Shakespeare ondersteboven; Het omstreden plan voor eenafnamefonds

Het gesubsidieerd toneel is volgens minister d'Ancona van WVC te vaak 'maatschappelijk niet relevant'. Daarom is het plan om subsidie van de gezelschappen naar de schouwburgen over te hevelen via een afnamefonds. De voorgenomen vorming van zo'n fonds is een reactie op de daling van bezoekersaantallen bij het gesubsidieerd toneel. De verontwaardigde reacties van vooral toneelmakers hebben geleid tot een gesprek tussen de betrokken partijen, die volgende week tot een vergelijk hopen te komen over alternatieve plannen. WVC kijkt goedkeurend toe: 'Als er een ander initiatief komt met hetzelfde doel verdient dat serieus te worden genomen.'

Het plan van WVC luidt als volgt: haal een deel van de subsidies bij de toneelgezelschappen weg (bijvoorbeeld 15 procent) en schuif dat geld door naar de schouwburgdirecteuren op voorwaarde dat ze het besteden aan het soort kunstzinnige voorstellingen, waarvan ze er nu te weinig willen of kunnen programmeren. Het gevolg zou moeten zijn, dat het aanbod van voorstellingen meer wordt afgestemd op de afname. Het plan is van kunst-onderzoeker Hans Onno van Berg, geadopteerd door het ministerie van WVC en fel omstreden.

Zulke plannen worden niet bedacht als het goed gaat. Sinds 1980 is het bezoek aan het gesubsidieerde toneel in Nederland gehalveerd. Alleen de Vereniging van Nederlandse Toneelgezelschappen (VNT) houdt al jarenlang staande dat die rekensom niet klopt; men bestrijdt dat er sprake is van voortgaande neergang en signaleert zelfs een groeiende belangstelling voor de gereorganiseerde gezelschappen in Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. Alle andere betrokkenen blijven vooralsnog bij hun mening, dat het de verkeerde kant opgaat. Volgens minister d'Ancona hebben toneelmakers de neiging zich op te sluiten in 'kunstkunst'. Hun werk, zei ze onlangs, is te vaak 'niet maatschappelijk relevant' het begint een sociaal-democratische traditie te worden de kunsten dat verwijt te maken. De maatregel om 'de geldstroom enigszins te verleggen van aanbod naar distributie en afname' zou de gezelschappen stimuleren om meer te reizen en meer rekening te houden met het publiek. En de schouwburgdirecteuren om meer avontuurlijke voorstellingen te programmeren en bij hun publiek te propageren. Dat is het uitgangspunt.

Gejongleer

Het nieuwe stelsel, dat in 1992 zou moeten ingaan, heet in de wandeling het afnamefonds. 'En het deugt niet', schreef Gerardjan Rijnders, artistiek leider van Toneelgroep Amsterdam, vorige maand in Toneel Theatraal. 'Het komt neer op een gereshuffle en geflikker met gelden en potjes, op vals gejongleer met uitkoopsommen en partage-regelingen.' Minder macht voor de toneelmakers, meer macht voor de schouwburgdirecteuren: 'Zij mogen dan voorstellingen inkopen, begunstigen, met geld dat weggehaald is bij de grotere gezelschappen en krijgen zo meer zeggenschap over het repertoire ten koste van de eigen verantwoordelijkheid van de artistieke leidingen die wel het geld moeten ophoesten.'

Rijnders heeft gelijk: achter de verschuiving van gelden zit een verschuiving van macht. Reeds jarenlang doen de schouwburgdirecteuren pogingen invloed uit te oefenen op het aanbod. In de vrije sector praten ze al danig mee. Er bestaat een geregeld overleg, waarbij de producenten hun voornemens bespreken met een delegatie van schouwburgdirecties. Op basis daarvan kunnen de producenten nagaan of er voldoende belangstelling voor een bepaalde voorstelling zal zijn. Het blijft aan die vergadertafel echter niet bij ja of nee. Menigmaal komen er suggesties van de directeuren: als je hoofdrolspeler X nu eens zou vervangen door acteur Y, maak je bij ons veel meer kans.

'Dat is een inhoudelijke invloed die we uitoefenen', beaamt Jan Knopper, directeur van de Vereniging van Schouwburg- en Concertdirecties (VSCD). 'Maar is dat zo erg? Zodra je al of niet een voorstelling boekt, is dat toch ook al een soort invloed op het aanbod? Op dat moment praat je al mee. Is het dan niet veel beter, ook voor de gesubsidieerde gezelschappen, om vooraf hun afnemers te peilen?'

Zijn achterban is overigens niet unaniem. Tegenover de voorstanders staan zij, die in een nieuw systeem geen enkel heil zien zoals Hans van Westreenen, directeur van de Koninklijke Schouwburg in Den Haag, die tijdens een recente discussie opriep tot een 'cultuurfilosofisch debat' tussen theatermakers en schouwburgdirecteuren. Een betere verstandhouding is nuttiger, betoogde hij, dan een financiele maatregel. De meningen binnen de VSCD lopen uiteen. Een schouwburgdirecteur, die regelmatig gesubsidieerde voorstellingen afneemt, heeft intussen uitgerekend dat het afnamefonds hem een extra programmeringsbudget van twee ton per jaar zou opleveren: 'En daar kan ik heel wat meer artistiek hoogwaardige produkties mee in huis halen.'

