Niemand heeft ons gemist; Beeldende kunstenaars in Oost-Duitsland

'Help mij', staat er in gotische fantasieletters op de gevel van Rannische Strasse nummer 9 in de Zuidduitse stad Halle. Het is een straatje aan de rand van het oude centrum van de stad, die net als Dresden wel het Florence van het Noorden werd genoemd. In de Rannische Strasse kan alleen nummer 9 daar nog naar verwijzen. Wat eens de parel in een gevelrij moet zijn geweest, is nu een vrijstaand huis. De aanpalende panden zijn al afgebroken, hebben plaats gemaakt voor stoffige grond, containers en een paar Trabanten. 'Help', zegt het huis, 'Ik ben de enige topgevel uit de Renaissance die in Halle nog overeind staat. Een trotse 450 jaar sta ik hier al. Zal het daarbij blijven? Helpt!'

Ik weet niet of het voor nummer 9 al te laat is. Vorige week werd vrijwel het hele centrum van Halle door het gemeentebestuur op de nieuwe monumentenlijst gezet, maar het huis lijkt te vervallen om het uit te houden tot er geld beschikbaar is voor restauratie. De onderkant van nummer 9 is al dichtgespijkerd. Op de roestige ijzeren platen voor de deur en de ramen zijn posters geplakt van glanzende auto's op smetteloze snelwegen. Ze kondigen de tentoonstelling BMW Faszination aan, die in het weekeinde in het Kulturpark van Halle zal worden gehouden.

De Alte Markt een paar straten verder is beter onderhouden. Hij is ook minder verlaten dan de Rannische Strasse. Sinds kort zijn hier, lees ik in de nieuwste editie van een toeristische folder over de stad, een banketbakker, een snuisterijenzaak en een galerie voor jonge kunst gevestigd.

Het is ontegenzeggelijk modern wat er deze maand in de galerie Am Alten Markt te zien is. In de twee kleine kamers op de begane grond hangen sterk uitvergrote, bekraste en beschilderde foto's van Elvis Presley en van vliegtuigen, van een in extase verkerende vrouw in een witte strapless jurk en van een met behulp van video-apparatuur aangevreten opblaasbare sekspop. Het is de eerste tentoonstelling van een Westduitser in de galerie.

Galerie Am Alten Markt werd eind vorig jaar opgericht om het werk van nog onbekende kunstenaars uit Halle en omgeving te exposeren. Het was geen huiskamergalerie, maar een door het Verband Bildender Kunstler gefinancierde onderneming. Maar net als de al langer bestaande, ook door de staat gesubsidieerde Galerie Weisser Elefant in Berlijn en het Leonhardimuseum in Dresden, was deze galerie een van de schaarse vrijplaatsen van de Oostduitse avant-garde.

Op een tafeltje naast de deur ligt nog een catalogus van de vorige tentoonstelling. Hij was gewijd aan Andreas Schmidt, een jonge kunstenaar uit Halle die in juli 1989 zelfmoord pleegde. Schmidt schilderde landschappen, stadsgezichten, spelende kinderen, portretten van Henriette, fresia's in een vaas, in een stijl die soms aan Bonnard doet denken. Op de reprodukties in de catalogus lijken het melancholieke, een beetje lieve schilderijen. In het voorwoord schreef een van Schmidts vroegere leraren aan de Hallense kunstacademie: 'Jammer, lieve Andreas, dat je de omwenteling in ons land niet meer hebt kunnen meemaken. Wat had het je blij gemaakt want op de een of andere manier was dat je gelukt in Parijs of waar dan ook de schilderijen van Pierre Bonnard in het echt te zien.'

