Liever pornografie dan Homerus

Zeker nadat Maarten 't Hart nog maar weer eens op hun huiveringwekkende aantal heeft gewezen, hoeft niemand meer op te kijken van schrijvende neerlandici. Toch is de ene neerlandicus de andere niet, of, anders gezegd, is de ene het nog iets meer dan de andere. Er is een subtiel onderscheid tussen een gewone en een bijzondere neerlandicus. Mij wil het althans voorkomen dat het verschil maakt of je een roman leest van onder anderen Doeschka Meijsing, Hermine de Graaf, Dick Schouten of Thomas Rosenboom, of van Ton Anbeek, professor in de moderne letterkunde. Drie jaar geleden debuteerde hij met de roman Gemeenschap.

Wat het lezen van zijn literaire werk beinvloedt, is de zonder twijfel discriminerende veronderstelling dat een professor, meer nog dan de vier bovengenoemden, de behoefte zal hebben bewonderde schrijvers te evenaren of te overtreffen, om zo voor zichzelf een mooie plaats in de literatuurgeschiedenis te veroveren. Van zo'n ambitie geeft Anbeek vooralsnog weinig blijk.

Zijn tweede roman, Sisyfus verliefd, maakt evenals het debuut, hoe treurig ook de boodschap die eraan ten grondslag mag liggen, een verbazend luchtige indruk. Anbeek verstaat de kunst een verhaal vlot en onderhoudend uit de doeken te doen. Een woord- of taalverliefde betoont hij zich daarbij niet, en evenmin een psycholoog of filosoof. Hij bedient zich van korte, eenvoudige zinnen en opvallend veel dialoog. Anbeek is, kortom, een heuse verteller, nog het meest in de satirische trant van Marijke Howeler, al hebben zijn romans een ernstiger ondertoon.

Net als Howeler neemt Anbeek graag zijn toevlucht tot de snelle typering en de generalisatie ('Er is maar een conclusie mogelijk: wij vrouwen zijn gemaakte wezens'), en ook is hij niet erg bang voor het cliche, voor bij voorbeeld 'hees gefluister', een 'poezelige huid', een 'verzengende blik' of een 'borend gesprek'. De individuele mens krijgt bij hem weinig kans tot zelfontplooiing. Hij zoekt wel, maar dan vooral naar iets dat groter, hoger en algemener is dan hijzelf, maar in de praktijk komt hij niet echt van de grond.

Anbeeks debuut stond evenzeer in het bovenpersoonlijke teken van de religieuze gemeenschap als in het meer particuliere van de geslachtelijke vereniging. Het aardige van deze roman is, dat Anbeek erin geslaagd is het dubbelzinnige karakter ervan intact te houden. De hogere en lagere aandriften van zijn hoofdpersoon houden elkaar zozeer in evenwicht dat hij zelf niet eens meer weet of het hem nu om seks of religie te doen is. In Sisyfus verliefd is het de mythologie, die de lust op een hoger plan moet brengen, maar het lijkt wel of Anbeek zich in dit geval wat vertild heeft aan de Olympus.

De eenzame en ongelukkige gymnasiast met wie we in het eerste hoofdstuk kennis maken, plaatst zijn eigen leven, in navolging van Sartre, in een breed perspectief. Alle mensen zijn immers eenzaam en ongelukkig, al weten ze dat zelf vaak niet. Maar zodra hij verliefd raakt, verdwijnt met zijn eenzaamheid dit existentialistische inzicht. Zes hoofdstukken en vele jaren en liefdes later, weet hij weer dat een mens gedoemd is tot een zinloos en absurd Sisyfus-achtig bestaan, waartegen ieder verweer tevergeefs is.

Je zou Sisyfus verliefd een ontwikkelingsroman kunnen noemen, als het niet zo was dat zich hier hoegenaamd niets ontwikkelt. De hoofdpersoon, onze hedendaagse Sisyfus, is namelijk niets anders dan een kind van zijn tijd, dat met alle winden meewaait. Hij doet aan existentialisme, hij is politiek geengageerd, overspelig, anarchistisch en burgerlijk gehoorzaam als de mode dat van hem verlangt. Niet alleen de geschiedenis herhaalt zich in deze roman, maar ook de liefde, en erg veel gemeenschap.

In Sisyfus verliefd heeft Anbeek het individuele mensenlot in een algemeen, mythologisch kader proberen te plaatsen. Het vergeefse leven van zijn hoofdpersoon, niet toevallig een classicus, had daarmee een soort eeuwigheidswaarde kunnen krijgen. Anbeek had denk ik wat meer moeite moeten doen om de tegenstellingen waarop zijn roman berust, die tussen antiek en modern, eeuwig en tijdelijk, goddelijk en aards, verheven en banaal, althans in enige mate met elkaar te verzoenen. Nu zitten we opgescheept met een classicus die eigenlijk meer van pornografie houdt dan van Homerus, die liever een partijtje tennis speelt dan zich te vermoeien met de restanten van het antieke cultuurgoed en die zich om een dame te versieren voorstelt als 'mytholoog'.

Bijster interessant is het leven van deze classicus, waarin het banale ruim de overhand heeft, al met al niet. Dat de ene vrouw als nimf wordt voorgesteld, de andere als sfinx of als godin en dat de uitspattingen die de leraren van een scholengemeenschap zich op zaterdag veroorloven saturnalia heten, neemt niet weg dat alles steeds maar op hetzelfde neerkomt. Benen die zich gewillig of na enige aandrang openen, waarna 'hij in haar beukte'. Ook wel tuimelt men op een bed, wordt er in 'haar gretige bekken' gegleden, waarbij zij 'hese kreten' slaakt, zonder dat er bij dit horten en stoten enige hartstocht in het spel is.

Het is een magere mythologie die Anbeek hier openbaart, een mythologie van brandende en razendsnel weer uitdovende liefdes en avonturen. Dat liefde, zoals ergens in dit boek wordt beweerd ook als het fout gaat een onderwerp is 'dat nimmer verveelt', zou ik dan ook niet graag zo maar beamen. Aan de verzuchting van de classicus dat hij zich soms zo topzwaar voelt en dat zijn hoofd een boekenkast is, kunnen we ook beter niet teveel aandacht besteden. De vraag zou zich anders maar opdringen of in die kast wel goede boeken staan.

EP)