'De mensen moeten gewoon hun dissidenten-episode nog hebben'; Andrei Plesu, de Roemeense minister van Cultuur

Ondanks de druk om af te treden is de Roemeense schrijver/filosoof Andrei Plesu nog steeds minister van cultuur. In 1987, tijdens het bewind van Ceausescu, schreef hij een boek over moraal dat veel opzien baarde. Volgens Plesu is iedereen in zijn land schuldig: ofwel omdat men heeft meegewerkt, ofwel omdat men heeft gezwegen ofwel omdat men helemaal niets heeft gedaan.

Een gesprek over zijn ministerschap, zijn boek en de hypocrisie van een volk.

'Een nieuwe minister van cultuur hoeven we niet te kiezen, dat wordt gewoon Andrei Plesu.' Dat waren de woorden van Iliescu die als leider van het Front van de Nationale Redding in december 1989 een voorlopige ministerraad moest samenstellen. De schrijver/filosoof en dissident Andrei Plesu aanvaardde het ministerschap en bleef ook na de verkiezingen van 20 mei aan.

Voor de intellectuele bovenlaag in Boekarest geldt Plesu als een markante persoonlijkheid, en degenen die achter hem blijven staan denken dat hij van grote betekenis kan zijn als minister. Alexandru Valentin, de dekaan van de filosofische faculteit van Boekarest, omschrijft hem als een geniaal en oorspronkelijk denker, een 'homme de culture', die in staat is het gedachtengoed van anderen naar een ander niveau te tillen. Volgens hem is een filosoof als minister van cultuur een weldaad voor dit land.

Maar een aantal vrienden uit de Groep van de Sociale Dialoog, een gezelschap vooraanstaande schrijvers en filosofen onder wie de dichter Mircea Dinescu, zijn het niet eens met het door Iliescu gevoerde beleid en vinden dat Plesu zich terug moet trekken uit de politiek. In hun ogen is Iliescu een hypocriet en Plesu eveneens als hij geen consequenties trekt uit acht maanden 'neo-communisme'.

Andrei Plesu (Boekarest 1948) is de zoon van welgestelde ouders. Zijn vader had als medisch specialist alle mogelijkheden om zijn zoon naar goede scholen te sturen en vervolgens de universiteit te laten doorlopen. Na zijn studie kunstgeschiedenis werd Plesu medewerker aan het Kunsthistorisch Instituut in Boekarest en verbleef verschillende keren in het buitenland voor onderzoek en het geven van lezingen. In 1975 en het begin van de jaren '80 woonde hij bij elkaar 21/2 jaar in West-Duitsland op uitnodiging van de Humboldt Stichting.

Door de jaren heen heeft hij echter voortdurend bloot gestaan aan pesterijen, vernederingen en ontslagen. Zijn lezingen werden geboycot, aan de universiteit werd hij nooit bevorderd en de verschijning van zijn boek Minima Moralia, een verhandeling over moraal, werd bemoeilijkt en uitgesteld door een publikatieverbod.

Een jaar voor de revolutie, in december '88, schreef hij een felle brief aan het ministerie voor Opvoeding en Onderwijs. Kort daarvoor was hem, tijdens een onderhoud op het ministerie, woordelijk te verstaan gegeven dat ' hij onkruid was, dat indien het niet tijdig een rigoreuze cosmetische verbetering wenste te accepteren, zou moeten worden uitgeroeid.'

