DENKEN OVER GEZONDHEID

Gisteren nam prof. dr. H. J. J. Leenen afscheid als hoogleraar in de 'sociale achtergronden van gezondheid en gezondheidszorg' aan de Universiteit van Amsterdam. Bijna twintig jaar lang heeft hij zich gemengd in de discussie over de gezondheidszorg, waarbij hij, vooral het laatste decennium, het oog gericht hield op juridische en medisch-ethische kwesties. Menige ingrijpende verandering heeft hij van nabij meegemaakt. Hij zat bijvoorbeeld in de commissie-Festen, die in 1973 de regering adviseerde de gezondheidszorg zelf 'inhoudelijk te sturen' we geloofden immers in die tijd nog in de 'maakbare samenleving'. Eveneens was hij lid van de commissie-Dekker, die in 1987 de regering aanraadde terug te treden uit de gezondheidszorg en het marktmechanisme toe te laten. Behandelaars, patienten en verzekeraars zouden zelf zelf de schaarste moeten verdelen.

In zijn afscheidsrede concludeerde Leenen dat de beperkte doelstelling van de commissie-Dekker niet haalbaar was geweest ' vanwege de pressie van de belangengroepen en gebrek aan politieke moed'. Er waren nog meer harde oordelen uit zijn mond te horen. Over het formuleren van prioriteiten in de gezondheidszorg, allerwege nodig geacht vanwege de explosief toenemende kosten, stelde hij bijvoorbeeld nuchter vast: ' Er wordt veel over vergaderd maar weinig aan gedaan.'

Ondanks die uitspraak kreeg hij een liber amicorum met de titel Grenzen aan de zorg; zorgen aan de grens, vol bijdragen van leerlingen en vrienden op zijn vakgebied dat alweer over de grenzen aan de gezondheidszorg gaat. Het was niet het eerste boek dat die week over het inperken van het medisch handelen verscheen. Staatssecretaris Simons kreeg afgelopen dinsdag, bij het begin van een symposium over gezondheidszorg weer een dag vergaderen het boek Mensen en machten uitgereikt. Er wordt niet alleen te veel vergaderd over de grenzen aan de zorg, er wordt ook te veel over geschreven.

VERZUILING

Mensen en machten bevat evenwel een uitstekend hoofdstuk van de emeritus hoogleraar dr. L. Laeyendecker, tegenwoordig directeur van het Multidisciplinair Centrum voor Kerk en Samenleving in Driebergen. Laeyendecker legt uit hoe het komt dat tussen 1953 en 1983 de kosten van de gezondheidszorg stegen van 3,3 procent tot 8,8 procent van het Bruto Nationaal Produkt. Volgens hem is de achtergrond van een en ander dat vroeger de calvinistische ethiek de mens tot gezond gedrag aanzette, terwijl tegenwoordig de medische stand dat doet. En tegen aanmerkelijk hogere kosten. Maatschappelijke competitie en de behoefte aan zelfontplooiing hebben gezondheid zo belangrijk gemaakt dat de Nederlanders een goede gezondheid tegenwoordig verre prefereren boven een goed huwelijksleven.

Elders in Mensen en machten beschrijft de Nijmeegse 'beleidswetenschapper' dr. H. J. Aquina de ontwikkeling van het beleid en de politiek op het gebied van de gezondheidszorg. Hij maakt duidelijk binnen welke nauwe grenzen de staat momenteel moet manoeuvreren. Gestimuleerd door de overheid in de tijd van de verzuiling, is de gezondheidszorg voor het grootste deel in handen van geinstitutionaliseerd particulier initiatief geraakt. Tegelijkertijd vinden de meeste Nederlanders dat zij voor een prikje op de eerste rang mogen zitten. Ze hebben 'alles' over voor hun gezondheid, maar kloppen voor lagere tarieven aan bij de overheid. Die moet dus, bij gebrek aan onuitputtelijke geldbronnen, afwegen en keuzes maken. Maar dat is, zo betoogt Aquina, ' een taak die zij ten aanzien van de volksgezondheid en vele andere beleidsterreinen tot op heden eigenlijk niet heeft vervuld'.

Helaas krijgen in Mensen en machten ook schrijvers het woord die namens een organisatie (van patienten, van artsen, van gezondheidsvoorlichters, van verzekeraars) de toekomst mogen voorspellen. Ik doe misschien een paar mensen ernstig tekort, maar Leenen besloot zijn afscheidsrede niet voor niks met: ' Er zullen altijd weer mensen en groepen opstaan die (...) voor de waardigheid van de mens zullen strijden en die de samenleving met hun geest en moraliteit zullen beinvloeden. Technocraten en bureaucraten hebben daaraan geen deel.'

In Mensen en machten zijn teveel technocraten aan het woord. Het is daarom vruchtbaarder de feestbundel voor Leenen ter hand te nemen, omdat die veel rijker van inhoud is. Uit Mensen en machten mist u dan onder andere de bijdrage van prof. dr. A. J. Dunning, de voorzitter van de zoveelste overheidscommissie die de overheid een zinnig voorstel moet doen om de problemen op het gebied van de gezondheidszorg op te lossen. Dunning is hoogleraar cardiologie met een open oog voor de mogelijkheden en de tekortkomingen van zijn vakgebied en vakbroeders. Dat verschaft hem het recht en vermogen om de medische ethiek, de epidemiologie, de ambtenaren van volksgezondheid, de verzekeraars, de gezondheidseconomie, het gezondheidsrecht en alle medische collega's te bekritiseren. Bovendien is hij een begenadigd schrijver die een onderwerp vanuit al die disciplines kan beschouwen. Helaas is zijn opstel in dit boek teleurstellend. Het toeval wil dat in Grenzen aan de zorg; zorgen aan de grens ook een bijdrage van Dunnings hand is te vinden. Opmerkelijk genoeg ontvouwt hij daarin een toekomstvisie die wel hout snijdt.

DE DOOD

In het algemeen kan worden gezegd dat in het liber amicorum voor Leenen de grenzen van de gezondheidszorg uitputtend worden verkend. Voorzover de grens figuurlijk wordt gebruikt, zijn de grenspalen de ongeboren vrucht, de patient in coma, de wilsonbekwame patient, de zwaar-gehandicapte pasgeborene, de orgaandonor en het lijk. De grens in letterlijke zin is de dood. De vragen die in deze bundel worden opgeworpen, strekken zich uit tot het probleem of de zwangere vrouw verplicht kan worden gezond te leven, of verplicht kan worden een medische behandeling te ondergaan ter bescherming van de gezondheid van haar nog ongeboren kind.

In sommige bijdragen is de grens gewoon geografisch en gaat het erover of ons verzekeringsstelsel en het verbod om particuliere gezondheidszorg te bedrijven, houdbaar is in het Verenigd Europa. Ook wordt het probleem behandeld welke rechten de patient kan ontlenen aan de de Europese verklaring voor de rechten van de mens. Procederen in Straatsburg (bijvoorbeeld over anonieme donoren en onvrijwillige psychiatrische opnamen) is tegenwoordig zo populair dat de uitspraak zeker zes jaar op zich laat wachten.