Strategische olievoorraad VS in zout

ROTTERDAM, 5 okt. Vorige week maakte president Bush bekend dat de Verenigde Staten een klein deel (5 miljoen vaten) van hun strategische oliereserve (SPR) gaan inzetten om aan de onrust op de oliemarkt een eind te maken. Binnen twee weken zou de eerste olie die in zoutkoepels ligt opgeslagen de markt kunnen bereiken.

Met nadruk is verklaard dat de actie niet is bedoeld om de olieprijs te beinvloeden. Daarvoor zou de reserve niet bedoeld zijn. Het zou gaan om een test. Dat lijkt een leugentje, want in technisch opzicht is het systeem, leest men in oude jaargangen van het Amerikaanse weekblad Oil en Gas Journal, al vele malen getest en ook heeft al regelmatig een gefingeerde verkoop van de ruwe olie plaatsgehad. In 1985 werden, in opdracht van het Congres, zelfs een miljoen vaten ook fysiek verkocht. Nog halverwege het afgelopen jaar werd de Amerikaanse olie-industrie opnieuw verzocht om gefingeerd te bieden op SPR-olie die in oktober, dus nu, zogenaamd zou worden aangeboden. Deze laatste 'papieren' verkoop is inmiddels afgelast.

De Amerikaanse overheid heeft steeds fijntjes in het midden gelaten of men met de Strategic Petroleum Reserve de markt zou beinvloeden. Officieel heette het dat de SPR slechts een strategische betekenis had, maar daaraan werd steeds toegevoegd dat men verwachtte dat louter het bestaan van de voorraad al speculatie en prijsopdrijving zou voorkomen.

Waar het om gaat is dat de Amerikaanse olievoorraad in zout ligt opgeslagen. Olie in zout! In Nederland mag de NAM niet eens naar zoutkoepels wijzen en in de VS heeft men, zonder dat er een haan naar kraaide, inmiddels 580 miljoen vaten olie in het zout laten zakken. De grootste olievoorraad ter wereld. Rekening houdend met hun dagelijkse consumptie van 16,6 miljoen vat olie en een eigen produktie van 9,2 zouden de Amerikanen daarmee 80 dagen vooruit kunnen. De Nederlandse reserve zit gewoon bovengronds in tanks die elke inventieve burger met Semtex, Iremite of boventallig rookzwak buskruit kan openblazen.

Het besluit voor de aanleg van een Strategic Petroleum Reserve in de VS viel in 1975, kort na de eerste oliecrisis (1973). Kennelijk is al in een vroeg stadium voor ondergrondse opslag gekozen. Oil en Gas Journal noemt geen alternatieven. En inderdaad komt dan, volgens een medewerker van de faculteit Mijnbouwkunde en Petroleumwinning van de TU Delft, vooral en bijna uitsluitend opslag in steenzout in aanmerking. 'Er zijn maar weinig andere geologische formaties zo ondoordringbaar als steenzout.'

Zo'n haast had het Amerikaanse ministerie voor energie, dat het aanvankelijk al bestaande cavernes (oplosholtes) overnam. Holtes die de industrie bij de zoutwinning had achtergelaten, zoals ook AKZO in Nederlands ondergrondse holtes achterlaat. Op vijf lokaties in de staten Louisiana en Texas werden groepjes van deze holtes onderzocht. Bij Weeks Island in Louisiana wist het ministerie de hand te leggen op een klassieke 'room and pillar'-zoutmijn van de onderneming Morton-Norwich, die goedvond dat men de zoutmijn onder de olie zette als de zoutwinning 100 meter onder de olie gewoon kon doorgaan. Dat kon.

Een groot deel van de kant-en-klare cavernes bleek bij nader inzien niet stabiel genoeg voor de opslag van olie, vooral bij Bayou Choctaw zijn er veel afgekeurd. Een caverne moet zeker vijf cycli van vullen en leeghalen kunnen doorstaan zonder dat beduidende vormverandering optreedt.

Omstreeks 1983 werd bij Big Hill in Texas begonnen met de aanleg van geheel nieuwe cavernes met een inhoud van 10 miljoen vat olie per stuk. Zoutcavernes maken is kinderwerk: je boort een gat naar een geschikte zoutkoepel en pompt zoet water uit de dichtstbijzijnde rivier naar de diepte en laat dat een gat vreten in het zout. De gevormde pekel voer je af naar de dichtstbijzijnde zoute zee, in dit geval de Mexicaanse Golf. Met wat geluk heb je binnen 1 a 2 jaar een caverne van voldoende grootte.

Omdat het zout op 500 meter diepte onder hoge druk staat en zout, geologisch bekeken, enigszins vloeibaar is, is het zaak de oplosholtes steeds onder druk te houden om te voorkomen dat ze dichtzakken. Het is dus niet zo dat cavernes leeg, droog en gevuld met lucht op hun olie staan te wachten, op zijn minst houdt men ze gevuld met verzadigde pekel.

Ook het vullen van de cavernes is eenvoudig. Men pomt de ruwe olie door het boorgat naar beneden, laat deze de aanwezige pekel verdringen en voert dat laatste via een aparte buis (binnen de oliepijp) naar de oppervlakte. Ook deze pekel, die in de praktijk wat olie kan meeslepen, wordt na een bezinking in speciale bassins en een eventuele verdere zuivering op de Golf geloosd.

Tot de werkzaamheden die met de aanleg van de SPR samenhingen behoorden verder de aanleg van een speciale terminal (overslagstation met aanlegsteiger) bij St. James en aansluitingen op bestaande commerciele oliepijpleidingen en terminals. Zowel bij de terminals als de diverse afzonderlijke SPR-lokaties zijn opslagtanks voor olie aanwezig.

Het vullen begon in 1976, werd even onderbroken in 1980 tijdens de tweede oliecrisis en ging daarna onder Reagan in straf tempo verder. Omstreeks 1983 was al 300 miljoen vat olie opgeslagen en nu is dat 580. De bulk van de olie ligt bij Bryan Mound (Texas) en West Hackberry (Louisiana). Het streven is uiteindelijk 750 miljoen vat olie op te slaan, later misschien zelfs een miljard.

De SPR-olie bestaat voor twee derden uit Mexicaanse en Britse olie. Het is voornamelijk nogal zwavelhoudende olie, sour oil: die is goedkoper dan de sweet oil die de industrie eigenlijk liever heeft. De olie is gedurende zeker 90 dagen met een produktiesnelheid van 3,5 miljoen vat per dag omhoog te halen. Daarna loopt die snelheid sterk terug.

Om de olie omhoog te krijgen wordt, schrijft Oil en Gas Journal, simpelweg rivierwater naar beneden gepompt. Dat perst de olie vanzelf uit de holte. Mijnbouw in Delft vraagt zich af of dat klopt: het zoete rivierwater zou immmers tegelijk nieuw zout oplossen en de caverne vergroten. Misschien dat snelheid de doorslag geeft.