Plesu antwoordde met een provocerende en later beroemd geworden brief, die niets aan duidelijkheid te wensen over liet. De Roemeense cultuur vergeleek hij met een tuin vol ijsbloemen en ijskastbibliotheken, een tuin die ver verwijderd is van de grote tuin van de Europese cultuur. Hij hekelde het amateurisme en gebrek aan kwaliteit bij pers, radio en tv: rotzooi, zonder enig verband met de werkelijkheid. Zijn brief eindigde met de woorden: 'U zult moeten toegeven dat al deze dingen om een verklaring vragen. Ik wens derhalve dat u zich buigt over het hierboven gestelde en mij [... ] meedeelt wat ik van nu af aan kan verwachten. Ik wens dat u nadenkt over de toestand van onze cultuur, dat u de nodige aandacht zult besteden aan deze memorie en dat ik zo spoedig mogelijk de resultaten ervan zal ondervinden.' Plesu werd op zijn wenken bediend en kon vertrekken. Hij werd intern verbannen naar een provincieplaatsje in Roemenie en tewerk gesteld als bibliothecaris. Twee maal per jaar mocht hij zijn gezin bezoeken.

Toen Minima Moralia in 1987 eindelijk verscheen, werd het boek alom geprezen en na drie weken was de totale oplage uitverkocht. Plesu schreef dat iedereen in Roemenie schuldig is: ofwel omdat men heeft meegewerkt, ofwel omdat men heeft gezwegen ofwel omdat men helemaal niets heeft gedaan. Er bestaat weliswaar een hierarchie van schuld, omdat niet iedereen even schuldig is als Ceausescu of de leden van de Securitate, maar de ervaring van schuld is alomtegenwoordig. Verder besteedde Pleisu in zijn boek uitgebreid aandacht aan alles wat te maken heeft met gebrek aan moraliteit.

Wat in 1987 gold, geldt nu nog steeds. Acht maanden na de revolutie verkeert Roemenie nog steeds in een crisis. Het land is ziek, de mensen zijn ziek en het geneesmiddel is nog niet gevonden. Volgens velen is er weinig veranderd, behalve dat Iliescu steeds meer op zijn voorganger gaat lijken. Volgens Plesu lijdt het land aan een nationale volksziekte met de omvang van een epidemie, te weten 'chronische hypocrisie'.

Het ministerie van cultuur ligt in het noordelijkste deel van Boekarest vlakbij de ambassadebuurt. De portier maakt een troosteloze indruk. Hij kijkt me wezenloos aan; achterovergezakt, zijn hemd half dichtgeknoopt. Twee collega's begrijpen dat ik een afspraak heb met Plesu en beduiden me te wachten. Na enige tijd verschijnt de eerste secretaris en begroet me met een handkus. Nog een half uur later is het zover.

Plesu is een en al glimlach en verontschuldigt zich voor het lange wachten. Hij doet zijn bijnaam 'zigeunerkoning' eer aan. Zowel zijn charme als omvang zijn overweldigend. Plesu doet geen enkele moeite om minister te spelen. Hij is openhartig en joviaal en gaat geen vraag uit de weg. Tijdens het gesprek dat hij bij voorkeur in het Engels voert, laat hij merken de filosofie, het lezen en het schrijven te missen. Maar waarom dan dit ministerschap?

' Iedereen moet proberen zijn bestemming in dit leven te vinden. Toen Iliescu me vroeg of ik minister wilde worden, heb ik geen moment geaarzeld. Dit ligt kennelijk op mijn weg en ik heb het gewoon geaccepteerd. Het is een soort lot en het is de kunst in dit leven om erachter te komen wat jouw persoonlijke bestemming is. Ik denk dat dat je opdracht is.'

U wordt nog steeds onder druk gezet om af te treden, zoals sommige anderen hebben gedaan uit onvrede met het beleid. Twijfelt u niet aan Iliescu?

' Ik denk dat men geen juist beeld heeft van Iliescu en zeker niet in het buitenland. Iliescu is een technocraat, hij heeft fouten gemaakt, ernstige fouten zelfs en zal waarschijnlijk in de toekomst nieuwe maken, maar hij is geen communist, zoals zovelen denken. Hij moet deze klus klaren en doet dat met de beste bedoelingen. Toen we in december '89 een leider nodig hadden moest dat iemand zijn die voor iedereen, boeren en liberalen, democraten en socialisten, acceptabel was. Dat was Iliescu; niemand anders kwam daarvoor in aanmerking. Het gaat er niet in eerste instantie om de beste president te kiezen als wel te voorkomen dat je de slechtste kiest. Iliescu is ook tijdens de verkiezingen een voor alle partijen aanvaardbare figuur gebleken en hij doet oprecht zijn best een dialoog met iedereen aan te gaan, al is dat niet altijd even gemakkelijk. Elk mens heeft recht op zijn fouten... Wij doen ons best hem te corrigeren en als het moet hem terecht te wijzen. Bij de rellen rond de mijnwerkers heeft hij zeer felle kritiek gekregen van een aantal ministers.'

