Ongeboren mest

De twee directeuren van de Hilversumse Vee- en Vleeshandel BV zijn niet gekomen. Anderhalve maand eerder zijn zij door de economische politierechter in Amsterdam gedagvaard. Hun advocaat, mr. G. J. R. van der Kolk, tracht voordat het proces werkelijk begint de behandeling van de zaak te voorkomen. De dagvaarding is volgens hem nietig omdat het bedrijf van zijn clienten niet expliciet voor de economische politierechter is gedagvaard, maar voor de politierechter zonder meer. ' Dat maakt het Openbaar Ministerie in deze zaak niet ontvankelijk, ' zegt hij.

De directieleden van het Hilversumse slachtbedrijf worden in totaal van 19 strafbare feiten beschuldigd. Het gaat ten eerste om het dumpen van slachtafval en zogenoemde 'ongeboren mest' op een weiland bij woonwagencentrum De Egelshoek bij Hilversum. Met 'ongeboren mest', zo legt de officier van justitie later met lichte walging uit, wordt de maag- en darminhoud van slachtvee bedoeld.

Verder is bij vleeskeuringen vastgesteld dat het Hilversumse abattoir met hormonen behandeld rundvee heeft geslacht. Ook heeft de controleur van de veterinaire inspectie smerige toestanden aangetroffen in de slachtinrichting en tenslotte heeft het bedrijf volgens de telastelegging de Hinderwet overtreden door vlees te laden en te lossen voor zeven uur 's ochtends. Voor de verschillende zaken worden telkens zowel het bedrijf als de afzonderlijke directeuren, als verantwoordelijken en leidinggevenden, strafbaar gesteld. Daardoor moeten officier, rechter en griffier zich bij aanvang van het proces ritselend een weg zoeken door een grote stapel gele en blauwe formulieren. Voor twee feiten blijken papieren zoek. De politierechter, mr. T. G. van der Schroeff, concludeert: ' Geen blauwtje? Dan is de zaak nietig.'

Het verzoek van de advocaat om het openbaar ministerie niet ontvankelijk te verklaren gaat de politierechter wat te snel. Hij wil eerst eens beginnen met de zitting. Officieel wordt vastgesteld dat de beide directieleden van het Hilversumse slachtbedrijf niet zijn komen opdagen. Officier van justitie, mr. A. M. Fransen, verleent verstek, dat wil zeggen dat de zaak wat hem betreft in afwezigheid van de verdachten kan worden afgedaan. In reactie op de trouvaille van de raadsman stelt Fransen dat de dagvaarding niet per se expliciet hoeft te zijn in de vermelding van de economische politierechter. 'Het verweer dat het niet begrepen zou hebben voor welke rechter men zou moeten verschijnen houdt geen stand, ' meent hij. Politierechter Van der Schroeff maakt een definitief eind aan het verweer door wat jurisprudentie van de Hoge Raad uit zijn mouw te schudden die de stelling van de officier bevestigt.

Raadsman Van der Kolk probeert tenslotte de zaak aan te laten houden. Zijn bijstand is pas vier dagen geleden ingeroepen door ' allerlei perikelen rond de vakanties van de diverse directeuren, ' zodat hij zijn verdediging niet heeft kunnen voorbereiden.

De politierechter is het echter roerend eens met de officier van justitie dat van uitstel geen sprake kan zijn. De advocaat gooit vervolgens de handdoek in de ring. ' Ik kan de verdediging niet doen, ' zegt hij, ' Ik kan echt niet voor de heren spreken.' Vanaf dat moment telt zijn aanwezigheid in de zaal niet meer mee. De directeuren van het slachtbedrijf hebben misgegokt: in plaats van uitstel levert hun vertragingstechniek een proces zonder weerwoord op.

De politierechter besluit voortvarend tot afdoening: ' De zaak wordt bij verstek afgedaan. En ik zal u zeggen waarom, meneer de officier. De beide heren hebben een royaal verleden van economische delicten daarom mogen ze er niet op rekenen dat er aanhouding kan worden verleend voor deze serie delicten.'

Begonnen wordt met de hormonenzaak. De officier heeft gezegd dat de onderneming in het slachthuis vlees voorhanden heeft gehad waarin sporen werden aangetroffen van medroxyprogresteronacetaat. ' Een moeilijk woord maar het gaat in ieder geval om een stof met androgene werking.'

De politierechter leest nu voor uit het rapport van de keurmeester, opgemaakt op 12 december 1988. De keurmeester schrijft dat hem acht vette kalveren ter keuring werden aangeboden. ' Na slachting ontdekte ik een spuitplek in de hals van een van de kalveren. Ik heb de plek uitgesneden, verpakt, verzegeld en opgestuurd naar Wageningen. Onderzoek wees uit dat het kalf inderdaad met hormonen was bewerkt. Het karkas van het kalf is later afgevoerd voor destructie.' Een van de directeuren verklaarde hierover: ' Zonder dat ik het wist heb ik een kalf in voorraad gehad en geslacht waaraan hormonen waren toegediend.'

