Ruzie

Onlangs werd ik opgebeld door iemand die voor een of ander psychologie-tijdschrift een stuk aan het schrijven was. Wat ik als de slechtste eigenschap van mijn ouders beschouwde, wilde hij weten. Ze vragen tegenwoordig ook maar van alles. Ik antwoordde dat hem dat niets aanging, dat je zo'n impertinente vraag uberhaupt niet kunt stellen aan iemand wiens ouders nog leven, en dat wat dacht hij eigenlijk wel mijn ouders uitsluitend over goede eigenschappen beschikken.

Maar omdat niet alles wat onaangenaam is zich zomaar laat verdringen, bleef er toch iets hangen van die vraag. Daardoor herinnerde ik mij plotseling een gebeurtenis waaraan ik lang niet meer had gedacht, maar die toentertijd een grote indruk op mij had gemaakt.

Ik moet een jaar of twaalf zijn geweest, want mijn ouders hadden al een auto, een Engels Fordje waarvan de motor in de winter met een deken werd afgedekt. Omdat ik een groot deel van mijn jeugd als enig kind ben opgevoed, leefde ik buiten schooltijd in een wereld van volwassenen, een isolement waarin ik mij erg prettig voelde, maar dat mijn ouders enige zorgen baarde.

Daarom ging in de zomervakantie een vriendje mee, Gerrie, een jongen uit een klas die in het geheim over een dolk beschikte waarvoor menig Indiaan op de vlucht was gesprongen. En zo reden wij in ons Fordje naar een ver land dat Frankrijk heette. Mijn ouders, kettingrokend voorin. Gerrie en ik, kauwgom kauwend op de achterbank.

Zelf herinner ik mij die reis als een groot avontuur. Wij verdwaalden in bossen, liepen 's nachts langs de rivier waar wij een wild zwijn zagen, wij zongen bij het kampvuur, rookten stiekem een sigaar en voor het eerst in ons leven dronken Gerrie en ik een glas wijn. In Deauville vingen wij garnalen met een schepnet en een paar dagen later verzeilden wij door een gelukkig toeval in een nudistenkamp, waar wij ons vergaapten aan de naakte borsten van een

uw. Wij wisten niet dat ze zo groot konden zijn. Gerrie vertelde dat hij achter de gasfabriek een keer een neukend paartje had gezien, maar ik geloofde hem maar half, omdat ik mij nauwelijks kon voorstellen dat mensen zulke vieze dingen deden.

Vlak bij Toulouse ging de auto kapot, maar een passerende karavaan van zigeuners hield halt. Een van hen, een ongeschoren man met een vervaarlijke hangsnor, dook onder de kap en bracht de motor weer aan de gang. Weer ging mijn vader rond met een doos Hollandse sigaren. Ja, wij wisten wel hoe je die primitieve buitenlanders moest trakteren! In de auto zongen wij 'Een potje met vet' en 'We gaan nog niet naar huis', maar na een maand was het echt tijd om terug te keren. In volle harmonie maar toch een beetje treurig reden wij Holland binnen, waar het juist begon te regenen.

Bruin verbrand, rozig en met een gevoel van onbestemd geluk leverden wij die avond Gerrie af bij zijn ouders. Ik zie ons nog de trap oplopen. Hartelijk werden wij verwelkomd. 'En', vroeg Gerrie's vader, 'heb je het leuk gehad, mijn jongen?' Toen, in die huiskamer, gebeude er iets vreemds, misschien wel het vreemdste dat ik ooit heb meegemaakt. Koppig schudde Gerrie het hoofd. 'Die mensen', zei hij verwijtend op mij, maar vooral ook op mijn ouders wijzend, 'hebben een maand lang alleen maar ruzie gemaakt.'

Dat was een schokkend moment. Ruzie? Maar we hadden het toch juist zo gezellig gehad. Dat was de eerste keer dat we beseften dat onze manier van leven, die van voortdurend kibbelen, plagen, jennen, grapjes maken en ironiseren, op de buitenstaander de indruk maakt van een strijd die tot op het bot moet worden uitgevochten.

Hoewel ik er nooit in geslaagd ben dit pad van mijn ouders te verlaten, heb ik vaak gedacht dat het verwijt van Gerrie eigenlijk terecht was. Tot ik een paar jaar geleden Anny Hall zag. In deze film zijn Diane Keaton en Woody Allen verliefd op elkaar. Zij besluiten dat het eens tijd wordt elkaar aan elkaars ouders voor te stellen. Bij Diane's ouders verloopt alles heel formeel. Aan tafel valt geen onvertogen woord, de vader van Diane zegt precies op tijd 'lieve' tegen zijn vrouw. Bij Woody Allen thuis is het daarentegen een groot pandemonium van klagen, bekvechten en ruzie maken. Als ik het me goed herinner, pleegt de broer van Diane later in de film zelfmoord, als protest tegen zijn ouders.