De schilderijen van Andreas Schmidt zouden in het westen onmogelijk tot de avant-garde gerekend kunnen worden. Ook in de DDR ligt het niet voor de hand. Wie in de Nationalgalerie in Oost-Berlijn de afdeling '40 jaar DDR-kunst' bezoekt, ziet dat er elk decennium meer 'ismen' werden toegestaan. Het werk van de vier bekendste DDR-kunstenaars Willi Sitte, Wolfgang Mattheuer, Bernhard Heisig en Werner Tubke is onderling sterk verschillend. Deze 'staatskunst' heeft nog maar weinig te maken met het socialistisch realisme van kloeke arbeiders en heldhaftige boeren, dat in de jaren vijftig hoogtij vierde. Dergelijke beelden waren bijna allemaal al voor de Wende naar de depots verbannen, ze zijn nu voornamelijk nog te zien op de muren van cultuurpaleizen en partijgebouwen. Zelfs Erich Honecker meende twee jaar geleden dat het socialistisch realisme want de term moest natuurlijk wel behouden blijven uit een veelvoud aan artistieke stromingen bestond. In de laatste zaal van de chronologisch opgebouwde tentoonstelling in de Nationalgalerie hangen zelfs twee abstracte werken.

Toch zegt Jan Wilde, schilder en medewerker van de galerie Am Alten Markt, dat het werk van Schmidt niet door iedereen gebillijkt kon worden. Wilde brengt de zelfmoord van Schmidt er zelfs mee in verband. Controverses over de vraag of men arbeiders op een schilderij wel treurig mocht laten kijken, zoals Harald Metzkes in de jaren vijftig overkwam, en of men de tragische ondergang van de Parijse Commune mocht laten prevaleren boven het heldhaftige van deze eerste proletarische revolutie, zoals Bernhard Heisig in de jaren zestig deed, kwamen in de jaren tachtig niet meer voor. Maar dat iemand alleen maar stillevens, landschappen en portretten wilde schilderen, werd tot het laatst toe niet geaccepteerd. Erich Honecker in 1984: 'Onze tijd heeft kunstwerken nodig waarvan in het middelpunt middelpunt de actieve, de geschiedenis bepalende held, de arbeidersklasse en haar vertegenwoordigers staan.'

Am Alten Markt is de enige galerie in Halle waarvan de openingstijden nog correct in het in maart gedrukte foldertje over de stad staan vermeld. De meeste galeries en musea zijn nog maar een paar dagen per week geopend en sluiten dan ook nog eerder. Er is geen geld meer voor personeel. En omdat de huren blijven stijgen, zullen de galerie van de Kunstacademie en de Staatliche Kunsthandel binnenkort waarschijnlijk helemaal moeten sluiten. Galerie Am Alten Markt is de enige die zich nog van subsidie heeft weten te verzekeren. Het Verband Bildender Kunstler bestaat in Halle al niet meer, het voormalige buitenbeentje wordt nu rechtstreeks door de gemeente gefinancierd.

Toch is ook Jan Wilde somber. 'Met de vrijheid verdween het geld en kwam de lethargie. De meeste kunstenaars zitten thuis en weten niet wat ze moeten doen. Ze krijgen geen opdrachten en geen subsidie meer. Vroeger was de galerie een klein eiland, waar gelijkgestemden elkaar redelijk ongestoord konden treffen. Op elke opening kwamen toch al gauw zo'n 250, 300 mensen. Nu komt er niemand meer.'

Stalinistisch

Een week voor de derde oktober herinneren de pleinen in de grote steden van de DDR nog het meest aan een verregende Koninginnedag. In de winkels koopt men niet meer, het is elke dag vrijmarkt. Op het Rode Vlag-monument in Halle staat een biertent. In de kraampjes ervoor verkoopt men koffie, bananen, videofilms, damesondergoed, plastic bloemen, elektrische boren, joggingpakken en kerstverlichting. Op de Alexanderplatz in het centrum van Oost-Berlijn staan kramen met verse vis, warme worst, verpakt brood, sigaretten, zelfgemaakte cake en koffie en, om ook hier de westerse toerist ter wille te zijn, soldatenkleding uit de Sovjet-Unie, speldjes met Lenin of een rode ster, verslagen van partijcongressen en politieke geschriften.

Niet ver van de Alexanderplatz zoek ik tussen de kraampjes in de Karl Liebknechtstrasse de ingang van de grote flat waarin het hoofdkantoor van het Berlijnse Verband Bildender Kunstler is gevestigd. Het kantoor bevindt zich prominent op de hoek van de eerste verdieping. In de grote zaal liggen langs de wanden hoge stapels boeken. Het verslag van het tiende congres van het Verband in 1988, met het welkomstwoord van Erich Honecker, het referaat van VBK-president Willi Sitte, en bijdragen van schilders als Bernhard en Johannes Heisig en Arno Rink. Op prikborden hangen protesten tegen de huurverhoging van ateliers en reclames van Westduitse verzekeringsmaatschappijen. Naast de brandblusser hangt een papier met de inventaris van het gebouw. Het VBK-Berlin bleek op 28 januari 1988 onder andere een tafeltennistafel, vier diaprojectors, 1 platenspeler, 197 klapstoeltjes en zes keramieke bloemenvazen te bezitten.