Als filosoof hebt u de rol van politicus op u genomen? Is een ministerschap verenigbaar met het filosoof zijn?

' In een bepaald opzicht verwoest ik nu mijn leven. Acht maanden heb ik niets gelezen of geschreven. In feite ben ik niet langer een intellectueel.

' Ik ga hier door een hel en zit tussen een stel onbenullen die geen flauw idee hebben van cultuur. Het zijn technocraten... Maar tegelijkertijd heb ik het gevoel dat als we nu niet met zijn allen onze schouders eronder zetten, we verloren zijn. Hier ligt een kans en een uitdaging die we onmiddellijk moeten grijpen. Gewoon niet teveel nadenken, maar proberen iets te doen in deze chaos. Dat betekent pragmatisch zijn. In plaats van een beleid uit te stippelen moet ik bij voorbeeld zorgen dat er papier komt om boeken te kunnen drukken.

' Voor de revolutie hielden filosofen en intellectuelen zich niet bezig met de politiek omdat het niet geaccepteerd werd en men er ook weinig interesse voor had. Op dit moment moeten we leren politiek geengageerd te raken en tegelijkertijd proberen een soort continuiteit te vinden tussen de verschillende fasen van ons leven. De intellectuelen die zich tevoren allemaal hadden teruggetrokken, zijn nu plotseling heel actief om zo compensatie te zoeken voor hun passiviteit tijdens de dictatuur. Maar ik moet zeggen dat filosofen normaal gesproken zeer inefficient waren in politiek opzicht. Zelfs Plato met zijn ideeen over de ideale staat bracht er in Syracuse tenslotte weinig van terecht. Ik moet bekennen dat de filosofen die we hier in Roemenie hebben, en dat zijn er niet zoveel, dit beeld altijd weer bevestigen. Ze hebben weinig inzicht in de praktijk van alledag en denken vaak abstract met behulp van principes. Het denken vanuit morele principes, dus in termen van wat mag en niet mag, is een vorm van anti-denken. Een principe is een grens. Moreel middelmatige mensen hebben een ethiek die uit niet veel meer bestaat dan het hebben van principes. Een kant en klare set die van te voren al vastlegt wat mag en tot hoever.'

U prefereert een mens zonder principes, een opportunist?

' Het gaat er niet om dat je zonder principes leeft, maar dat je in staat bent om ze dynamisch toe te passen. Onze grootvaders zeiden altijd: 'Ik heb een principe en dat zal ik nooit opgeven'. Dat is dom en weinig flexibel. De letterlijke betekenis van het woord principe is 'uitgangspunt', datgene waar je mee begint, maar niet datgene waar je mee sterft. Als je niet in staat bent om boven je principes uit te komen, ben je moreel gezien al dood. Ik ben bang dat we politiek gezien niet veel opschieten met mensen die zich uit principe niet met deze regering inlaten.'

Zou u ooit de positie van Havel ambieren?

' Hoe zou men ooit de positie van een ander kunnen wensen? Er bestaat op dit moment een soort Havel-neurose onder de intellectuelen in Oost-Europa. Een paar vrienden van mij willen ook zo graag Havel spelen, maar ik heb ze gezegd: Jongens, het is te laat voor jullie. Eerst heb je 6 jaar gevangenschap nodig, vervolgens langdurige politieke reflecties en verder moet je nog een paar boeken op je naam hebben staan. Al met al een jaar of 15 van politieke aktiviteiten om uiteindelijk Havel te worden.

