ANGST EN WALGING IN ZUID-AFRIKA

De Zuidafrikaanse misdaadverslaggever Rian Malan ontvluchtte in 1977 zijn land om de dienstplicht te ontlopen. Maar ook omdat hij niet langer was opgewassen tegen zijn verscheurde psyche: ' Ik vluchtte omdat ik Afrikaners haatte en van zwarten hield. Ik vluchtte omdat ik Afrikaner was en zwarten vreesde. In zekere zin vluchtte ik weg van die paradoxale toestand.' Hij was niet bereid de wapens voor de apartheid op te nemen, maar ook niet ertegen.

Malan was een twijfelaar, ondanks een solide opstandige jeugd in een blanke voorstad van Johannesburg: lang haar, zol (drugs), een boze ingezonden brief in The Star uit protest tegen de dood van een revolutionaire kleurling die tien hoog uit het raam was gevallen tijdens zijn verhoor door de geheime politie, guerrilla-achtige grafitti-expedities met de spuitbus in zijn wijk. ' Say it out loud, I'm Black en I'm Proud, ' kalkte hij als Afrikaner op de muren. Naar eigen zeggen was hij een 'detribalized krantz athlete', wat hij uitlegt als ' een Boer die op een of andere manier links is geworden'. Desondanks wilde hij afzijdig blijven van actieve betrokkenheid bij wat dan ook. ' Ik was gefixeerd op de apartheid, dat zeker, maar ik was even panisch over acne en voortijdige zaadlozingen.'

Eenmaal in de Verenigde Staten, schreef hij voor een klein Californisch blad pop-recensies onder het pseudoniem Nelson Mandela. Acht jaar lang kwam hij daar niet verder dan wat freewheelen, en dat was toch nooit zo opwindend als de jol thuis. ' Jol is in wezen onvertaalbaar, maar iedere getatoeeerde gangster uit de kleurlingen-sloppen kent de basis-ingredienten: drank, dagga (drugs), dobbel en vok (naaien).' Ten slotte besloot hij naar huis te gaan toen hij van een uitgever een mooi contract los kreeg om een boek te schrijven over ZuidAfrika. Hij kwam terug in een land dat steeds heftiger door geweld werd verscheurd. Het boek dat hij in zijn hoofd had, heeft hij nooit geschreven, maar wel het nogal ophefmakende My Treator's Heart, dat zojuist in vertaling verscheen als Mijn verraders hart. Hiervan wordt de bedoeling vol bombarie omschreven in de ondertitel van de Engelse editie: ' Een Zuidafrikaanse balling gaat de confrontatie aan met zijn land, zijn stam en zijn geweten.'

Malan gaat echter bovenal de confrontie aan met zijn eigen afkomst. Hij stamt uit een historisch en politiek belangrijk geslacht van Boeren. Zijn voorvaderen koloniseerden, leidden veldslagen, bekleedden ministersambten, en dachten en schreven mee aan de blauwdrukken van de apartheid. Malan blijkt een bijzonder ontzag te hebben voor ene Dawid Malan (1750-1824), die vrouw, boerderij, familie, reputatie, kortom alles opgaf en de wildernis in vluchtte met Sara, de jonge slavin van zijn buurman. Na zevenentwintig jaar dook dezelfde Dawid Malan opnieuw op in de Zuidafrikaanse geschiedenis, maar nu als een racistische voorvechter van blanke heerschappij. Op een haar na kreeg hij de strop wegens rebellie tegen de Britten. Over het lot van Sara is uiteraard niets bekend.

De enerverende genealogie van de Malans legt het fundament voor de geheide bestseller-kroniek die hij zijn Amerikaanse uitgever had beloofd. Maar in plaats van het vertrouwen in de schrijver en de degelijkheid van zijn voorbereiding te vergroten, wekken de eerste hoofdstukken achterdocht, zo slecht zijn ze geschreven en zo geforceerd en onvolwassen doen ze aan. ' Het was altijd een opluchting uit Soweto weg te gaan. Het ene ogenblik werd je geplaagd door schuldgevoel en bloedde je hart om het leed van je zwarte medemens. En het volgende moment deinsde je in afgrijzen terug voor wat ze deden en voor de latente bruutheid die ze in hun hart leken mee te dragen.'

