Herverdeling inkomens specialist met ten minste half jaarvertraagd

DEN HAAG, 6 okt. De herverdeling van de inkomens van de medische specialisten kan op zijn vroegst op 1 januari worden verwezenlijkt. Deze maatregel, een van de belangrijkste onderdelen van het 'vijfpartijenakkoord', is ten minste met een half jaar vertraagd. Nieuwe tarieven die ertoe moeten leiden dat de inkomensverschillen tussen de diverse specialismen kleiner worden, hadden er al op 1 juli moeten zijn.

Vooral de ongeveer 600 kinderartsen voelen zich gedupeerd door de vertraagde uitvoering van het zogenoemde vijfpartijenakkoord. De vijf betrokken partijen drie organisaties van ziektekostenverzekeraars, de Landelijke Specialisten Vereniging (LSV) en de Nationale Ziekenhuisraad zijn dit akkoord voor drie jaar aangegaan, waarvan al bijna een jaar is verstreken.

Een van de voornaamste oorzaken van de vertraging is de moeizame verwerking van de gigantische hoeveelheid informatie die ziekenfondsen en particuliere ziektekostenverzekeraars moeten aanleveren om wijziging van tarieven mogelijk te maken. Aan de hand van die gegevens, ontleend aan declaraties van specialisten, worden de nieuwe tarieven vastgesteld. De vijf partijen hebben het Centraal Orgaan Tarieven Gezondheidszorg (COTG) deze week laten weten dat er voldoende gegevens binnen zijn om de tarieven te kunnen vaststellen.

Aan deze vaststelling dient echter een besluit van het kabinet vooraf te gaan, want zolang de Wet Inkomens Vrije Beroepsbeoefenaren (WIVB) nog van kracht is, kan het COTG geen kant op. Oud-minister G. M. V. van Aardenne, architect van het vijfpartijenakkoord en woordvoerder van de vijf partijen, zegt aanwijzingen te hebben dat het kabinet binnenkort aan die voorwaarde zal voldoen. Bij het COTG wijst men erop dat een kabinetsbesluit alleen niet voldoende is. Daar kan men pas aan de slag als de wet is gewijzigd.

Tien jaar lang probeerde de overheid afspraken te maken met de specialisten over de hoogte van hun inkomens. Met het vijfpartijenakkoord, dat vorig jaar juli dank zij bemiddeling van Van Aardenne tot stand kwam en waarmee het kabinet twee maanden later instemde, kwam een einde aan de strijd over de inkomens en was het vertrouwen tussen de partijen weer hersteld.

Een voor de overheid cruciaal onderdeel van het akkoord is dat het totale bedrag (macrobudget) voor specialistische hulp tot en met 1992 is bevroren. Jaarlijks gaat het om bijna 2,1 miljard gulden. De specialisten moeten binnen de LSV uitvechten hoe dat geld wordt verdeeld. Het kabinet hechtte een voorwaarde aan zijn goedkeuring van het akkoord: de tarieven van de specialisten met de laagste inkomens mogen pas omhoog als de tariefverlaging voor de hoogste inkomensgroepen is doorgevoerd.

De best betaalde specialisten zouden er al op 1 juli van dit jaar op achteruit gaan. Tegelijkertijd zouden de tarieven van de specialisten met de laagste inkomens worden verhoogd. In sommige gevallen gaat het om forse ingrepen: de tarieven van de hart-longchirurgen dalen tot eind 1992 met 30 procent. Doordat de stap die voor dit jaar was gepland, een tariefverlaging van 10 procent, niet doorgaat, blijven deze specialisten voorlopig te veel verdienen. Van Aardenne wil geen bedragen noemen, maar beaamt dat ze aanzienlijk zijn.

De Nederlandse Vereniging voor Kindergeneeskunde kreeg donderdag van het bestuur van de LSV, die zich bijzonder heeft ingespannen voor de herverdeling van de inkomens, te horen dat de kinderartsen niet hoeven te rekenen op een extra financiele compensatie nu hun tarieven ten minste een half jaar later dan de bedoeling was, omhoog gaan. Zij namen genoegen met de toezegging dat er op een andere manier aan compensatie wordt gewerkt, aldus J. D. van Gool, secretaris van de Vereniging voor Kindergeneeskunde en kinderarts in het Wilhelmina Kinderziekenhuis in Utrecht. Daarbij wordt gedacht aan voorrang voor kinderartsen bij de instroom van nieuwe specialisten, waarover in het vijfpartijenakkoord ook afspraken zijn gemaakt. Van Gool hoopt dat deze niet financiele compensatie ertoe zal bijdragen dat de praktijken kunnen worden uitgebreid.

Met name in die kleine praktijken doen zich situaties voor die het vak er niet aantrekkelijker op maken. J. Verhagen, lid van de beroepsbelangencommissie van de Vereniging voor Kindergeneeskunde, geeft een voorbeeld. 'Als een kinderarts in een tweemanspraktijk drie weken met vakantie gaat, moet zijn collega drie weken lang dag en nacht werken. Dat gaat onvermijdelijk ten koste van de kwaliteit.' Van Gool: 'Het kost grote moeite om een- of tweemanspraktijken van kinderartsen draaiende te houden. Kinderartsen die er een collega bij willen hebben, adverteren zich momenteel bont en blauw'.

De tariefverhoging zou ertoe kunnen bijdragen dat vacatures in kleine praktijken gemakkelijker worden vervuld, verwacht Verhagen, die kinderarts is in het Rijnstate-ziekenhuis in Arnhem. Ook uitbreiding van die praktijken zou dan een stuk eenvoudiger zijn. 'Als er niets verandert, komen kleine ziekenhuizen onvermijdelijk zonder kinderartsen te zitten.'

De afgelopen tien jaar heeft er op het werkterrein van de kinderartsen een grote verschuiving plaatsgehad, aldus de Arnhemse kinderarts. Steeds meer kinderziekten en -aandoeningen kunnen worden behandeld. Vooral de behandeling en acute opvang van pasgeboren baby's kost veel meer tijd dan vroeger. Verhagen: 'De onregelmatigheid in het vak is ontzettend toegenomen.' De honorering heeft echter geen gelijke tred gehouden met die ontwikkeling. Voor een aantal belangrijke werkzaamheden krijgt de kinderarts zelfs geen cent. 'Als er bijvoorbeeld een zuigeling overlijdt of als er een geval van wiegedood is, stuurt de arts de ouders meestal door naar de kinderarts, omdat die daarover vaak het beste kan praten. Dat zijn vaak lange gesprekken. Natuurlijk moet dat werk worden gedaan tenslotte moet iemand het doen maar het mag wel eens worden gehonoreerd. Dat gebeurt nu niet.'

'Er is tegenwoordig zoveel te doen over wachtlijsten in de gezondheidszorg', zegt Verhagen. 'Weet u waarom die er bij de kinderartsen niet zijn? Omdat we het ons niet kunnen permitteren om kinderen te laten wachten. Als je 's nachts uit bed wordt gebeld voor een baby van 1.000 gram die een infuus nodig heeft, kun je niet zeggen dat je dat de volgende dag wel doet. Ook bij vroeggeboortes, kinderen met stuipen of ademhalingsmoeilijkheden moet je er zo snel mogelijk bij zijn. Het is een vrij acuut specialisme. In 50 procent van de gevallen gaat het om hulp die meteen moet worden verleend. Dat maakt het vak zo zwaar.'