' Tot de revolutie in december wilden ze het woord politiek niet eens horen en nu... Er waren hier maar weinig dissidenten, maar dat hangt natuurlijk samen met de terreur van een schrikbewind. Als je het in Roemenie waagde om iets tegen het regime van Ceausescu te ondernemen dan was de sanctie geen gevangenisstraf maar verdwijning. Dat is ook de gedachte achter dat getal van 60.000 doden. In de nacht van 21 december waren het er misschien 6000, maar als je al die anderen, plus de kinderen, de bejaarden en de zieken die stierven van de honger en de kou over een periode van 40 jaar meetelt...

' Het verklaart waarom er geen echte dissidenten-beweging in Roemenie was en enkel het gevoel van schuld. Maar op dit moment gebeurt er iets heel vreemds. De mensen die gefrustreerd waren omdat ze voor de revolutie geen dissident waren, zijn het nu wel. Ze moeten gewoon hun dissidenten-episode hebben. Maar wat we nu nodig hebben is een sterke oppositie en die is er niet, omdat alle belangrijke krachten in ons land, de intellectuelen voorop, nu dissidentje zitten te spelen. Een dissident accepteert de legitimiteit van de macht niet, terwijl een opponent dat wel doet en ertegen vecht. Heel Roemenie weet dat het grootste deel van de bevolking Iliescu en het Front graag mocht en dat ze hem met een grote meerderheid van stemmen hebben gekozen. Ik wil accepteren dat er enige onregelmatigheden bij de verkiezingen zijn geweest, maar zonder dat zou het resultaat hooguit 2 of 3% lager zijn uitgevallen. De macht ligt bij Iliescu en hoewel hij een aantal zeer ernstige blunders heeft gemaakt, zoals met de mijnwerkers en Munteanu, is het nu zaak om in dialoog te gaan, dat wil zeggen oppositie te voeren en mogelijk alternatieven aan te dragen. Maar zeggen 'Nee, ik ga de discussie niet aan, omdat de macht illegaal is', zoals de dissidenten doen, dat is grote onzin. Waarom zeiden ze dat niet voor 22 december toen de macht werkelijk illegaal was.'

Van huis uit bent u cultuurhistoricus, terwijl u een boek hebt geschreven over moraal. Waarom hebt u zich bezig gehouden met ethiek?

' Met ethiek houd je je niet bezig. Het is iets permanents; een probleem dat je elk moment moet oplossen. De echte morele vraagstukken dringen zich onverwachts en in alle hevigheid aan je op. Alles wat je doet in je leven is ethisch bepalend. Lezen en schrijven over ethiek is natuurlijk minder waardevol dan moreel leven. Ik besloot over ethiek te gaan schrijven omdat ik een persoonlijk probleem had en niet vanuit een theoretische belangstelling. Ik wilde voor mezelf een aantal dingen op een rijtje zetten.

' Bovendien zat ik met het probleem van mijn persoonlijke bestemming. Ik was kunsthistoricus maar voelde me nooit innerlijk verbonden met dat vakgebied. Het is een soort 'versierend' beroep. Schrijven over schilderkunst en muziek werd langzamerhand een futiele bezigheid, een franje, zeker als je dat afzet tegen de politieke situatie in ons land. En nog afgezien daarvan is het idee dat je commentaar kunt geven op een schilderij een stupide gedachte; het beeld heeft geen andere mogelijkheid om te spreken dan via zichzelf. Kortom, ik was niet langer geinteresseerd in de kunstkritiek en ging me steeds meer bezighouden met belangrijker zaken zoals de filosofie van de religie en de ethiek. Dat viel samen met mijn persoonlijke zoektocht, de vraag naar het geluk, naar de zin of de eventuele zinloosheid van alles. Om een antwoord te vinden heb ik van alles geprobeerd tot en met goeroe's toe, maar ik vond het niet. Langzamerhand ben ik er achter gekomen dat de grootste fout die mensen maken als ze ergens naar op zoek zijn, het zoeken naar een grens is. Ze zoeken een antwoord, een oplossing. Maar dat blokkeert en sluit dingen af, omdat het altijd grenzen zijn. Het is belangrijk om dit te herkennen en te leren leven met iets dat onbegrensd is.