Het gebouw is leeg. Ik heb een afspraak met secretaris Bernhard Ismer, maar hij is er niet. Eindelijk kom ik in de gang een meisje tegen dat zegt dat hij misschien boven zit. Ik beklim de buitentrap weer en in een kleine ruimte aan de achterkant van het gebouw vind ik Ismer. Hij staat een kast in elkaar te schroeven en verontschuldigt zich. 'We zitten midden in een verhuizing.' In het grote kantoor van het Verband komt een bank, het VBK betrekt de kleine ruimte op de tweede verdieping. 'De markteconomie heeft geen kunst nodig', zegt Ismer.

Op verzoek legt Ismer de betekenis van het Verband uit. Het was een door de staat zwaar gesubsidieerde beroepsvereniging waar iedere schilder, beeldhouwer, graficus, ontwerper, criticus en historicus bij aangesloten moest zijn als hij zelfstandig wilde werken. In het statuut was vastgelegd dat alleen zij die goed figuratief konden tekenen het lidmaatschap verdienden. Via het verband werden subsidies en opdrachten verdeeld, kon men goedkoop materiaal kopen, deelnemen aan exposities, werk verkopen aan de Staatliche Kunsthandel en een studiereis naar het buitenland aanvragen. 'Het enige slechte', zegt Ismer terwijl hij een beetje lacht, 'het stalinistische was dat het Verband een monopoliepositie bekleedde.'

Het VBK had tot voor kort in Berlijn 2000 leden (in het hele land 6000). Nu het lidmaatschap vrijwillig is zijn het er nog 500. Opdrachten zijn er niet meer, de subsidiekraan is dichtgedraaid. De galerie van het Verband op de Frankfurter Allee moet sluiten. Ismer, die op 3 oktober werkloos wordt, vindt het onrechtvaardig. 'Juist de kunstenaars van het verband hebben meegewerkt aan het bewerkstelligen van de Wende. Hier in dit kantoor zijn toch de spandoeken voor de grote demonstraties gemaakt! In de kunst was het laatste jaar ook al veel meer toegestaan. Ondanks het statuut werd er abstract geschilderd en portretteerde men ook niet-arbeiders.'

De vrijheid die de vereniging met de Bondsrepubliek brengt is volgens Ismer betrekkelijk. 'Geestelijke vrijheid is er ook in de DDR altijd geweest. Men kon wat men dacht alleen niet altijd uiten. Nu wordt de kunstenaar ook niet vrij. Hij moet geld verdienen.'

Om aan geld te komen heeft het Verband in de expositieruimte onder de Fernsehturm op het Alexanderplatz voor het eerst in zijn negenendertigjarig bestaan een verkooptentoonstelling georganiseerd. Wie iets koopt, mag het meteen mee naar huis nemen. Een paar dagen voor de opening op 28 september leidt de schilder Olaf Nehmzov me rond. Het werk dat nog op de grond tegen de witte schotten geleund staat is van hetzelfde kaliber als dat van Andreas Schmidt. Ik vermoed dat de meeste kunstenaars voor deze gelegenheid de doeken met een socialistisch realistisch onderwerp thuis hebben gelaten. Schilderijen waarop de veranderingen in het Berlijnse stadsgezicht te zien zijn of 'cola-fanta-pepsi-sculpturen' zijn blijkbaar nog niet voorhanden. Wat overblijft zijn brave genrestukjes, voortbordurend op bijna alle stijlen die in de negentiende en vroege twintigste eeuw zijn uitgevonden. Niets valt op, niets springt eruit.

