Redevoering van president Weiszacker ter gelegenheid van de Duitse eenheid; Duitsland wil in verenigd Europa wereldvrede dienen

In de preambule van onze grondwet, die van heden af voor alle Duitsers geldt, staat de essentie geboekstaafd van wat vandaag onze gemoederen beheerst:

In vrije autonomie realiseren wij de eenheid en vrijheid van Duitsland. Wij willen in een verenigd Europa de wereldvrede dienen. Bij ons streven zijn wij ons bewust van onze verantwoordelijkheid voor God en de mensen.

Met heel ons hart zijn wij doordrongen van dankbaarheid en vreugde en tegelijkertijd van de grote, gewichtige taak die op ons rust. De geschiedenis biedt ons in Europa en in Duitsland vandaag een kans als nooit tevoren. Wij leven in een van die zeer zeldzame historische fasen waarin werkelijk iets ten goede kan worden veranderd.

De toestand in zowel binnen- als buitenland baart ernstige zorgen, dat zien wij niet over het hoofd. We nemen de bedenkingen bij onze buren serieus. En we beseffen ook hoe moeilijk het zal zijn aan de verwachtingen die uit alle windstreken op ons af komen te voldoen. We willen en zullen ons echter niet laten leiden door angst en twijfel maar door vertrouwen. Die wil geeft ons de kracht om de zorgen van alledag in het juiste verband te plaatsen tegenover ons verleden en onze toekomst in Europa. Voor het eerst vormen wij Duitsers geen conflictstof op de Europese agenda. Onze eenwording is aan niemand opgedrongen en in vreedzame consensus tot stand gebracht. Ze maakt deel uit van een pan-Europees historisch proces dat de vrijheid van alle volkeren en een nieuwe vredesorde op ons continent beoogt. Dat doel willen wij Duitsers dienen; aan dat doel is onze eenheid gewijd.

Wij hebben thans een staat die wij zelf niet langer als provisorisch beschouwen en waarvan de identiteit en de integriteit niet langer door onze buren wordt betwist. Vandaag krijgt de verenigde Duitse natie haar erkende plaats in Europa. Wat dat wil zeggen, is te zien aan de betekenis van grenzen. Geen ander Europees land grenst aan zoveel buurlanden als wij. Door de eeuwen heen is omwille van deze grenzen geweld gebruikt en oneindig veel bloed vergoten. Thans leven al onze buren en ook wij binnen veilige grenzen, grenzen die niet alleen worden beschermd doordat men heeft afgezien van het gebruik van geweld, maar ook door een diep besef van hun veranderde functie. Verdreven te worden van huis en haard was een onuitsprekelijk hard lot. Het grensconflict heeft echter iedere zin verloren, wat de wens om grenzen hun scheidende karakter af te nemen des te sterker maakt. Alle grenzen van Duitsland moeten tot bruggen naar onze buren worden. Dat is ons verlangen.

Het gedachtengoed van de Franse revolutie heeft, samen met de constitutionele ontwikkelingen in Amerika en Groot-Brittannie, de basis gelegd voor de Westerse democratie. Zo ontstond een denkbeeld van humane vrijheid binnen een rechtsstaat dat meer en meer tot een standaard is geworden. Wij Duitsers hadden al vroeg deel aan de democratische ontwikkeling. Maar we volgden haar in onze politieke praktijk maar schoorvoetend. De rechtsstaat was bij ons uit eigen tradities ontstaan. De gemeentelijke autonomie als gevolg van de Pruisische hervormingen uit de Napoleontische tijd werd bij ons de bakermat van de democratische mentaliteit. In het teken van de 'maartrevolutie' van 1848 zocht het volk eenheid, recht en vrijheid. Het wilde per se de eenheid, die uiteindelijk in 1871 tot stand zou komen, maar het had geen deel aan de besluitvorming. Telkens opnieuw toog men romantisch op zoek naar een derde weg voor de interne ordening van Duitsland en zijn plaats in Europa. Maar het bleven illusies. Ook de Weimarrepubliek lukte het niet een levensvatbare democratie te vestigen.

