Tijd voor Thatcher eindelijk rijp

ROTTERDAM, 6 okt. De tijd was rijp om kwart voor drie gistermiddag, Greenwich mean time. In telefonisch overleg met de Europese centrale banken kondigde Groot-Brittannie aan dat het Britse pond zal toetreden tot het Europese Monetaire Stelsel (EMS). Daarmee kwam een onverwacht einde aan de langdurige speculatie over de vraag wanneer mrs. Thatcher, de Britse premier, zou vinden dat de tijd gekomen was om de koersvrijheid van het pond ondergeschikt te maken aan de disciplinerende werking van het EMS.

Zelfs voor de meest direct betrokkenen, de Europese centrale bankiers, kwam de aankondiging van gistermiddag als een totale verrassing. Eergisteren, tijdens de viering van het jubileum van de SER in Den Haag, zei de president van de Nederlandsche Bank dr. W. F. Duisenberg nog met stelligheid: 'Groot-Brittannie zal op korte termijn niet toetreden tot het EMS. Het hoge inflatie percentage fungeert voorlopig als onneembare barriere.'

Sinterklaasavond 1978 was het moment voor toetreding van het pond zeker nog niet aangebroken. In Brussel besloten de Europese regeringsleiders toen tot de oprichting van het Europese Monetaire Stelsel als opvolger van de 'slang', een eerste poging om de wisselkoersen van de Europese munten te stabiliseren. De Britten waren in 1972 na twee maanden al uit de slang gestapt.

Nederland werd die winteravond van 1978 vertegenwoordigd door premier Van Agt en minister Van der Klauw, die niet begrepen dat ze getuigen waren geweest van de eerste, historische stap naar een Europese munt. 'Mijne heren, wij hebben de ganse nacht gesproken over zaken die een eenvoudige premier boven de pet gaan', commentarieerde Van Agt.

Het EMS was het geesteskind van Helmut Schimdt, de Westduitse bondskanselier, en de Franse president Giscard d'Estaing. In Groot-Brittannie was premier Callaghan nog aan de macht en hij vreesde dat het EMS de Labourregering tot grotere discipline zou dwingen.

Dus begon het EMS met als deelnemers West-Duitsland, Denemarken, Frankrijk, Ierland, de Benelux en Italie. De valuta van deze landen zouden voortaan niet meer dan 2,25 procent naar boven of beneden mogen afwijken van hun spilkoers; alleen de Italiaanse lire kreeg een marge van 6 procent.

De officiele start van het EMS op 13 maart 1979 viel nagenoeg samen met de verschijning van mrs. Thatcher op het Britse politieke toneel. Op 4 mei 1979 wonnen de Conservatieven de verkiezingen. Thatcher zette op een punt de Labour-politiek van haar voorganger voort: ze stond zeer afwijzend tegenover het experiment met het EMS.

Het succes van het EMS was aanvankelijk gematigd. De onderliggende economische fundamenten van de deelnemende landen liepen sterk uit elkaar: Frankrijk koerste naar een expansief beleid terwijl de Bondsrepubliek trachtte de inflatie te beteugelen. Het was onmogelijk om de nagestreefde stabiliteit van de wisselkoersen te bereiken. In oktober 1981 werden de spilkoersen in het EMS voor het eerst aangepast, maart 1983 was de chaos compleet.

'Dat was het dieptepunt', zei eens dr. A. Szasz, directeur van de Nederlandsche Bank en vanaf het begin betrokken bij de Europese monetaire integratie. 'De somberste verwachtingen leken uit te komen. De EMS-landen hadden wel de technische zaken geregeld, maar niet de beleidscoordinatie. Dan ontkom je niet aan koersaanpassingen.'

Voor Nederland was de herschikking van 1983 pijnlijk: ondanks advies van president Duisenberg om de revaluatie van de D-mark te volgen, besloot minister van financien Ruding de gulden achter te laten blijven bij de mark. Dat was aan het begin van het herstelbeleid van het kabinet Lubers goed voor de exportpositie van Nederland, maar slecht voor de geloofwaardigheid in de hardheid van de gulden. Nederland heeft jarenlang voor die beoordelingsfout moeten betalen in de vorm van een hogere rente.

Na de crisis van 1983 gooide Frankrijk zijn beleid om en schikte het zich naar de Duitse hegemonie in het EMS. Weliswaar volgden in 1986 (met Pasen in Ootmarssum) en begin 1987 (onder Franse dwang) opnieuw herschikkingen, maar sindsdien is het rustig in het EMS. Het beleid van de deelnemende landen werd steeds nauwer onderling afgestemd. In 1987 werden in het Deense dorp Nyborg bovendien afspraken gemaakt om de werking van het EMS te verfijnen.

Inmiddels heeft Italie de lire ondergebracht in de 'smalle band' van 2,25 procent. Spanje is dit jaar tot het EMS toegetreden, voorlopig met een afwijkingsmarge van 6 procent.

In Groot-Brittannie volhardde premier Thatcher intussen in haar afwijzing van Europese monetaire stabiliteit. Het pond, zei ze in 1986, zou tot het EMS toe treden als de Britse economie 'sterk genoeg' was. 'We worden sterker en op een dag zullen we erin stappen'. Sindsdien heeft ze, tot vervelens toe, herhaald dat het pond zal toetreden tot het EMS 'als de tijd daarvoor rijp is'.

Terwijl de Bank of England, het ministerie van financien en een steeds groter deel van de City voor toetreding kozen, werd Thatcher gesteund door haar economische adviseur prof. Alan Walters. Hij verwierp het argument dat het EMS een alternatief instrument is voor het rentewapen om de Britse inflatie die voortdurend hoger is dan die in de EMS-landen te bedwingen of om het pond stabiliteit te geven.

Toen vorig jaar minister van financien Nigel Lawson aftrad uit onenigheid met Thatcher over het monetaire beleid, verdween ook Walters van het toneel. De nieuwe minister van financien, John Major, was politiek flexibeler en wist te bereiken dat Thatcher zich verplichtte tot toetreding van het pond in het kader van het proces van Europese monetaire eenwording (EMU).

Deze zomer, op 1 juli, ging de eerste fase van EMU in. In die fase moeten de valuta van alle lidstaten worden ondergebracht in de smalle marges van het EMS. Toen Groot-Brittannie zich daaraan eenmaal gebonden had, was toetreding van het pond nog slechts een kwestie van tijd. Zoals mrs. Thatcher altijd al gezegd had.