Nehmzov loopt trots rond. 'Hier in het oosten heeft men de klassieke schilderkunst verder ontwikkeld. In het westen is het object steeds minder belangrijker geworden, is men ideeenkunst gaan maken. Onze schilderkunst is veel minder oppervlakkig, hier gaat het nog steeds om de problemen van vorm en kleur.' Nehmzov is een van de organisatoren van de tentoonstelling die het Verband in december samen met de Westberlijnse kunstenaarsvereniging BBK houdt. 'Ik heb voor die tentoonstelling veel Westberlijnse schilders in hun atelier bezocht. De verschillen met Oost-Berlijn zijn reusachtig. In de ateliers hier ruikt het naar verf, staan tientallen schilderijen tegen de wand, er liggen persoonlijke dingen, men voelt: hier wordt hard gewerkt. De meeste Westberlijnse ateliers zijn wit en leeg. In een hoek staat misschien een object dat speciaal voor een tentoonstelling gemaakt is.' Nehmzov vermoedt dat dit komt omdat de meeste westerse kunstenaars voor hun kunst niet zo veel tijd hebben als de Oostberlijners ten tijde van de DDR. Ze moeten immers geld verdienen in hun bijbaantje.

Om in de kapitalistische economie het hoofd boven water te kunnen houden heeft het VBK voor Nehmzov zeker nog recht van bestaan. De Oostberlijners moeten solidair met elkaar blijven, net als voor de eenwording. Op de kunstmarkt zijn ze volgens de schilder zeker niet kansloos. Hun sterkste troef is het realisme, dat in de westerse kunst verwaarloosd is. 'Wij hebben het schildersambacht veel grondiger geleerd, mochten op school niet meteen experimenteren, maar moesten eerst het vak leren.' Nehmzov, die zelf les geeft op de Oostberlijnse hogeschool voor beeldende kunst, vindt dan ook dat er in Berlijn twee hogescholen moeten blijven, een voor experimenten en een om het vak te leren.

Het is juist deze toestroom van ouderwetse figuratieve kunst die de Westberlijnse kunstcriticus Thomas Wulffen vreest. Het zal Berlijn als culturele metropool niet ten goede komen. 'De Berlijnse kunstwereld is nog steeds een beetje ouderwets, vooral gericht op schilderen, op het neo-expressionisme. Wie in West-Berlijn woont en werkelijk moderne kunst wil zien, rijdt naar Keulen. Kunstenaars als Jeff Koons, Rob Scholte of Guillaume Bijl krijgen hier geen exposities. Toen de muur openging was er in de Nationalgalerie notabene een tentoonstelling van Bernhard Heisig! De DDR-kunst zal Berlijn nog provinciaalser maken.'

Installaties

De negentiende-eeuwse wijk Prenzlauer Berg is het Kreuzberg van Oost-Berlijn. Hier hebben de meeste kunstenaars hun atelier en zijn de alternatieve galeries Weisser Elefant en Die Wohnmaschine gevestigd. Sinds maart 1990 bevindt zich hier tevens galerie Vier, de enige particuliere galerie in Oost-Berlijn. Tot en met morgen exposeert de jonge kunstenaar Via Lewandowsky er. Zwolf Bahren zur Verbruderung heet zijn installatie. Twaalf roestige draagbaren met handvaten van was zijn schuin naast elkaar op het imitatieparket gezet. Op de linnen draagvlakken heeft Lewandowsky wonderlijke combinaties van verbonden of gespalkte lichaamsdelen geschilderd. Voor het eerst in de nog-DDR heb ik het gevoel voor een kunstwerk te staan dat naar de Duitse hereniging verwijst. Het zijn geen vrolijke verwijzingen. Hoe er ook gespalkt, verbonden en gestapeld wordt, de lichaamsdelen zullen het nooit tot een geheel brengen.

Via Lewandowsky is 26 of 27 jaar oud en volgde zijn opleiding aan de Kunsthochschule in Dresden. Met drie andere leerlingen begon hij in 1987 op te treden als Autoperforationsartist, onder andere in het Leonhardimuseum in Dresden en in de Weisser Elefant in Berlijn. Het moeten wilde performances zijn geweest, waarbij de kunstenaars hun lichaam doorboorden en andere pijnlijke dingen deden. Iets later begon Lewandowsky met installaties en Reproduktive Malerei, zoals hij het schilderen en monteren van bestaand materiaal, bijvoorbeeld encyclopedische afbeeldingen van misvormde lichaamsdelen, noemt.

