Bridge

In toenemende mate hebben de laatste jaren de Nederlandse topspelers geklaagd over de wijze waarop de Nederlandse Bridge Bond het topbridge benadert. Zo'n beetje per jaar wijzigde de methode van selectie van de vertegenwoordigende teams; de discussie over de gewenstheid van trainingen of over de regelingen voor de vergoedingen voor uitgezonden spelers is nooit tot een bevredigend einde gebracht; coaches kwamen en gingen, vaak omdat niet helder was wat hun mogelijkheden, taken en bevoegdheden waren, en even onhelder bleef wie in de bondsstructuur nu precies waarvoor verantwoordelijk was. Het gemor bleef beschaafd, maar leidde er tenslotte wel toe dat de Spelersraad de bond dwong om tot een topbridge-beleid te komen. Dit jaar is de NBB naar buiten getreden met een projekt dat beoogt de kwaliteit van onze topbridgers te verhogen. Het projekt dat door een sponsor is mogelijk gemaakt biedt in 9 tweedaagse toernooien de Nederlandse meesterspelers de gelegenheid op topniveau wedstrijdervaring en -routine op te doen tegen gelijkwaardige tegenstanders, onder wie ook sterke buitenlandse paren. De toernooien worden op Butler-basis gespeeld en de winnaars van de finale mogen zich Nederlands Butler-kampioen noemen, en worden met f.15.000 beloond. Het eerste toernooi vindt dit weekeinde plaats in Delft.

Was het OEO Optiebeurstoernooi de grote verrassing van het jaar 1990, en zorgden Leufkens en Westra voor een haast nog grotere verrassing door het toernooi voor een uitgelezen schare van 's werelds sterkste spelers te winnen, dan is het grote nieuws voor 1991 dat het evenement volgend jaar weer zal plaats vinden.

Nu ik de namen van Leufkens-Westra heb genoemd, moet ik zeker een correctie aanbrengen op de weergave van het prachtig grootslem (Schoppen) dat ik hier voor het voetlicht haalde. Op gezag van het toernooibulletin liet ik hen op de N- en op de Z-plaats zitten. In werkelijkheid zal Leufkens echter Z en was hij het die het contract thuis bracht.

Van bridge op het niveau van de wereldtop naar robberbridge in een club lijkt een enorme stap, maar is het niet onder het aspect van het thema van de vorige rubriek: het gevaar van een idee fixe. Een fraai voorbeeld vormen de gebeurtenissen op dit spel dat in de Amsterdamse Continental Club werd gespeeld:

(Schoppen) A V 10

(Harten) 9 8 3

(Ruiten) A 10 6

(Klaver) A H 4 2

(Schoppen) 7 3

(Harten) H V B 5 4

(Ruiten) B 9 8

(Klaver) V B 8

(Schoppen) H B 9 8 5 4

(Harten) 2

(Ruiten) V 7 2

(Klaver) 10 9 5

(Schoppen) 6 2

(Harten) A 10 7 6

(Ruiten) H 5 4 3

(Klaver) 7 6 3

O vond zijn hand te slecht voor een zwakke 2 (Schoppen) en paste. Ook Z paste, maar W vond de moed zijn hand in de derde positie wel met een zwakke twee te openen. N doubleerde en na O's pas had Z kennelijk even last van een concentratiestoornis en bood na enig nadenken 2 (Harten). W wist niet hoe snel hij hierop moest passen om dit onvoldoende bod tot een voldongen feit te maken. Hij vreesde natuurlijk dat Z met een handvol harten zat en van N's doublet door te passen een strafdoublet zou maken als hij gelegenheid kreeg zijn onvoldoende bod te herstellen. N kon weinig anders doen dan het bod nemen voor wat Z kennelijk had bedoeld te bieden: 3 (Harten) als manche-forcing. Hij noemde dus braaf zijn enige kleur, 3 (Klaver), en hierna besloot Z's 3 SA het bieden.

W meende in (Klaver) V een veilige uitkomst te hebben gevonden. De vooruitzichten van de leider zijn uiterst somber. Hij moet hopen op het rondzitten van beide lage kleuren om in elk ervan een extra slag te ontwikkelen. Die kans is op zich zelf al klein, maar helemaal na W's 2 (Harten) opening die op een zeskaart wijst. Hij begon met de eerste slag te duiken en W, die blij was dat er maar een vierkaart in N lag, vervolgde met (Klaver) B, genomen met (Klaver) A. Z trok nu (Ruiten) 6 uit N en liet, toen bij O (Ruiten) 2 verscheen, de slag doorlopen. Consequent speelde W, in plaats van naar (Schoppen) te switchen, voor de derde maal (Klaver). Als nu ook de ruiten rond zitten heeft de leider acht slagen en lijkt alles af te hangen van het goed zitten van (Schoppen) H. Maar Z kon tellen en zag dat W met ook nog deze kaart niet met 2 (Harten) zou hebben geopend. Hij had echter meer geteld: naast zes kaarten in (Klaver) en (Ruiten) en een zeskaart (Harten) is er maar ruimte voor een (Schoppen). Het is dan een koud kunstje om na de lage kleuren ook (Klaver) A te incasseren en vervolgens W in (Harten) aan slag te brengen. Deze moet dan wel (Harten) terugspelen, waardoor Z een (Harten) ontwikkelt tot negende slag! En zo pakte Z de zaken dan ook aan. Dat leidde tot deze eindfiguur:

(Schoppen) A V 10

(Harten) 9 8

(Ruiten) ---

(Klaver) ---

(Schoppen) 7 3

(Harten) H V B

(Ruiten) ---

(Klaver) ---

(Schoppen) H B 9 8

(Harten) 2

(Ruiten) ---

(Klaver) ---

(Schoppen) 6

(Harten) A 10 7 6

(Ruiten) ---

(Klaver) ---

In deze positie speelde de leider (Schoppen) 6 en liet in plaats van (Schoppen) V triomfantelijk (Schoppen) A leggen om met (Harten) 9 te vervolgen. Maar hij verbleekte toen hij bij O (Harten) 2 zag verschijnen. Dat betekende immers dat W maar vijf harten had gehad en dus twee schoppen. Toen W in (Harten) aan slag kwam speelde hij die tweede (Schoppen) na en O maakte de rest. Wat was nu Z's idee fixe? Dat hij alleen maar oog had voor de mogelijkheid W met (Harten) in te gooien omdat hij er van uitging dat W niet meer dan een (Schoppen) kon bezitten. Maar kijk eens naar de eindpositie: ongeacht een 6-0 of 5-1 zitsel in (Harten) heeft de leider een waterdichte winstgang door (Harten) A te slaan en in (Schoppen) te snijden. Niet W, maar O wordt dan ingegooid en O kan niet anders terugspelen dan (Schoppen), recht in N's vork. Bridgers moeten vaak net zo hard de tegenstander in zich zelf bestrijden als de tegenpartij!