Van de hongerdood gered

Toen Krayencour het poezebeest vanmorgen vroeg ontwaakte,

Voelde hij zich zo raar en flauw dat hij zich zorgen maakte;

Hij dacht opeens, verlamd van schrik, ik heb nog niet gegeten!

Die domme mensen hebben mijn ontbijt totaal vergeten.

Ja, Krayencour het poezebeest schrok werkelijk onbedaarlijk,

Misschien, zo dacht hij in paniek, misschien is 't wel gevaarlijk:

Al zes uur ben ik nuchter, zes uren zonder eten!

O dat voorspelt vast weinig goeds, 'k heb 't altijd wel geweten:

Je hoort soms dat je plotseling van honger dood kan blijven,

Ik voel mijn hartslag al niet meer, mijn leden gaan verstijven;

Mijn staart hangt krachteloos omlaag, mijn poten worden beverig,

Mijn ogen voelen uitgedroogd, mijn klauwen klam en kleverig.

Straks vindt men mij bewusteloos maar wel nog net op tijd

Zodat degene die mij vindt van wroeging zich verbijt

En zegt: 'Dat arme poezebeest, die arme Krayencour,

Geef dat van honger stervend dier wat liefde en wat voer!

We moeten (als hij 't overleeft) daar toch veel meer op letten.

Laat ons in onze wanhoop nu veel eten bij hem zetten.'

Ja, dat is wat gebeuren moet; ik haal ze uit hun bed,

Aldus besloot toen Krayencour, 't is hard, maar nood breekt wet;

En komen ze niet vlug genoeg, dan zal ik moeten dwingen,

Ervaring leert dat 't beste is om op hun hoofd te springen.

Na twee of drie keer komen ze dan dankbaar uit hun bed:

Goddank, de poes, nu eet hij weer! de poes is weer gered.