De stichting van de Bondsrepubliek Duitsland was van meet af aan verbonden met het streven van de Westerse mogendheden de deling van Duitsland te consolideren. Toch liep de weg naar de democratie niet opnieuw dood, al was het in het begin slechts een deel van de Duitsers vergund die te betreden. Vandaag echter kunnen wij samen een nieuw begin maken. De eenwording van Duitsland is niet zomaar een uitbreiding van de Bondsrepubliek. Want voor het eerst in de geschiedenis krijgt heel Duitsland zijn permanente plaats in de kring van Europese democratieen.

Te midden van onze Europese buren heeft het lot ons de afgelopen veertig jaar verdeeld gehouden. Een deel van ons heeft het begunstigd, een ander heeft het het leven bemoeilijkt. Maar het was en het blijft ons gemeenschappelijke Duitse lot. Tot dat lot hoort ook ons verleden en de verantwoordelijkheid voor de gevolgen daarvan. De SED heeft getracht een deling te decreteren. Zij meende dat ze, om zich van de last van het verleden te ontdoen, ermee kon volstaan zichzelf uit te roepen tot socialistische samenleving van de toekomst. Maar in de DDR heeft men dat heel anders ondergaan. De lasten als gevolg van de oorlog die de mensen daar moesten dragen waren veel groter dan in het Westen. En zij voelden steeds dat gewetensvol terugdenken aan het verleden een onmisbare, bevrijdende kracht voor de toekomst vormt.

Met groot respect heeft de wereld geboekstaafd hoe oprecht de vrije groeperingen in de DDR, en in de eerste plaats de jeugd, het als hun plicht zagen de schuld op zich te nemen die het vorige regime aan de historische medeverantwoordelijkheid had laten openstaan. Het bezoek dat de voorzitters van de twee vrij gekozen parlementen enkele maanden geleden aan Israel hebben gebracht ter herdenking van de holocaust, heeft daar een diepe indruk achtergelaten. Het bezoek symboliseerde de eenheid van de Duitsers, juist ook waar het hun historische verantwoordelijkheid betreft. De nationaal-socialistische tirannie heeft de mensen haast overal in Europa en ook hier een onmetelijk onrecht en leed berokkend. Wij zullen de slachtoffers altijd gedenken. En wij zijn dankbaar voor de toenemende blijken van verzoening tussen de betrokken mensen en volkeren.

Na het einde van de Tweede Wereldoorlog werd de tweedeling van Duitsland het symbool bij uitstek van de tweedeling van Europa. Die vertegenwoordigde niet het eendrachtige verlangen van de overwinnaars, maar was veeleer de consequentie van hun onderlinge onenigheid. Door de steeds scherpere tegenstellingen tussen Oost en West werd de deling geconsolideerd. Maar daarmee pleiten wij ons niet vrij: niemand in dit land zal ooit vergeten dat ook zonder de door Hitler begonnen oorlog nooit een tweedeling zou zijn geweest. In het teken van de koude oorlog en onder dekking van de nuclaire patstelling speelde zich vervolgens meer dan veertig jaar lang de concurrentiestrijd af tussen de maatschappelijke systemen van Oost en West. Thans loopt die fase ten einde. De regering van de Sovjet-Unie, onder president Gorbatsjov, heeft erkend dat hervormingen in de richting van democratie en markteconomie onvermijdelijk zijn. Men heeft hieruit moedige consequenties getrokken, de bevoogding van de Sovjet-bondgenoten gestaakt en hun politieke autonomie gerespecteerd. Zo werd de weg naar ongekend vreedzame revoluties in Midden-, Oost- en Zuidoost-Europa vrijgemaakt; zo kon de vrije keuze van de Duitsers voor staatkundige eenwording worden aanvaard.

Het welslagen van de hervormingskoers die de leiders in het Kremlin varen is nog verre van zeker. Maar nu reeds is een historisch resultaat geboekt. En velen, onder wie wij Duitsers, biedt dit reden tot dankbaarheid.