Drie maanden later, op 16 februari 1989, keurt een keurmeester twee 'zware koeien' na slachting. ' Bij het keuren van de eerste koe vond ik in eerste instantie geen spuitplek. De tweede koe was qua beeld en bevlezing van hetzelfde luxe type als de eerste.' De keurmeester krijgt argwaan en onderzoekt het 'darmpakket' van de tweede koe en daar vindt hij een spuitplek bij het aarseinde. Vervolgens ontdekt hij ook spuitplekken bij het reeds van goedkeuringsstempels voorziene karkas van de eerste koe. De plekken worden weer uitgesneden, verpakt, verzegeld en opgestuurd voor onderzoek, waarna blijkt dat de dieren hun uitbundige spierweefsels te danken hadden aan testosteroninjecties.

In dit geval blijken de koeien, die gedurende het onderzoek waren weggehangen in een aparte koelcel, zes dagen later verdwenen. Een der directeuren heeft verklaard dat de koeling van de ruimte waar de bewuste karkassen hingen defect was geraakt. De runderen werden daarom opgeslagen in een andere cel bij voor verkoop bestemd vlees. Op een zeker moment zouden ze echter zijn 'opgeruimd'. Justitie gaat er vooralsnog vanuit dat het vlees gewoon verkocht is.

Over het overtreden van de Hinderwet door te werken voor zeven uur 's ochtends is proces verbaal opgemaakt door een politieman. Van der Schroeff leest: ' Om tien voor half zeven zagen wij ter plaatse een aantal mannen in witte overalls bezig met het overladen van vlees. Hierbij stond een der deuren van de slachtinrichting half open.' Een der directieleden verklaarde hierover dat ' die deur open stond omdat hij kapot was'. Maar hij gaf toe dat er door het slachtbedrijf op dat tijdstip diverse slagers bevoorraad worden.

In maart vorig jaar stelde de controleur van de veterinaire inspectie na een bezoek aan het slachthuis een rapport op waarin onder meer sprake is van 'zeer vuile douchekoppen', messen met 'aangekoekt oud vuil en bloed' en vleesresten in een putje. Een der directeuren heeft toegegeven dat het slachthuis op dat moment 'smerig' was. ' Maar er was dat weekeinde geen warm water om de zaak goed schoon te maken. Het doet zich steeds voor in de weekeinden dat er onvoldoende heet water is. Ik heb nu mijn medewerkers opdracht gegeven de zaak grondig te reinigen.'

Politierechter van der Schroeff kijkt even op, pakt dan een volgende map en leest verder.

Op 1 februari 1989 kreeg de politie in Hilversum meldingen binnen dat er op een weiland bij de Egelshoek, een woonwagenkamp, mest was gestort die een ondraaglijke stank verspreidde, leest de rechter. Een agent gaat op onderzoek uit en hoort dat het Hilversumse slachthuis enige keren per week 'ongeboren mest' stort op het perceel. Een directeur van het slachthuis wordt gebeld en die belooft dat er een eind gemaakt zal worden aan het storten.

Als de agent enige dagen later poolshoogte neemt, ziet hij op het terrein een mesthoop met daarin ook slachtafval. Er is sprake van honden en vogels die op het rottend vlees afkomen. Over de omwonenden staat in het proces verbaal: ' Hoewel zij zelf veehouders waren verklaarden zij nimmer zulke mest geroken te hebben.'

Als de klachten blijven aanhouden wordt de AID ingeschakeld. Wederom belooft het slachthuis beterschap, maar nog steeds gebeurt er in werkelijkheid weinig. De directeur van het transportbedrijf dat de containers 'ongeboren mest' naar het perceel vervoert, heeft verklaard: ' Ik weet dat mest direct uitgereden moet worden maar daartoe had ik geen opdracht.'

In zijn requisitoir noemt de officier van justitie het 'totale pakket' door de ' cumulatie van belangen in de sfeer van milieu en volksgezondheid zeer ernstig'. Over de hormonenkwestie zegt hij bijvoorbeeld: ' Wij in Europa hebben bezwaren tegen vlees dat met hormonen is behandeld.' Hij acht het slachthuis zelf aansprakelijk voor het aangetroffen hormoonvlees. ' Een slachtbedrijf kan er wel eens mee geconfronteerd worden. Maar in dit geval is ook eerder proces verbaal opgemaakt. Bovendien is in het economisch strafrecht een ieder in de keten verantwoordelijk voor wat hij zelf doet.'

De officier eist hoge boetes. Tegen de BV vraagt hij bij elkaar 65 duizend gulden, een directeur wordt aangeslagen voor negenduizend gulden en de andere voor vierduizend.

De advocaat noteert de eis en zwijgt. De rechter komt voor een feit (de onzindelijke toestand van de slachterij) tot vrijspraak van een der directeuren. Dat scheelt het betreffende directielid duizend gulden. Voor het overige veroordeelt hij het bedrijf en de directie conform de eisen van de officier. ' Ik leg deze straffen op wegens de kennelijke hardnekkigheid waarmee de directeuren het bedrijf leiden, ' zo besluit hij. Tegen zichzelf mompelt hij: ' Ik heb niets overgeslagen, hoop ik.' En hij werpt nog eens een bezorgde blik op alle gele en blauwe formulieren.

    • Frank Vermeulen
    • de Rechtszaak