In 1989 verliet Lewandowsky de DDR. Voor performances, installaties en reprodukties was het land nog niet rijp. Toen op een congres van het Verband Bildender Kunstler aan Willi Sitte werd gevraagd of er misschien een afdeling Aktionskunst kon worden opgericht, riep hij: 'Zolang ik hier de gekozen president ben zal zo'n afdeling er niet komen.' De kunsthistoricus Christoph Tannert werd als secretaris van de Arbeitsgruppe junge Kunstler van het VBK ontslagen nadat hij het in een artikel in een muziektijdschrift had opgenomen voor de nieuwe, genre-overschrijdende kunstvormen.

Tannert is een van de oprichters van galerie Vier. Hoewel hij nu tentoonstellingen voorbereidt over jonge DDR-kunstenaars voor Amerika en Scandinavie en hij aan een kunsthistorische monografie over de afgelopen veertig jaar werkt, zal de galerie zich niet op de uit de DDR afkomstige kunstenaars richten. 'Er is toch geen Oost en West meer. We moeten nu internationale kunst tonen.' Voor het komende jaar staan onder andere tentoonstellingen van Julio Mitchel, Ilya Kabakov, Guillaume Bijl en Marie-Jo Lafontaine op het programma. Op de internationale kunstmarkt zullen zich volgens Tannert maar zo'n vijf of zes jonge DDR-kunstenaars kunnen redden. Hij noemt de Autoperforationsartisten, de fotograaf Thomas Florschuetz en de schilder Klaus Killisch.

Tannert en Lewandowsky namen al deel aan een internationale kunstmanifestatie, die morgen voor het laatst in Berlijn te zien is. Elf kunstenaars, onder wie coryfeeen als Jannis Kounellis, Hans Haacke, Mario Merz, Christian Boltanski en Rebeca Horn, maakten installaties op zelf gekozen, meestal pijnlijke plekken in het oosten en westen van de stad. Het project, waaraan Heiner Muller de naam Die Endlichkeit der Freiheit gaf, was al bedacht voor er van een vereniging van de twee Duitslanden sprake was, maar de meeste kunstenaars maakten het toch tot hun onderwerp. Hans Haacke plaatste op een wachttoren bij de voormalige grensovergang in de Heinrich Heine Strasse het zilverkleurige embleem van Mercedes Benz, net zo een als op de Kurfurstendamm het Europacentrum siert. Titel van het werk: 'Die Freiheit wird jetzt einfach gesponsort aus der Portokasse'. De Poolse kunstenaars Krysztof Wodiczko projecteerde op het sinds vorige winter niet meer verlichte monument voor Lenin op de Leninplatz dia's van begeerde Westware als videorecorders, sigaretten en ghettoblasters. Organisator Christoph Tannert spreekt van een waarlijk missionaire arbeid, vooral ten opzichte van de Oostberlijnse bevolking. Voor het eerst komen de Oostberlijners, of ze het willen of niet, in aanraking met moderne kunst.

De Westberlijnse gemeenteraad had er 1,5 miljoen Mark voor over. Het Oostberlijnse stadsbestuur was minder gelukkig met het project. Wethouder van cultuur Irana Rusta had liever gezien dat het geld gebruikt werd om van een van de al schaars geworden stukken muur een gedenkteken te maken. Het stak Rusta ook dat aan het project zo weinig Berlijnse en helemaal geen Oostberlijnse kunstenaars deelnamen, die volgens haar toch de eerste rechten hadden. Christoph Tannert grijnst: 'Er zijn in Oost-Berlijn geen kunstenaars die goed genoeg zijn om aan zo'n tentoonstelling deel te nemen.'

Georg Baselitz vindt dat er in de voormalige DDR helemaal geen kunstenaars zijn. In juli zei hij tegen het Westduitse kunsttijdschrift Art dat alle kunstenaars in de DDR zonder uitzondering waren verworden tot propagandisten van de communistische ideologie. Het zijn geen kunstenaars meer, maar Arslocher. Baselitz komt zelf uit het oosten. Hij is een van de 665 kunstenaars die tussen 1949 en 1989 de DDR verlieten.

