geen gevaarlijke afwijkingen ... maar ... het functionele equivalent van de vrije markt in kapitalistische economieen. In zo'n situatie maakt het vrijgeven van de prijzen alleen [hetgeen Deng op beperkte schaal deed -JR] nog geen echte markt, maar leidt [zoiets] er slechts toe dat de ... bureaucraten en bedrijven meer speelruimte krijgen om hun monopolies te gebruiken, waardoor de al bestaande corruptie nog grootschaliger en brutaler wordt.'

Niming staat uitgebreid stil bij de traditie van protest in China en hoe deze enerzijds nogal sterk verschilt van zulke tradities in 'het Westen' en anderzijds een opmerkelijke continuiteit vertoont met het protest in het oude China. In het oude China regeerde de keizer bij de gratie van een 'Hemels Mandaat' en was de belangrijkste check op zijn absolutistische heerschappij het meestal moralistische, zich op dezelfde Confucianistische bronnen beroepende protest door middel van petities van de kant van studenten en intellectuelen. Er was zelfs sprake van een ' aloude petitieplicht van de oprechte ambtsdrager die de keizer confronteert met zijn dwalingen'. Niming beschouwt onder andere de 4 Meibeweging van 1919, de Honderd Bloemenperiode van 1957, in sommige opzichten de Culturele Revolutie, de beweging die leidde tot het 'Tian'anmen Incident' van 5 april 1976, de Muur van de Democratiebeweging van 1978 en, als voorlopig hoogtepunt, de 'beweging' van 1989 in dit licht. Hij benadrukt dat voor zover en zolang bewegingen geloofwaardig blijven als bewegingen van petitionering zij grote steun kunnen hebben onder de bevolking; en dat na 1949 diverse facties binnen de elite vaak probeerden de bewegingen te mobiliseren tegen hun rivalen - waarmee de bewegingen natuurlijk een deel van hun onafhankelijkheid en geloofwaardigheid verloren. Het hoofdstuk geeft tevens een, zij het summiere, chronologie van het protest van 1949 tot 1989.

BURGEROORLOG

De laatste twee hoofdstukken gaan over de gebeurtenissen in 1989 en de conclusies die men daaruit kan trekken. Nimings conclusies en voorspellingen stemmen uiterst somber. Hij constateert dat het nu voor Deng Xiaoping, wil hij een geloofwaardige positie als 'onafhankelijk scheidsrechter' in de factiestrijd opbouwen, dringend noodzakelijk is een levensvatbare hervormingsgezinde factie te creeren. Maar zijn marges zouden smal zijn, en zelfs als hem dit zou lukken, is het de vraag of een door die factie geentameerde vreedzame dialoog met de oppositiebeweging nog mogelijk is. Want deze laatste is inmiddels, door het 'leerproces' dat Niming in 1989 zowel 'beweging' als bevolking ziet doormaken, het stadium van petitionering ontgroeid. Het waarschijnlijkst acht Niming nog een uitermate bloedige burgeroorlog, al dan niet na een openlijke splitsing in het leger.

De belangrijkste verdienste van Nimings boek is dat hij '1989' plaatst in relevante contexten. Daarbij toont hij zich, ondanks zijn scherpe veroordeling van het huidige regime, ook betrekkelijk genuanceerd. Zo erkent hij dat het regime ooit een vrij grote mate van legitimiteit had, dat men, althans tot de Culturele Revolutie, veel minder dan in de Sovjet-Unie, op dwang wilde terugvallen, en dat het geloof van Mao in de kracht van 'de massa's' als tegenwicht tegen de terreur van de bureaucratie waarschijnlijk oprecht was. Een positief punt is ook de aandacht die Niming heeft voor de symboliek in de 'beweging' en in veel van haar voorlopers (en voor de continuiteit daarin). Hier ziet men dat dit boek vol politicologische analyses toch het boek van een antropoloog is.