Onze dank gaat uit naar de democratische bewegingen en de bevolking in Hongarije, Polen en Tsjechoslowakije. Zij hebben de ontwikkeling naar vrijheid binnen de DDR als onderdeel van een gemeenschappelijk historisch proces op gang gebracht en gestimuleerd. Ook de hulp die zij de vluchtelingen hebben geboden en die rechtstreeks heeft bijgedragen tot de overwinning op muur en prikkeldraad zal niet worden vergeten. Het verenigde Duitsland zal in de toekomst streven naar een open en innige nabuurschap met deze volkeren. Op te komen voor vrijheid en mensenrechten is het credo van onze Westelijke bondgenoten en vrienden, vooral de Amerikanen, de Fransen en de Britten. Hun bijstand, doortastendheid en medewerkzaamheid zijn voor ons streven van essentieel belang geweest.

Maar in de allereerste plaats gaat onze dank vandaag uit naar de Duitsers die in de DDR de moed hebben opgebracht in verzet te komen tegen onderdrukking en willekeur. Al sinds meer dan tien jaar hadden bijeenkomsten en gebedsdiensten voor de vrede in de kerken de ideeen van de vreedzame revolutie gestalte gegeven, uitgediept en verbreid. De macht van de staatsveiligheidsdienst bleef echter alomtegenwoordig. Het gebruik van wapens dreigde tot ver in het najaar van 1989. Toegeven, opgeven zou maar al te begrijpelijk zijn geweest. Maar de hoop in de harten van de mensen liet zich niet langer onderdrukken.

'Wij zijn het volk.' Met die vier eenvoudige maar grote woorden werd een heel staatsbestel aan het wankelen en vervolgens ten val gebracht. Ze belichaamden het verlangen van de mensen het openbare leven, de res publica, in eigen hand te nemen. Zo werd de vreedzame revolutie in Duitsland een waarlijk republikeinse revolutie. En dat die volgde op bijna zestig jaar van wrede onderdrukking maakt haar des te verbijsterender en geloofwaardiger. Democraten hadden elkaar gevonden in hun streven naar vrijheid en solidariteit, een streven dat ons allen past.

Dank komt komt echter ook toe aan de burgers in het Westen. Zonder het vertrouwen van andere volkeren hadden wij ons niet kunnen verenigen.

De vorm van de eenheid is gevonden. Maar de eenwording realiseren kan alleen het soevereine volk zelf. Een ieder beseft dat op dat gebied nog veel te doen valt; we mogen niet verhelen hoeveel er nog is dat ons scheidt.

De fysieke middelen waarmee de tweedeling werd afgedwongen hebben hun doel, ons van elkaar te vervreemden, niet bereikt. Mensonwaardig als muur en prikkeldraad waren, ze hebben ons de wil om bijeen te komen alleen maar heviger doen voelen vooral in Berlijn, de stad die voor ons zo centraal staat in verleden en toekomst. Door de dagelijkse aanwezigheid van die muur, op ons netvlies, in ons bewustzijn, konden we het geloof in, de hoop op wat erachter lag niet opgeven. Nu is de muur weg, en dat is het belangrijkste. Maar meer dan vroeger onderkennen wij thans de gevolgen van een ongelijke ontwikkeling. Het eerst valt de materiele discrepantie in het oog. Wil de achterstand snel worden ingelopen, dan is daarvoor niet alleen onderlinge hulp maar vooral ook wederzijds respect noodzakelijk.

Voor de Duitsers in de voormalige DDR is de eenwording een existentieel omschakelingsproces waarmee zij dagelijks zeer direct in hun persoonlijk leven te maken hebben en dat hen vaak voor bovenmenselijke opgaven stelt.

In het Westen was de blijdschap over de val van de muur oneindig groot. Maar de gedachte dat de eenwording hun persoonlijk leven zou kunnen raken is bij velen nog niet doorgedrongen, of komt hun zelfs zeer ongelegen. Dat moet veranderen. Allereerst moeten wij elkaar beter leren begrijpen. Pas als wij werkelijk beseffen dat beide partijen kostbare ervaringen hebben opgedaan en zinvolle eigenschappen hebben verworven die het waard zijn om in de nieuwe eenheid te behouden, zijn we op de goede weg.