Vervolgens ging ik me verdiepen in het christendom en het leven van alle dag. Net als in vele andere landen in Oost-Europa ligt in Roemenie de metafysica op straat. Elk leven, elke bestemming en elk normaal gebaar, dat in westerse landen een vanzelfsprekendheid is, moet hier veroverd en overdacht worden, omdat alles tot en met het kleinste detail zo eindeloos gecompliceerd is.'

' De situatie in Oost-Europa is in die zin heel goed ruw materiaal voor reflectie, en zeker een ethische, omdat iedereen zich hier moreel voelde aangevallen. Na de revolutie heerste er een vreselijke agressie, juist omdat iedereen zich ook schuldig voelde. Die ervaring is verschrikkelijk en keert, ook nu nog elke dag terug. Zelfs de kerk, onze eigen christelijke kerk verdoezelde die schuld met haar pose van een Boeddhistisch standbeeld. Ze aanvaardde het lijden en probeerde zich er bij aan te passen. Iedereen die deze houding had was schuldig en de schuld werd een tweede natuur. Nu moeten we ermee leren leven en het tegelijkertijd niet vergeten. De directe aanleiding voor het schrijven was echter mijn prive situatie. Toen ik dit boek begon te schrijven was ik verliefd, hopeloos verliefd, hoewel ik getrouwd was en kinderen had. Ik voelde mijzelf in alle opzichten schuldig: prive, sociaal, politiek en in mijn werk. Een climax van schuld dus en alleen maar vragen waar ik geen antwoord op had. En wat nog erger was: totaal onbegrepen door anderen. Het gemak waarmee iedereen mij veroordeelde. Het gevoel dat iedereen precies wist wat de criteria zijn voor moreel gedrag. Het toepassen van deze criteria op mijzelf, mijn leven en bestemming was dermate frustrerend, dat ik besloot deze schuld uit te leggen en in een ander licht te plaatsen.

' Ethisch gezien is de moreel onberispelijke mens niet interessant, behalve misschien als voorbeeld. Een heilige bevindt zich aan gene zijde van de moraal en daarom hoef je je met hem niet bezig te houden. Degene die faalt en schuldig is, is veel intrigerender, want in feite is niemand vlekkeloos. Het probleem is hoe kun je zo'n ervaring van schuld achter je laten? Daar zat ik mee en zo ben ik begonnen.'

Is het enkel een bekentenis of moet men uw boek ook lezen als een kritiek tegen het regime van Ceausescu?

' In eerste instantie is het een persoonlijke bekentenis. Tegelijkertijd is het met een kritische houding geschreven, hoewel het niet in mijn bedoeling lag om het regime te kritiseren. In feite staan mijn ideeen haaks op de ideologie van het communisme. Het boek gaat om het belang van het individu, de permanente problematiek van de religie en de moraal. Dat zijn zaken die niet werden geaccepteerd. Het feit dat dit boek uiteindelijk toch door de censuur is gekomen, komt omdat ik een manier heb proberen te vinden om de dingen op een niet-evidente manier te zeggen. Alle schrijvers en denkers hier in Roemenie hebben een manier gevonden om het onacceptabele op een acceptabele manier uit te drukken. Dat maakt de tekst enigszins dramatisch, omdat er als het ware een zekere code in verborgen ligt. Stylistisch werkte dat heel goed. Nu zitten we met het probleem dat we alles kunnen zeggen en het daarom niet meer interessant is.'

Dus uw boek zou slechter zijn geweest als u het na de revolutie geschreven had?

' Ja, stukken slechter. Het zou een boek van het gezonde verstand zijn geweest en er is bijna niets vervelender dan dat.'