Dit precieze getal noemt Barbarba Baerthold, conservatrice van het Albertinum in Dresden. In dit museum opent zondag de tentoonstelling Ausgeburgert. Kunstler aus der DDR und aus dem sowjetischen Sektor Berlins 1949-1989. 'We begonnen in december met een lijst van 80 namen, onder wie natuurlijk Georg Baselitz, A. R. Penck, Gerhard Richter, Rolf Szymanski, Gunther Uecker en Bernhard Heiliger. We hadden zelf gedacht bij 300 uit te komen, maar het werden er veel meer. En het zullen er nog wel meer worden. Deze tentoonstelling is een daad van gerechtigheid. Eindelijk kunnen de werken van kunstenaars die na hun vertrek in de depots belandden, weer getoond worden.' De tentoonstelling werd bedacht door Werner Schmidt, tot eind 1989 directeur van het Dresdense Prentenkabinet. Hij toonde er werk van kunstenaars die in de grote musea niet werden toegelaten en probeerde schilderijen en objecten van geemigreerde kunstenaars te blijven verzamelen. Na de Wende werd hij directeur van de Staatliche Kunstsammlungen in Dresden. Schmidt wilde de tentoonstelling aanvankelijk Die wij misten noemen, maar dat was een aantal kunstenaars te sentimenteel. Volgens hen werden ze door niemand gemist. De zakelijkere titel Ausgeburgert werd bedacht door Penck.

Bij de tentoonstelling verschijnt een uitgebreide catalogus waarin ook een aantal brieven van kunstenaars aan Werner Schmidt is opgenomen. Gerhard Richter schrijft hem: 'Op de vraag waarom ik ben weggegaan kan ik alleen in gemeenplaatsen antwoorden, bijvoorbeeld dat kunst vrijheid nodig heeft om zich te ontwikkelen, en dat er in dictaturen dus geen kunst bestaat, niet eens slechte.'

Ontroerd

In een oude villa in een wijk ver van het centrum van Dresden bevindt zich op de eerste etage galerie Kuhl. Ik kom voor de tentoonstelling van Werner Wittig, maar er is in de kleine, hoge kamers veel meer te zien. Op smalle tafeltjes langs de wand en op de grond liggen plaatwerken over beroemde kunstenaars en boeken van Jules Verne, Strindberg, Marguerite Duras. Kleine antiquiteiten, brieven en droogbloemen omringen sculptuurtjes, schilderijen en prenten die niet alleen aan de muur hangen, maar ook op stoelen zijn gezet.

Galerie Kuhl heeft een lange geschiedenis. Heinrich Kuhl en Eva Kuhn begonnen haar in 1924. Ze exposeerden werk van Karl Schmidt-Rotluff, Ernst Ludwig Kirchner, El Lissitzky, Mondriaan, Moholy Nagy en Hermann Glockner. In 1936 verwisselde Kuhl zijn pand bij de Augustusbrucke in het centrum van de stad voor een etage in een rustige buurt aan de overkant van de Elbe. Van daaruit kon hij onder de toonbank werk van Dix, Heckel en Hofer blijven verkopen. Ook na de oorlog ging Kuhl door. In 1965 nam zijn zoon Johannes de zaak over. Onverstoorbaar bleef de galerie werk tonen van verboden of genegeerde DDR-kunstenaars als Glockner, Hans Kinder, Gerard Altenbourg en Willy Wolff.

In de volle galerie vallen de schilderijen van de Dresdense kunstenaar Werner Wittig, die hier ter gelegenheid van zijn zestigste verjaardag exposeert, niet meteen op. Zijn doeken zijn niet groot, de kleuren gedempt. Wittig schildert bijna altijd hetzelfde. Een paar huisjes van de zijkant gezien, zodat er slechts enkele kleurvlakken overblijven, meestal vergezeld door vruchten van dezelfde grootte. Het werk van Wittig ontroert.

Moet de DDR-kunst volgens andere maatstaven beoordeeld worden dan de Westeuropese, zoals Oost- en Westduitse kunstcritici beweren? Wie in de Gemaldegalerie Neue Meister in Dresden langs de vele schilderijen van Sitte, Tubke, Heisig en hun minder bekende soortgenoten loopt, is geneigd deze vraag met ja te beantwoorden. Want van Werner Wittig bezit de Gemaldegalerie slechts een doek.

BIANCA STIGTER