Eerst het Westen: daar verdient een ontwikkeling bijzondere aandacht. De bevolking in het Westen heeft in de loop van de jaren een affiniteit met het openbare leven ontwikkeld, vrij van onecht sentiment en nationalistisch pathos. Natuurlijk heeft de Bondsrepubliek in haar veertigjarige geschiedenis soms diepgande conflicten gekend tussen generaties, sociale groepen of politieke richtingen. Die werden vaak op het scherpst van de snede uitgevochten, zonder echter de hang naar het destructieve die zo'n heel donkere schaduw over de Weimarrepubliek wierp. De jongerenopstand aan het eind van de jaren zestig heeft, alle wonden ten spijt, bijgedragen aan een verdieping van het democratisch engagement.

Met de ervaring dat conflicten te beheersen waren, groeide een gemeenschappelijk erfgoed aan vertrouwen in de constitutie. Het voortdurende vergelijken van onszelf met andere volkeren is verminderd. Het hoeft niet meer overal elders slecht te zijn wil het bij ons goed zijn. En omgekeerd worden positieve situaties ook niet alleen aan gene zijde van de grens aangetroffen. Men is kalmer geworden in zijn oordeel en in zijn levensgevoel. Sommigen in het Westen ontdekken pas nu de voordelen van hun eigen staat. Er zijn er die in het verleden de scherpste kritiek leverden op de interne verhoudingen in de Bondsrepubliek, maar die zich nu bezorgd afvragen of in een verenigd Duitsland de liberale mentaliteit, het federalisme, de band met Europa niet te lijden zullen krijgen. Ik deel hun zorgen niet. Maar het is verheugend wanneer vooral jonge mensen in het Westen zich met hun openbaar bestel identificeren en in samenhang daarmee merken dat de Bondsrepubliek een goede naam heeft weten te verwerven. Ze zijn op een humane wijze in een internationale, vrijheidslievende beschavingsgemeenschap gegroeid, en ze willen dat kosmopolitische niet meer kwijt. Natuurlijk niet.

Dan nu de DDR. Daar ontmoet thans, in het uur van de eenwording, een noodtoestand aan de ene zijde de welstand aan de andere. Het zou echter even onzinnig als onmenselijk zijn ons te verbeelden dat wij, burgers uit Oost en West, elkaar nu tegemoet treden als exponenten van een mislukte en een geslaagde bestaansvorm, laat staan als vertegenwoordigers van goed en kwaad. Niet de mensen zijn meer of minder geslaagd, maar hun systemen. Dat zal duidelijk blijken wanneer de Duitsers in de voormalige DDR eindelijk de kansen krijgen die men in het Westen al tientallen jaren heeft.

Ieder leven heeft zijn eigen zin en zijn eigen waarde. Geen periode in het leven is ooit nutteloos, ook een moeilijke periode niet. De Duitsers in de DDR hebben onder de moeilijkste omstandigheden zaken van wezenlijk menselijk belang bereikt waarvan wij alleen maar kunnen hopen dat ze tot het erfgoed van het verenigde Duitsland zullen behoren.

Wie daaraan voorbijgaat, laat zich door het afgetreden regime nog eens lelijk bij de neus nemen. Dat stelde zich ten doel om door het dicteren van absolute regels in staat en maatschappij de gedachten en de aspiraties van de mensen vast te leggen, ja zelfs een nieuwe, socialistische eenheidsmens te kweken. Was dat gelukt, dan had die mens inderdaad beter tegelijk met het systeem het veld kunnen ruimen. Het communisme heeft echter schipbreuk geleden op de mislukking van die onderneming. De vrije menselijke geest won het van de arrogantie van het systeem, het individu van het collectief. De kiemen van deze bevrijding zijn tot ontwikkeling gekomen onder de dictatuur. Onvrijheid leert wat vrijheid is. Het leven in de DDR schonk die ervaring.

Weliswaar verzorgde de staat zijn burgers, maar de mens in zijn nood en in zijn waarde, erkende hij niet. Zo kon men vaak slechts voortbestaan door elkaar over en weer heimelijk te helpen. Nood baarde saamhorigheid. Solidariteit was niet een abstract woord uit beginselverklaringen meer, maar ontwikkelde een geheel eigen werkelijkheid. Er was moed voor nodig om voor kerkgemeenten en in diaconale inrichtingen te werken. Maar het heeft zegen gebracht: het heeft innerlijke kracht geschonken.