NIET SUBTIEL

De rest van het boek is al even tweeslachtig. Het blijkt vooral gefundeerd op Malans lange ervaring als misdaadverslaggever. En hij was er niet een van de subtiele soort. ' Ik nam een baan aan die me in contact bracht met mensen die de meeste links-denkende blanken nooit ontmoetten en die me voerde naar plaatsen waar zij nooit kwamen. De meeste daarvan waren het toneel van misdaden, en veel van die misdaden waren moorden. Zo was mijn werk; ik waadde tot mijn kin door het bloed.'

Maar langzaam, schoorvoetend en ondanks zijn veelvuldige gespatter met ingewanden en afgehakte ledematen, en zijn stereotype macho-zelfbeeld, kan de lezer van Mijn verraders hart niet anders dan beseffen dat Malan soms wel degelijk moedig is, en dat hij zich meer dan eens in gevaar heeft begeven op zoek naar de waarheid. Helaas reiken zijn analytische gaven, inclusief die voor zelfanalyse, nooit veel dieper dan de verklaring dat hij altijd van zwarten heeft gehouden, op het obsessieve af, en dat vertrouwen en liefde de enige remedie tegen de haat zijn. Zijn gewoonte de lezer rechtstreeks als een vriend toe te spreken, gaat al heel gauw regelrecht tegenstaan. Retorische vragen als ' Ah, mijn waarde, lijkt het of ik door mijn cynisme ben vergiftigd?' klinken zeker in het Nederlands alleen maar belachelijk.

Het treurigst van dit boek is echter dat het duidelijk begint als een aanklacht tegen het blanke racisme, als een laaiend betoog tegen de apartheid, maar gaandeweg steeds meer wordt tot een aanklacht tegen de zwarte stammen van Zuid-Afrika, hun onderlinge wreedheden en onderling bloedvergieten. Wat overblijft van Mijn verraders hart is ten slotte weinig meer dan een rechtvaardiging van diepgewortelde blanke angsten. Maar het is een sluipende omkering, want Malan vertelt een aantal fascinerende reconstructies van gewelddadige misdrijven, die de onderliggende boodschap bijna doen vergeten.

Zo volgt hij de bloedige levensloop van Simon Mpungose, 'de Hamerman van Empangeni', de man die in het begin van de jaren tachtig slapende blanke echtparen de schedels insloeg zonder hun kinderen ooit een haar te krenken. Malan laat zien hoe anders de 'westerse' interpretatie van zijn pathologie is (arm gezin, kruimelmisdaad, wreed gevangenisregime, pesterige functionarissen na zijn vrijlating, werkloosheid, wanhoop en wraak) dan zijn eigen 'Afrikaanse' verklaring. Daarin wordt beklemtoont dat Mpungose is geboren uit een incestueuze relatie tussen broer en zus, werd vervloekt door grootouders en gemeenschap, en in terugkerende dromen werd achtervolgd door voorouders die hem ertoe aanzetten blanken te vermoorden door hun schedels te kraken zoals hij in de gevangenis stenen klein had moeten slaan. Ten slotte zou het de vervulling van zijn lotsbestemming zijn als afwijkeling 'herboren, in hoger sferen' zijn dood te verwelkomen.

WATERKANON

Een ander ijzingwekkend relaas in Mijn verraders hart gaat over een wilde goudmijnstaking eind 1985 bij de Randfontein Estates. Malan weet een scherp beeld te schetsen hoe die escaleerde onder de drieste leiding van de Xhosa-mijnwerker Themba Ngwasi. Hij heeft zelfs een verklaring voor de bezeten onverschrokkenheid van de stakers tegenover een nieuw anti-betogingswapen, het waterkanon: ze hadden zich ritueel ingewreven met zalf van een medicijnman waardoor kogels in water zouden veranderen. Dus vormde in hun denkwereld het voordien onbekende waterkanon het bewijs van de kracht van hun beschermend medicijn. Helaas maakt Malan ook hier in beschrijvingen van geweldsscenes veelvuldig gebruik van theatrale trucs om er zoveel mogelijk gruwel en bloederigheid uit te halen. Zo wordt wat aangrijpend is, tot goedkope sensatie.

