Maar 's nachts gelden andere regels; Israelische troepen in Gaza 'leven en laten leven'

GAZA, 5 okt. 'De civiele Israelische auto met de ongewapende chauffeur achter het stuur moet onmiddellijk worden tegengehouden. Is dat goed begrepen?' De mededeling knettert uit de luidsprekers in de gepantserde jeep waarin ik deze week enkele uren door het noordelijke deel van de Gazastrook reed.

De sergeant aan het stuur, het Uzi-machinepistool losjes op schoot, legt uit dat dit urgente bevel typerend is voor de nieuwe aanpak van de intifadah in de bezette gebieden van Likud-minister van defensie Moshe Arens. 'Wij willen voorkomen dat die onverantwoordelijke Israelier de weg kwijtraakt en in moeilijkheden komt. Na de moord op Amnon Pomerants (de 46-jarige reservist die vorige maand in Gaza een verkeerde weg insloeg en in het vluchtelingenkamp El-Bureij werd gelyncht) zijn de orders nog strikter geworden', zegt de sergeant.

Afstand

Tijdens de rit door de Gazastrook brengt de chauffeur de politiek van 'afstand nemen' in de praktijk. Hij negeert beleefd mijn verzoek het kamp Jabalya binnen te rijden en blijft zoveel mogelijk op de hoofdweg die van noord naar zuid door de armetierige en vervuilde Gazastrook slingert. 'Waarom zou ik risico nemen', zegt hij. 'Als we het kamp binnengaan kan er in een ommezien een incident ontstaan. Dat willen we juist voorkomen.'

Hij brengt me naar een klein tentenkamp op een heuveltje ten oosten van Jabalya waar op anderhalve vierrkante kilometer 60.000 Palestijnen hokken. Door een in de observatiepost opgestelde grote verrekijker wordt het leven in het kamp voortdurend in de gaten gehouden. Afwijkend gedrag wordt meteen doorgegeven naar de commandopost. Door de verrekijker gezien maakt Jabalya een rustige indruk. De sterke lenzen halen ezelkarren en door de steegjes krioelende kampbewoners heel dichtbij. Een half jaar geleden wapperden aan de elektriciteitsdraden in Jabalya tientallen Palestijnse vlaggen. Nu zie ik er niet een.

Op mijn verzoek rijden we naar de stad Gaza. 'Het is er heel rustig', had de sergeant gezegd. Plotseling zwenkt de jeep scherp naar links. 'Daar ligt een plankje met de punten van twee scherpe spijkers naar boven gericht', legt de sergeant uit. 'Daar moet ik voortdurend op bedacht zijn.' Achterdochtig kijkt hij naar groepjes Palestijnen die langs de weg lopen. Een Palestijns jongetje op een fietsje toetert hij opzij. Een aanrijding zou in een ommezien tot massa-demonstraties kunnen leiden. Vlak bij het punt waar de weg naar rechts buigt in de richting van het centrum van de stad Gaza komt de sergeant terug van zijn belofte een ritje door de stad te maken. Hij kijkt op zijn horloge en zegt: 'over een paar minuten gaan de scholen uit. Dan zijn duizenden kinderen op straat en kan onze verschijning een opstootje veroorzaken'.

Via de radio neemt hij contact op met een gemotoriseerde Israelische patrouille die de hoofdweg door Gaza moet openhouden voor het verkeer. 'Daar sluit ik me bij aan', zegt hij. Even later verschijnen twee militaire vrachtwagens uit zuidelijke richting. Achter plexiglaswanden met open ramen zitten op banken naar links en rechts kijkende soldaten. Uit de cabine prikt de loop van een geweer in de warme lucht.

Hinderlaag

Na een paar minuten rijden stuit het konvooi op een hinderlaag. Op de weg ligt verstrengeld prikkeldraad en brandt een autoband. Op het moment dat het konvooi stopt beginnen kinderen uit de hoogste klassen van een lagere school, de tassen nog op de rug, stenen te gooien. De soldaten springen met het geweer in de aanslag uit. De jongetjes kiezen vliegensvlug het hazepad. De soldaten vinden het niet de moeite waard erachter aan te gaan. Zij stoppen het verkeer en geven de inzittenden van de eerste tot stilstand gekomen auto opdracht de barricade op te ruimen. Zonder enige vorm van verzet en in stilte wordt het bevel uitgevoerd. 'Dat doen we de hele dag', zegt een soldaat. 'Daar draaien we onze hand niet voor om. We weten niet anders meer.'

Majoor Cobi ontvangt me in een tent in een basiskamp langs de hoofdweg. Hij is verantwoordelijk voor een stuk van het noordelijke deel van de Gazastrook.

'De situatie in de Gazastrook is ogenschijnlijk betrekkelijk rustig, maar vlak onder de oppervlakte gloeit de haat tegen ons. Je ziet het in de ogen van de Palestijnen. Ieder incident kan een felle kettingreactie in het hele gebied teweeg brengen', zegt hij.

Als reservist neemt hij de vrijheid voorzichtig zijn persoonlijke mening over de situatie te geven. 'Wij kunnen Gaza niet bezet houden. Dat is niet goed voor ons leger en het heeft militair geen zin.'

Om een opleving van de intifadah te voorkomen heeft het leger zich 'leven en laat leven' tot motto gemaakt. Overdag laten Israelische militairen zich zo min mogelijk bij potentiele wrijvingspunten zien. Nog maar zelden trekken patrouilles overdag de grote Palestijnse vluchtelingenkampen binnen. 's Nachts gelden andere regels. Dan worden overvallen gedaan om de leiders en activisten van de intifadah te arresteren. Veel meer wil majoor Cobi er niet over zeggen.

De overschakeling van de 'confrontatiepolitiek' van de socialistische minister van defensie Rabin naar de huidige politiek van 'de wijze hand' heeft de afgelopen maanden tot een drastische vermindering van het aantal doden in de Gazastrook geleid. In vier maanden, van 18 mei tot 16 september 1990, werd er volgens de Israelische legerwoordvoerder en het PPS, het Palestijnse persbureau in Jeruzalem, geen enkele Palestijn gedood.

Intifadah-moeheid en de drastische vermindering van het aantal slachtoffers hebben de volksopstand in de Gazastrook op een zichtbaar lager pitje gebracht. 'Maar het potentieel voor een nieuwe explosie is er', waarschuwt majoor Cobi.

    • Salomon Bouman