' Ik had een leermeester, Noica, een typische filosoof met een aura van kilheid. Hij verstond zijn vak, maar als we over ethiek spraken zei hij altijd: ethiek is geen filosofie. Filosofie kleedt de geest, ethiek kleedt de ziel. Spreken over de ziel is niet interessant, dat zijn emotionele problemen. De filosofie spreekt over grote beesten, niet over kleine poesjes.'

'Wilskracht' lijkt in uw boek helemaal geen rol te spelen. Is die niet van belang?

' Bent u een calvinist? (lachend) Het is inderdaad waar dat in mijn werk de wil niet zo belangrijk is. Wie zich in de maatschappij efficient en acceptabel wenst te gedragen, heeft een bepaalde vorm van karaktersterkte, wilskracht en zelfcontrole nodig, vooral het laatste. Maar ware moraliteit is meer dan dat. Het moet bepaalde krachten in je ziel aktiveren die veel vitaler en warmer zijn dan de wilskracht. Wilskracht is een kwestie van kille discipline. Mensen die alles doen zoals het hoort en moet, zijn vaak onberispelijk in de omgang en zeer gedisciplineerd, maar ook vaak erg saai. Het zijn de wandelende voorbeelden van de moreel middelmatige mens. Voor mij heeft ware moraliteit alles te maken met moreel talent, charme en aanleg, hoe zeldzaam ze misschien ook zijn. Er zijn mensen die zich enorm inspannen om deugdzaam te zijn en vaak doen ze de meest onmogelijke dingen om hel en verdoemenis te vermijden.

' Een oude vriend zei ooit tegen me: 'Als ik een mooie vrouw zie wil ik met haar naar bed. Als ik daar in slaag, dan is het prima, dan heb ik de lol. Als ik er niet in slaag, dan is het ook prima, want dan ben ik deugdzaam.' Dat is een leuk grapje over deugdzaamheid, want zo werkt het bij veel mensen. Ze zijn moreel omdat het moet of zo hoort of soms omdat het zo uitkomt. Maar echte spontane moraliteit komt van binnenuit en heeft niets met een opgelegde norm, plicht of toevallige situatie te maken.'

In het laatste hoofdstuk spreekt u uitvoerig over hypocrisie en het gebrek aan morele spontaniteit. U beschrijft ze als een soort gemeenschappelijke griep, een chronische aandoening en zelfs epidemie. Is die hypocrisie een universeel verschijnsel of zijn de Oosteuropeanen veel hypocrieter en leugenachtiger dan de Westeuropeanen?

' Nee, ik zou zeggen dat onder het communistische bewind de hypocrisie een min of meer vast onderdeel van de opvoeding was. Het was een tragedie om bijvoorbeeld als ouder verplicht te zijn je kinderen op te voeden en ze vanaf het allereerste begin uit te leggen dat ze op school dingen te horen krijgen die niet waar zijn. Er bestaat een waarheid van de school, van de politieke ideologie en er bestaat een andere waarheid. De echte, die jij je kinderen vertelt. Ieder kind hier leefde dus met twee soorten waarheid, wat naar ik aanneem in het Westen niet het geval is. Je kunt zeggen dat deze dubbelheid karakteristiek was voor het communistische regime. Op dit moment is de situatie veranderd, maar tegelijkertijd blijkt nu heel duidelijk het gebrek aan oefening in een consequente, eenduidige houding. Na 40 jaar hypocrisie resteert de gedachte dat alle anderen hypocriet zijn. Decennia lang hebben we met deze achterdocht en argwaan geleefd en nu kunnen we niet geloven dat dat zomaar voorbij is. De spontane reflex die we hier kennen is: 'Deze vent liegt tegen me. Ik word gemanipuleerd. Er deugt iets niet'. Die achterdocht is een nationale ziekte die in de plaats is gekomen van de daadwerkelijke hypocrisie.

    • Karin Daalderop