Ook de politieke uiteenzettingen van Malan roepen veel vraagtekens op. In een nogal aparte poging tot opheldering betoogt hij dat Teddy Kennedy's roemruchte bezoek aan Soweto veel kwaad heeft aangericht. Het zou polariserend hebben gewerkt op de verhouding tussen de volgelingen van Steve Biko (leden van de Zwarte Bewustzijnsbeweging, spottend 'Zimzims' genoemd om hun verering voor allerlei -ismen) en hun rivalen, ' zij die Mandela zeggen', de Warara's ('waar-waar'), zo genoemd omdat ze verward in het duister zouden rondtasten naar een vijand. Over het ANC-UDF barst Malan in verwijten uit omdat het nog altijd het barbaarse optreden van zijn volgelingen niet veroordeelt. Dat zou de pretentie van geweldloosheid schaden, een pretentie die, zo klaagt Malan, nog altijd wordt geschraagd door de internationale pers. Maar al snel moet de politiek weer wijken voor bloederige details. Zijn beeldende beschrijvingen van taferelen waarbij tieners uit beide kampen worden doodgemarteld (' Zeg 'Mandela' of je gaat eraan', ' zeg 'Biko' of je gaat eraan'), van wreedheden waarvoor Winnie Mandela in hoge mate medeverantwoordelijk lijkt te zijn het is allemaal bijna ondraaglijk pijnlijk om te lezen.

Ook Malans verhaal over Neil en Creina Alcock die in Msinga als Zoeloes onder de Zoeloes leefden, leest men niet voor zijn plezier. De Alcocks waren excentrieke blanken, die hun krachten inzetten om woest land te ontginnen tot weiden en akkerland. Neil was al bevriend met Gatsha Buthelezi voordat deze Zoeloe-aristocraat stamhoofd werd, maar begon pas op latere leeftijd te agiteren tegen het racistische onrecht dat zijn blanke landgenoten bedreven. Hij werd gesterkt in zijn euvele moed door de wetenschap dat hij toch weldra aan leukemie zou sterven. Doch niet zijn ziekte, maar de zoeloes zouden hem de dood injagen. Alcock werd vermoord toen hij trachtte te bemiddelen in een stammengeschil. Vervolgens werd Creina beroofd, mishandeld en verraden door Zoeloes die ze als kinderen had geadopteerd. Dat later duizenden Zoeloes Alcock volgens oud (en ook al bloederig) stamceremonieel hebben vergoddelijkt, wordt de lezer als troost voorgehouden. Het lijkt Malans uiterste poging ons ervan te overtuigen dat blanken wel degelijk Afrikaan kunnen worden, als ze maar ver genoeg willen gaan.

De balans van Mijn verraders hart is ambivalent. Malan wekt koude rillingen met zijn levendige beschrijvingen van de onmenselijkheid van mensen jegens hun medemensen. Een groot deel daarvan schrijft hij toe aan oude religieuze stelsels die voor blanken niet of nauwelijks te begrijpen zouden zijn. Malan beseft blijkbaar niet dat hij met die redenering impliceert dat zwarten fundamenteel 'anders' zijn en zich niet laten meten met 'normale', 'beschaafde' maatstaven. En dat is een typisch argument van apartheidsdenkers. Zo steekt hij de zwarte Afrikanen, voor wie hij ogenschijnlijk een pleidooi houdt, in feite een dolk in de rug. Wat dat betreft, is de opdracht in zijn boek veelzeggend en enigszins beangstigend: ' Voor de vergeten legioenen van het Zuidafrikaanse midden, voor mijn ouders, en voor Creina, die zo'n enorm risico heeft genomen door mij te vertrouwen.'

Het is de vraag of de lezer dat risico kan nemen. Bladzij na bladzij blijven Malans pogingen om oprecht over te komen, zijn hang naar bloederige details, zijn zenuwpezige zelfkastijding, weinig meer dan genant. Mijn verraders hart is een boek om te lezen, maar meer als monument van de verborgen vooroordelen van de schrijver en zijn door een volstrekt overdreven besef van eigen importantie vertroebelde blik, dan om het geweld in ZuidAfrika te begrijpen.

Het is bijna lachwekkend te merken hoe Malan zijn eigen openheid en hartepijn verwart met de werkelijkheid van alle dag: ' Mijn betrekkingen met zwarten waren eigenlijk altijd onvolwassen gebleven, zweterig en nerveus, vol van onbeholpen aftasten en onbeantwoorde hunkering en wat kan dat anders zijn geweest dan liefde. ... Ik hunkerde naar nieuw vertrouwen, nieuwe vriendschap van zwarten, een eind aan al het absurde gelul, en vaak dacht ik mijn verlangen weerspiegeld te zien in de ogen van zwarten.'

Rian Malan moet nog maar eens goed kijken. Vertaling Rene Kurpershoek