Het regime heeft hardnekkig getracht kunst en cultuur aan zich dienstbaar te maken. Er wordt thans heftig geruzied over het gedrag van kunstenaars en de kwaliteit van hun werk. Daarbij gelden geen taboes, en dat is goed. Maar ethische strengheid achteraf overtuigt alleen, en heeft alleen nut, als ze ook in de zelfbeoordeling meespeelt. Kunst fungeerde in de DDR veelal niet als politiek demonstratiemiddel, maar als een kracht om het leven te veranderen en te verdiepen. Het regime schiep geestelijke dorheid. Kunst was dan vaak voedsel voor de ziel. Daarin groeide geleidelijk de bevrijding van de gedwongen leugen, dat venijnigste gif van de afgelopen decennia, dat het vertrouwen in de staat, in de samenleving, tussen naasten en ten slotte in zichzelf heeft ondermijnd. Zo werd de vrijheid tot het kostbaarste goed, dat de mensen zich door hun rebellie met hun eigen moed hebben veroverd.

Sinds dat najaar van 1989 heeft het menselijk vermogen in de DDR zich onder onvoorstelbaar moeilijke omstandigheden van een nieuwe kant laten zien, in de burgerbewegingen, aan de ronde tafel en bij de metamorfose van de gemeentelijke overheden. In de Volkskammer namen mensen onvoorbereid een uiterste aan verantwoordelijkheid op zich.

Een bijzonder zwaar en deprimerend hoofdstuk is het wantrouwen dat de staatsveiligheidsdienst van de DDR zijn burgers heeft nagelaten. De kracht van het oude systeem is gebroken, maar de wonden schrijnen nog. Het verwerkingsproces kan niet van buitenaf worden gestimuleerd. In deze kwestie bestaat er geen extern salomonsoordeel: wie zelf aan die vergiftiging is blootgesteld is het eerst aangewezen om te helpen bij de ontgifting.

Niet het politieke idee van de staat als zodanig was fout, maar de identificatie van de staat met de absolute waarheid, en de arrogantie waarmee die aan een ieder werd opgedrongen. Het instrument daartoe werd de staatsveiligheidsdienst, de het moreel gezag van de overheid deed verkeren in de meest verdorven immoraliteit. Met even banale als meedogenloze middelen werden burgers bespioneerd, gechanteerd en gecorrumpeerd, en werd het verklikkerdom gestimuleerd. Het meest doortrapt was wel de methode om slachtoffers medeplichtig te maken.

Het zou in menselijk opzicht onbillijk en in een rechtsstaat onacceptabel zijn de Stasi-tirannie in de doofpot te stoppen. Het recht zal zijn loop hebben. Bij de behandeling van de Stasi-dossiers mag het geldende recht van geheimhouding niet ontaarden in bescherming van de daders. Psychische wonden helen langzaam. Voor het wegnemen van het wantrouwen is tijd nodig. Een poging alle schuldigen te vervolgen zou daarbij funest zijn: we zouden daardoor zelf afglijden in de richting van een gevaarlijk moralisme. Het doel is een gerechtigheid die niet vergelding beoogt maar verzoening en innerlijke vrede.

De eerste zorg gaat thans uit naar het economische en sociale voortbestaan. Het oude systeem is niet in de laatste plaats aan zijn economisch failliet te gronde gegaan. Daarom is het des te belangrijker dat de mensen in de voormalige DDR hun zelfbevochten vrijheid niet als een nieuwe tijd van ontbering beleven. Zij hebben gekozen voor de in het Westen beproefde sociale markteconomie. De Monetaire Unie maakte reeds een vrije vestiging en economisch initiatief mogelijk. Ook werd haast gemaakt met juridische voorwaarden voor concurrentie en sociale zekerheid.

