Journalist bepaalt financiele markt; Hetvalse-primeur-virus

Een opschrijfboekje, een pen en een paar kwartjes voor de telefoon. Daaruit bestond sinds jaar en dag de standaarduitrusting van een journalist die naar een persconferentie werd gestuurd. Dit gereedschap is uit de tijd geraakt. Een beetje journalist in het internationale circuit is tegenwoordig uitgerust met een draagbare telefoon.

De Japanners zijn ermee begonnen en inmiddels is het verschijnsel doorgedrongen tot de Angelsaksische pers. Althans: tot de persbureaus. De dagbladjournalisten hebben hun stiel nog niet gewijzigd; dat blijft veredeld handwerk. Alleen de telefoonkwartjes zijn vervangen door een creditkaart van een particuliere telefoonmaatschappij. Maar het zal mij niet verbazen als over een paar jaar een gebeurtenis zoals de val van minister Braks vanuit de Tweede Kamer gevolgd wordt door journalisten die telefonisch met hun redactie in contact staan vanaf de perstribune.

De internationale concurrentie tussen de persbureaus op financieel-economisch terrein is moordend. Wie het eerste een uitspraak over de koers van de dollar, over de Duitse rente of over de prijs van olie op het net zet, beinvloedt de markten. En dat geeft een kick. De achtergrond van het nieuws speelt geen enkele rol meer. Het gaat om een quote van een minister of een centrale-bankpresident. Die zijn vanuit de vergaderzaal of tijdens de persconferentie eenvoudig door te bellen met een draagbare telefoon.

De journalisten van persbureaus volgen niet langer het nieuws, ze maken de markt. Vorige week, na de jaarvergadering van het IMF en de Werelbank in Washington, hield de president van de Bundesbank, Karl-Otto Pohl, een lezing voor een Amerikaans genootschap van economen. Achter in de zaal zaten verslaggevers van Reuter, AP Dow Jones, Knight Ridder, Market News en enkele andere gespecialiseerde financiele nieuwsagentschappen.

Pohl vertelde uit de losse pols over de Duitse eenwording, het publiek luisterde geboeid naar deze innemende Duitser. De journalisten wachtten af. Totdat Pohl zei dat de rente de komende tijd hoog zal blijven in Duitsland. Het was geen nieuws, woorden van dergelijke strekking had hij al talloze keren eerder uitgesproken. Maar de journalisten van de persbureaus sprongen tegelijkertijd op, aangestoken door het valse-primeur-virus, renden de zaal uit en belden met hun portable phones naar hun bureaus om de zin door te geven: Bundesbank president Poehl says German interest rates will remain high.

Enkele minuten later verschijnt zo'n zinnetje wereldwijd als een flash op de schermen van de handelaren bij de banken, de effectenhuizen en de valutakantoren. Gesterkt door de verzekering van hoge rente ging de D-mark vervolgens in koers omhoog.

Het kan ook anders uitpakken. Kort geleden sprak Pohl over de toekomstige Europese monetaire unie. Met een verwijzing naar de hoge Britse inflatie zei hij dat het onmogelijk is om landen met grote inflatieverschillen onder te brengen in een stelsel met een Europese munt. De opmerking sloeg niet op de binnenkort verwachte toetreding van Groot-Brittannie tot het Europese Monetaire Stelsel, maar zo werd hij wel geinterpreteerd door een aanwezig persbureau. Dat meldde: Pohl tegenstander van toetreding van het pond tot het EMS. Het pond kelderde met pfennigs tegelijk en het kostte de Britse minister van financien Major de grootste moeite om het misverstand en de koersval ongedaan te maken.

Soms is het lachen, met die snelle nieuwsmakers. Alweer een paar jaar geleden, toen de monetaire autoriteiten zich nog zorgen maakten om de koers van de dollar en geregeld intervenieerden om de dollarkoers te steunen, zei een hoge functionaris eens tegen het persbureau Reuter: 'Er is geen reden om te intervenieren.' Hij bedoelde: alles is rustig vandaag. Maar nadat het persbureau die uitspraak op het net had gezet, interpreteerden de markthandelaren dat als een oproep tot vrij speculeren op een dalende dollar. Het gevolg was dat de dollar onmiddellijk wegzakte en de centrale banken enkele uren later gedwongen waren met interventies de koers te steunen.

Of neem de journalist van AP Dow Jones, die opdracht kreeg bij een belangrijke vergadering van OPEC-ministers in de lift te gaan staan. De hele dag ging hij omhoog en omlaag in het Weense Intercontinental Hotel, in de hoop een sjeik in de lift te zullen treffen. Hij had geluk en sjeik zo-en-zo vertelde hem dat zojuist besloten was de bijeenkomst een dag te verlengen. Onenigheid in de OPEC! Zodra die mededeling op het net verscheen, kelderde de olieprijs. Pas een kwartier later volgde de officiele aankondiging van de verlenging en kwamen concurrerende persbureaus met hetzelfde bericht.

In de strijd om de citaten en het laatste nieuws zijn dagbladjournalisten in het nadeel ten opzichte van het legertje goed uitgeruste verslaggevers van de persbureaus. Er bestaat een belangrijk verschil tussen beide categorieen journalisten: ze bedienen verschillende soorten klanten. Persbureaus hebben zich meer en meer op de lucratieve financiele dienstverlening geworpen als informatieverstrekkers aan particuliere afnemers. Hun 'lezers' zijn professionals: de bankiers, zakenlieden en de handelaren achter hun elektronische koersschermen.

Dagbladjournalisten hebben een voordeel. Persbureaus moeten financiele markten bedienen die 24 uur open zijn. Een krant komt een keer per etmaal uit. Dat geeft tijd wat verder te graven, of wat meer structuur in een artikel te brengen dan uitsluitend het citaat van de dag. En die draagbare telefoon komt er toch wel.

    • Roel Janssen