Dineren met een dictator

Een ambassadeur, schreef de Engelse diplomaat sir Nevile Henderson enkele jaren na de oorlog, is een staatsdienaar die als zodanig vele dingen doet waartegen zijn gemoed in opstand komt. Henderson had daarmee zelf ruime ervaring opgedaan. Voor de oorlog in de cruciale jaren '37 en '38 had hij als gezant van Engeland in Berlijn bijna dagelijks opdrachten uitgevoerd die hem persoonlijk zeer hadden tegengestaan, zoals het 'nauw met de nazi's omgaan'. Zijn memoires, waarin hij dat schreef, verschenen in 1948 en wellicht was zijn herinnering aan de periode waarin hij zich van die vervelende plichten had gekweten toen al enigszins verbleekt. Maar waarschijnlijker is dat Henderson zich de ware toedracht van zijn Berlijnse plichtsbetrachting niet nauwkeurig meer wilde herinneren en zijn rol in zijn memoires dienovereenkomstig had gefatsoeneerd een omgekeerde ijdelheid waaraan maar weinig diplomaten die zich aan gedenkschriften te buiten gaan ontkomen. Want in zijn Berlijnse jaren (waarover hij in 1939 een boek schreef, 'Failure of a Mission', dat geen enkel spoor van tegenzin in zijn omgang met de nazi's verraadt) had Henderson op zeer goede voet met Goebbels gestaan. Hij stond zo onder de bekoring van Goebbels' persoonlijkheid ('a jolly good fellow') dat hij geen gelegenheid voorbij liet gaan diens gezelschap te zoeken. Als deze hem uitnodigde voor een jachtpartij in Oost-Pruisen, was Henderson als eerste met een geveerd hoedje van de partij. Daarbij gaf de Engelse gezant meer dan eens in het openbaar uiting aan zijn bewondering voor de organisatorische kracht van de nazi's. Henderson ging in zijn ijver zo ver dat hij zelfs hun massale propaganda-bijeenkomsten bezocht (wat de meeste andere buitenlandse diplomaten hardnekkig weigerden) en daarover geestdriftige rapporten aan Londen stuurde. Hij legde zijn geloof in de goede bedoelingen van Hitler c.s. er zo dik bovenop dat een cynicus als Vansittard, diplomaat die ook tot het kamp van de appeasers behoorde, hem van hysterie betichtte.

Een nazi-sympathisant was Henderson weliswaar niet, maar hij dreef zijn plichtsbetrachting toch verder dan nodig was. Daardoor werd hij, of hij het wilde of niet, een propaganda-werktuig voor de nazi's. 'Failure of a Mission' is van het begin tot het einde doortrokken van het naieve optimisme dat Hitler niet tot vijandelijkheden buiten de grenzen van Duitsland zou overgaan zolang Engeland hem aan de onderhandelingstafel wist te binden en uberhaupt meer voor rede vatbaar was dan zijn vijanden wilden geloven.

Dat Henderson Hitlers militaire plannen en zijn territoriale ambities niet doorzag, was al erg genoeg, maar nog erger was dat hij zich een instrument van de Voorzienigheid waande en zichzelf beschouwde als een boodschapper met een hogere missie, die naar Berlijn was gestuurd om in zijn eentje de wereld voor een tweede wereldoorlog te behoeden. Hij liet dan ook weinig na om bij de Duitsers in het gevlei te komen en smolt als was in de handen van de nazi's die deze Engelse zwakzinnigheid met wellust exploiteerden. Hitler kon hem op de mouw spelden wat hij maar wilde. Zo lieten Goebbels c.s via zijn telegrammen op 18 februari 1939 in Londen de geruststelling bezorgen dat Hitlers hoofd werkelijk niet naar oorlogvoeren stond toen de rest van de wereld allang van het tegendeel overtuigd was en het ook langs andere wegen tot Londen was doorgedrongen dat Duitsland zich koortsachtig op de oorlog voorbereidde. 'Het is mijn stellige indruk' ('definite impression'), schreef Henderson in zijn telegram van die datum, 'dat Herr Hitler op het ogenblik niet van plan is zich in enig avontuur te begeven'.

Om terug te keren tot de levensles die Nevile Henderson in zijn memoires etaleert: een ambassadeur heeft de regering waarbij hij wordt aangesteld niet zelf voor het kiezen. Hij moet vele dingen doen die hem tegen de borst stuiten, maar die hij niet kan nalaten, op straffe van schade aan de belangen van zijn regering. Hij doet ze niet voor eigen rekening, maar in dienst van zijn land. Een ambassadeur mag nooit zijn geloof opgeven in de werkzaamheid van het woord, ook als zijn gastheer een notoire bedrieger is. Hij moet onder alle omstandigheden de deugd van de beleefdheid beoefenen. Hij mag geen invitatie van een dictator om te dineren afslaan, ook niet als de overige kopstukken van diens moordenaarsbende meeeten. En hij moet, of hij het leuk vindt of niet, dansen met diens vrouw.

Maar moet iemand die zich zo strak in het keurslijf van de professionele politesse heeft ingesnoerd, afzien van zijn kritische vermogens? Of om de vraag anders en minder retorisch te stellen: is Hendersons argeloosheid niet overal ter wereld veel minder een uitzondering op de regel dan men denkt? Is de Amerikaanse ambassadeur in Bagdad, April Glaspie, die enkele dagen voor de Iraakse inval in Koeweit tijdens een exclusief onderhoud (zie de opiniepagina's in de krant van jongstleden donderdag) passief naar Saddam Husseins expose over diens militaire plannen luisterde zonder alarm te slaan, niet een moderne Nevile Henderson? In plaats van de Iraakse president onmiddellijk lik op stuk te geven door hem niet in het onzekere te laten over de Amerikaanse vergelding sprak ze fatale inschikkelijke woorden die Saddam Hussein alleen maar kon uitleggen als een reactie van zwakte, toegevendheid, appeasement nog afgezien van de onthullende kwebbeltaal die ze over de Amerikaanse pers uitsloeg ('Als de Amerikaanse president de media zou beheersen, zou zijn baan veel eenvoudiger zijn'). De vertegenwoordigster van de grootste macht ter wereld sprak softly maar kon niet verbergen dat ze geen big stick bij zich had.

De gezaghebbende Egyptische journalist Mohamed Heikal, die de overrompeling van de Amerikaanse ambassade in Teheran uit het Iraanse gezichtspunt heeft beschreven (The Return of the Ayatollah, 1981) heeft de softishness van de Westerse diplomatie tegenover de regimes in het Midden-Oosten een aantal jaren geleden al getypeerd als onzekerheid veroorzaakt door onwetendheid. Volgens Heikal heeft de Verenigde Staten zijn gebrek aan kennis van de islam en van islamitische politiek moeten bekopen met het verlies van zijn invloed in Iran, een theorie die in Washington intussen algemeen wordt onderschreven. Stansfield Turner, het hoofd van de CIA onder het presidentschap van Carter, erkent in zijn boek Secrecy and Democracy (1985) dat de Amerikaanse inlichtingendiensten niets van de Iraanse revolutie hadden begrepen doordat ze zich alleen op de Sjah en diens omgeving hadden georienteerd. En geen enkele Amerikaanse politicus had ooit de moeite genomen de werken van Khomeini gelezen waarin het gewelddadige anti-democratische programma van het nieuwe bewind was gespecificeerd. Dat is dezelfde luiheid die de wereld in de jaren dertig duur te staan is gekomen, omdat de meeste Westerse politici het toen ook niet nodig vonden Mein Kampf te lezen, laat staan, zo ze dat al deden, serieus te nemen.