Maar een wettelijk systeem alleen levert nog geen economische activiteiten op. Dat is mensenwerk. Een sociale markteconomie ontstaat niet in wetboeken maar in het denken en handelen van mensen. Voorwaarde daarbij is het besef dat vrijheid offers vergt, dat de opleving niet van de ene dag op de andere komt. De betrokkenen weten dat zelf beter dan wie ook. Voor velen is het een zware ingreep: omscholen, van baan veranderen, verhuizen, zoeken, opnieuw beginnen ... Maar de ervaring leert dat eigen initiatief loont.

Van niet minder beslissend belang is de onderlinge samenwerking in ons verenigde land. Volgens de grondwet hebben wij tot taak alle Duitsers vergelijkbare levenscondities en ontplooiingskansen te garanderen. Daarbij hoort ook een open en faire houding tegenover onze buitenlandse medeburgers.

Volgens een Chinees spreekwoord veranderen bergen in goud als broeders samenwerken. Het hoeft geen goud te zijn, en ook gaat het niet zonder zusters. Maar om een besef kunnen we niet heen: zich verenigen betekent leren delen.

De nationale staat heeft niet afgedaan. Maar wie denkt er genoeg aan te hebben voor de toekomst, leeft in het verleden. De belangrijkste problemen zijn niet meer door een natie op te lossen. Moderne systemen denken en functioneren niet nationaal. Dat geldt voor de veiligheid en het milieu, voor economie en energie, voor verkeer en telecommunicatie, voor onderzoek en wetenschap. Soevereiniteit betekent in onze tijd meewerken in de gemeenschap van landen. De Europese Gemeenschap heeft daarvoor een geloofwaardig model ontworpen, waarin nationale bevoegdheden die van beslissende betekenis zijn voor een vreedzame coexistentie op een supra-nationaal plan zijn geintegreerd. In de concurrentie tussen de systemen van West en Oost heeft de EG de essentiele impulsen tot hervormingen in het Oosten gegeven. De koude oorlog is beeindigd. Vrijheid en democratie zullen weldra heersen in alle Europese staten. Niet gedwongen door overmacht, maar eigener beweging kunnen deze landen nu hun betrekkingen zo intensiveren en met regelgeving beveiligen dat er voor het eerst een gezamenlijke levens- en vredesorde tot stand kan komen. Daarmee begint voor de volkeren in Europa een fundamenteel nieuw hoofdstuk in hun geschiedenis, met als doelwit de pan-Europese eenwording...

Wij kunnen slechts verder komen als we gezamenlijk met onze Westerse partners optreden, in de eerste plaats in en vanuit de EG. Wij Duitsers behartigen onze belangen het best en zullen bestaande bedenkingen bij onze partners het snelst wegnemen wanneer wij als geen ander land werken aan de versterking van de Europese Gemeenschap en wanneer wij zonder de minste vertraging voortgaan op de weg naar een economische en monetaire, en naar een politieke unie, zoals we dat hebben beloofd.

Wij stichten vandaag onze gemeenschappelijke staat. Hoe goed de eenwording ons menselijkerwijs zal lukken, wordt niet uitgemaakt door regeringsverdragen, grondwetten of besluiten van wetgevers. Dat wordt bepaald door het gedrag van elk van ons, door onze eigen openheid en aandacht voor elkaar.

Ik ben er zeker van dat het ons zal lukken oude en nieuwe kloven te overbruggen. Wij kunnen het enerzijds gegroeide constitutionele patriottisme met de anderzijds ervaren menselijke solidariteit tot een hecht geheel aaneensmeden. Wij hebben de gezamenlijke wil om de grote taken te vervullen die onze buren van ons verwachten. Wij weten hoeveel moeilijker andere volkeren op aarde het op dit ogenblik hebben. Hoe overtuigender wij er in het verenigde Duitsland in slagen onze verantwoordelijkheid voor de vrede in Europa en de wereld na te leven, des te gunstiger zal dat zijn voor onze toekomst in eigen land. De geschiedenis geeft ons die kans. Wij zullen die te baat nemen, vol optimisme en vertrouwen.

Woensdag 3 oktober hield de president van de Bondsrepubliek Richard von Weiszacker in Berlijn een toespraak ter gelegenheid van de Dag van de Duitse Eenheid. Hieronder volgt de vrijwel integrale tekst van zijn redevoering.