Toch kent niet alleen China, maar ook dit boek over China een aantal paradoxen. Niming wijst bijvoorbeeld op het zeer grote belang van clienteles in de Chinese politiek. Maar daarnaast wijst hij op het zeer grote belang van de bureaucratie en op dat van de ideologie. Nu sluiten de drie elkaar bepaald niet uit, maar de lezer zou wel gebaat geweest zijn met enig inzicht in het relatieve belang van, of de interactie tussen de drie verschijnselen. Verder vermoedt de lezer steeds dat de Culturele Revolutie in de recente Chinese geschiedenis een 'scharnier' geweest is: enerzijds, althans in de oorspronkelijke intenties van zijn protagonisten, te plaatsen in de traditie van protest, anderzijds de nachtmerrie van de huidige vertegenwoordigers van die traditie. Over die 'revolutie' is toch inmiddels wel wat meer bekend? - Niming laat ons in het ongewisse. Verder: Niming geeft op diverse punten blijk te kunnen onderscheiden tussen het grotere of minder grote belang dat verschillende lagen van de bevolking hebben bij het voortbestaan van het huidige regime, maar hij heeft het vooral aan het eind van zijn boek steeds, haast de terminologie van het bewind overnemend, over 'het volk', 'de bevolking', enzovoort.

NIET VRIJ

Een laatste bezwaar lijkt mij het belangrijkst, en dat is dat Niming onderzoek deed in Peking. En dat hij dat bovendien nog voor een groot deel deed onder speciaal voor hem geselecteerde mensen: hij geeft uitdrukkelijk aan dat hij bij zijn interviews verre van vrij was in zijn keuze van respondenten (zonder overigens voldoende te verantwoorden hoe die keuze dan wel tot stand

kwam). Antropologisch onderzoek in de grote stad is een door antropologen al vrij lang vrij algemeen geaccepteerde activiteit, maar dat betekent niet dat onderzoeksresultaten op basis van interviews met een beperkt aantal en dan ook nog geselecteerde mensen binnen Peking voor China als geheel kunnen worden gegeneraliseerd. Verreweg het grootste deel van de Chinezen leeft op het platteland - en het lijdt geen twijfel dat de leefsituatie van de mensen daar, en de impact van '1989', heel anders is dan in Peking. Zelfs is het niet waarschijnlijk dat de mensen die Niming interviewde, representatief zijn voor de bevolking van Peking.

Waarschijnlijk is antropologisch onderzoek in China onder het huidige regime vrijwel onmogelijk. Misschien moet men, wil men een beeld geven van hoe mensen in China leven, wel zo ver gaan als de Britse journaliste Vanya Kewley, die in 1988 onder haast onmenselijke omstandigheden clandestien, geholpen door plaatselijke verzetsgroepen door Tibet reisde en niet door de autoriteiten geselecteerde mensen interviewde (zie haar Tibet - Behind the Ice Curtain, op pagina 3). Wellicht moet men behalve antropoloog en sinoloog ook nog avonturier zijn - net als trouwens een aantal van de beste 'verslaggevers' van de strijd van Mao voor 1949 (zie bijvoorbeeld het nog altijd schitterende China Shakes the World van Jack Belden). Helaas blijft in elk geval Nimings boek een boek van een antropoloog, maar geen 'levensecht' antropologisch boek.

Wel vraagt men zich na lezing van dit boek angstig af hoe het verder moet met China. Amnesty meldt dat de repressie ernstiger is dan in jaren het geval was. Als partijsecretaris is de kleurloze Jiang Zemin benoemd - bepaald niet de geloofwaardige hervormer die Deng Xiaoping zo nodig heeft. En intussen publiceert Deng zijn literaire werken, wellicht ter inleiding van nieuwe zuiveringen onder kunstenaars en intellectuelen.

Op het scherp van de snede: Achtergronden en ontwikkeling van de volksbeweging in China, Beijing - voorjaar 1989

door Frank Niming

221 blz., Kok Agora 1990, f29,50

ISBN 9024276713