Dierendag

Op vijf oktober, de dag na Wereld Dierendag, vond ik in mijn post een brief van de Dierendagvereniging, met de vraag of ik op vier oktober geen vlees wilde eten en dit in de krant bekend maken. Te laat. Zonder te beseffen dat het een feestdag voor de dieren was, had ik die avond een kippevleugeltje gegeten. Heb ik daar nu spijt van? Ja en nee.

Als ik moedig en consequent genoeg was, zou ik nooit vlees eten. Ik doe het hoofdzakelijk omdat 'de anderen' het doen zoals ik zoveel doe om geen andere reden. Ik denk dat er veel meer mensen zijn, die een prakje andijvie met gebakken aardappelen eigenlijk veel lekkerder vinden maar toch hun tanden in de biefstuk zetten omdat die nu eenmaal op het bord ligt. Tientallen malen heb ik overwogen, vergetarier te worden. Soms lukte het me niet omdat, bij het eten in het openbaar, het ostentatieve van het vergetarierschap me tegen stond.

'Ober! Is er vandaag geen vegetarische schotel?'

Door die vraag alleen al laat je de rest van het publiek weten dat je het een gezelschap van moordenaars vindt. Dat is ook wel zo, maar in een restaurant een eenpersoons kruistocht beginnen ten behoeve van dieren die al dood zijn, dat gaat me te ver, hoewel ik meteen besef dat het argument 'toch al dood zijn' de deur opent voor juist de verachtelijkste collaboratie.

Vaak ook ben ik geen vergetarier geworden uit gedachteloosheid: automatisch opgegeten wat er op mijn bord was gelegd, en dat terwijl ik tegelijkertijd van mening ben dat niemand het recht heeft, welk wezen dan ook zonder de allergrootste noodzaak het leven te ontnemen. Zelfs als ik tegen een mug, gehaat creatuur, mijn hand ophef blijft die soms halverwege de klap hangen. Als iemand me zou vragen op Wereld Dierendag mijn naam te zetten onder een advertentie tegen het doodslaan van muggen, ja, misschien dat ik dan sneller voor m'n sluimerend vegetarisme uit zou komen. Maar ook dan nog zou ik zo'n eendagsprotest liever niet ondertekenen. Als je bekend maakt dat je zelf een dag per jaar de dieren spaart, geeft dat dan niet alle anderen het recht om de rest van het jaar alle dieren vogelvrij te verklaren? En afgezien daarvan: het goede voorbeeld, nota bene in de krant gegeven, geldt niet voor die ene dag van de advertentie maar het hele jaar.

Zo kom ik vanzelf op dat eeuwig vraagstuk. Tot hoever kan iemand zijn persoonlijk gedrag met de door hem beleden principes in overeenstemming brengen? Als je in Amsterdam woont, ben je dan gerechtigd iedere bedelaar voorbij te lopen omdat je op tijd meebetaalt aan de sociale voorzienigen? Als je toevallig in Calcutta bent, hoeveel bedelaars geef je dan een muntje voor je aan de eerste komt (de 'grensbedelaar') die niet meer wordt beaalmoesd? Waar verandert mededogen in hardvochtigheid? Ben je gerechtigd, zonder kwade bijbedoelingen een anoniem stukje vlees te eten als je kort tevoren op de bres hebt gestaan voor een mishandeld dier dat je toevallig was tegengekomen? Het antwoord op die laatste vraag is natuurlijk: nee. Maar ik ben toch geneigd, er een verzachtende omstandigheid in te zien.

Op jongstleden Dierendag at ik mijn kippevleugeltje in Griekenland, het land met de meeste ansichten waar katten op staan. De meeste Griekse katten zien er heel anders uit dan de ansichtkatten. Twee nachten tevoren was ik wakker geworden van een hartverscheurend gemiauw. Het hield niet op, het was een van de hulpbehoevendste geluiden die sinds lang had gehoord. Bed uit, de straat op, waar kwam het vandaan? Nadere peilingen leerden dat het dier in nood achter een drie meter hoge muur zat, waarschijnlijk met een poot beklemd want soms hoorde ik een geluid als was het zich aan het losrukken. De muur bleek onbeklimbaar. Ernaast stond een kerkje dat meer houvast bood. Met een koene sprong zou ik van het kerkdak achter de muur kunnen komen om de kat te redden. Maar dan: hoe terug?

Terwijl ik dacht aan al mijn vrienden die van katten houden, naderde ik tot een laf compromis. Ik onderbrak de beklimming en besloot het daglicht af te wachten. Het dier had per slot van rekening al zo lang gemiauwd dat het wel een krachtig exemplaar moest zijn. Zonder mijn hulp zou het die paar uur tot de ochtend ook nog wel kunnen uithouden. Ik stond vroeg op en ging weer op zoek. Niet alleen waren er nog dezelfde levenstekens, maar ik had nu ook vlug de bron ontdekt: niet achter die hoge muur maar in een hoek tussen twee andere. Daar stond hij, rechtop, proberend tegen de stenen te klimmen, zijn vacht als aangevreten door de motten, onwaarschijnlijk mager met zijn grote kopje en ogen in doodsangst, niet ouder dan zes weken. Wat te doen, aan de vooravond van Wereld Dierendag?

De vorige kat die ik in die toestand had aangetroffen, was zeven jaar gebleven. Dat verhaal heb ik al eens opgeschreven; ik zal het u besparen. Ik heb een karton melk gekocht, de bodem uit een inmiddels op straat gevonden plastic fles gesneden en die als schoteltje gebruikt, maar deze jonge kat was al zo door dorst en doodsangst aangetast dat hij mijn hulp blazend afwees. Ik heb het melkkarton naast het schoteltje gezet en de plaats van het onheil verlaten. Toen ik er later weer langs kwam, waren kat en melk spoorloos verdwenen.

Ik geef toe: geen daad om op Dierendag mee voor de dag te komen. Ter ere van het verlaten katje heb ik de aanloop tot een gedicht gemaakt:

Griekenland! O! Hellas!

Land van hinkende honden,

Van schurftige katten,

Uitpuilende vrouwen,

Bezwijkende ezels!

Zo gaat het nog wat verder maar dat is nog niet rijp voor publicatie.

Soms, terwijl ik weet dat het niet zo is, geloof ik dat dieren kunnen denken, maar alleen als gevolg van een gebrekkig spraakorgaan, hun gedachten niet onder woorden kunnen brengen. Maar als je goed naar ze luistert, klinken ze allemaal - de hanen, ezels, koeien, honden, katten - even wanhopig en eentonig. Geen wonder.

Dit stukje heet dan ook Dierendag.