Bureautje

Hier past de vraag wat een artistiek hoogwaardige produktie is en vooral wie dat uitmaakt. Volgens het (nog in veel opzichten vage) plan voor een afnamefonds richt WVC een bureautje op, dat controle uitoefent op de richting van de geldstromen. Aan dat bureautje is dan een commissie verbonden, die de artistieke beoordeling op zich neemt. Voorlopig lijken vooral de voorstellingen van de zes grote gezelschappen voor dat predikaat in aanmerking te kunnen komen. De gezelschappen is dan ook als troost voorgehouden, dat ze door een goede verstandhouding met de schouwburgdirecteuren de gewraakte 15 procent zonder veel moeite zullen kunnen terugverdienen. Maar in schouwburgkringen wordt geopperd dat de directeuren hun extra budget ook moeten kunnen uitgeven aan het ad-hoc gesubsidieerde circuit en aan vrije producenten die niet zijn gespeend van artistieke aspiraties, maar nu nog vaak om financiele redenen moeten afzien van produkties met een risicofactor. Indirect zou een afnamefonds derhalve ook kunnen leiden tot een geringe, maar veelzeggende verschuiving van geld naar de vrije sector. Een precedent is reeds geschapen door de vorige minister Brinkman, die tijdens de laatste week van zijn bewind drie ton beschikbaar stelde aan de Shakespeare-serie van producent Martin Hanson en een ton aan een nieuwe versie van Amadeus, die volgend jaar door producent John van de Rest wordt uitgebracht.

Zulke geluiden zijn voor de grote gezelschappen een gruwel. 'Als een schouwburgdirecteur zich inhoudelijk met een voorstelling wil bemoeien, moet-ie die voorstelling zelf maar maken', verklaart Jos Thie, lid van de artistieke leiding van het RO-Theater. 'Wij zijn ervoor aangesteld om het repertoire vast te stellen en uit te voeren', aldus Gerrit Korthals Altes, zakelijk directeur van Toneelgroep Amsterdam. 'We moeten de invloed van de schouwburgdirecteuren verre van ons houden.' Hun organisatie, de VNT, zal overigens binnenkort nieuwe cijfers over het theaterbezoek publiceren. Daaruit moet blijken, dat het er op dit moment 'alleszins redelijk' voorstaat. Zo'n ingrijpende maatregel is helemaal niet nodig, menen ze.

Borrelpraat

'De hele discussie is grotendeels gebaseerd op gemakzuchtige borrelpraat', vindt VNT-directeur Jaap Jong. 'De schouwburgdirecteuren gaan er nog steeds van uit, dat het gesubsidieerd toneel Shakespeare het liefst ondersteboven en van achteren naar voren speelt, en dat de vrije produkties van Martin Hanson veel toegankelijker zouden zijn. Dat is onzin. Diezelfde schouwburgdirecteuren liepen kwijlend achter de Romeo en Julia van Dirk Tanghe aan. Het is een misverstand om te denken dat het beter gaat als zij meer invloed op de voorstellingen krijgen. Voorstellingen zullen altijd onvoorspelbaar blijven. Als de schouwburgen bij Toneelgroep Amsterdam hadden moeten kiezen tussen Vrijdag van Hugo Claus en Lulu, hadden ze allemaal voor Vrijdag gekozen bekendere namen. De werkelijkheid was dat het bij Lulu steeds stampvol zat en dat het bezoek bij Vrijdag veel te wensen overliet. Dat kun je van tevoren nooit weten.'

Maar is de introductie van het afnamefonds inmiddels onvermijdelijk? Volgens de planning van WVC komt minister d'Ancona begin november met 'een brede notitie over de relatie tussen kunst en publiek.' Onder auspicien van de Raad voor de Kunst zullen daarna verschillende werkgroepen concrete voorstellen moeten uitbrengen. Tot dusver blijft 1992 het sleuteljaar.

Volgende week beraden VSCD en VNT zich over een vreedzamere vorm van samenwerking. Ze zeggen te streven naar nauwkeuriger afspraken over planning en timing van speelschema's, waardoor het voor de schouwburgen bijvoorbeeld gemakkelijker wordt hun publiek een abonnement met gesubsidieerde voorstellingen aan te bieden. Hun beider woordvoerders spreken de verwachting uit, dat het tot een akkoord zal komen. De vraag is of ze met zo'n afspraak de introductie van een afnamefonds kunnen voorkomen. 'Als er een ander initiatief komt met hetzelfde doel een gemeenschappelijke krachtsinspanning om het contact met het publiek te verbeteren verdient dat serieus te worden genomen', reageert George Lawson, hoofd podiumkunsten bij het ministerie. 'Alle beweging in het veld is welkom.' Het antwoord luidt, kortom, ja: een onderlinge overeenkomst kan een goed alternatief zijn voor een van bovenaf opgelegde maatregel. 'We willen allemaal het huidige toneelaanbod handhaven', zegt Knopper. 'Dat is het belangrijkste, daarop is ieders streven gericht.'