Kort (vignet)

De oogst aan vertaalde Engelstalige boeken was de afgelopen zomer niet zo heel groot en dat is wel eens goed: het was de hoogste tijd voor uitgevers om uiterst kritisch hun boeken te kiezen en niet met veel uitgaven te gokken op een bestseller. Sommige van de belangrijkste vertaalde romans zijn al in de oorspronkelijke taal voor deze krant besproken, zoals Anita Brookners voorlaatste roman De leerschool van Lewis Percy (Contact, fl.34,90) wat minder saai dan de nieuwste, Brief Lives en Margaret Atwoods meesterlijke toekomstroman Het verhaal van de dienstmaagd (Bert Bakker, f. 29,90).

Zoals de titels al doen vermoeden gaan Herkansing (De Arbeiderspers, fl.49,90) van Alice Adams en Zilveren schakels (Bert Bakker, f. 29,90) van de volstrekt onbekende Hilma Wolitzer niet over kinderjaren. Geen van beide boeken lijdt aan pretenties; het zijn leesboeken voor een breed publiek. In Zilveren schakels dat zich bijna ongemerkt geheel in joodse kringen afspeelt probeert een 25 jaar getrouwd echtpaar de slijtage in hun huwelijk te herstellen door overspel (hij) en door op te stappen (zij). De lezer beseft aldoor hinderlijk dat ze nog steeds van elkaar houden en ze komen, na een zware hartaanval (hij) en een half gewenste baby (van hun zoon) juist voor het zilveren huwelijksfeest weer bij elkaar sadder and wiser natuurlijk. De roman is niet slecht geschreven, niet overal goed vertaald ('De woorden hadden me bij verrassing genomen'), en wekt, behalve enig medeleven met beide echtelieden, niets bijzonders op.

Pittiger en amusanter is Herkansing van Alice Adams, schrijfster van Superior Women (Voorbeeldige vrouwen). Deze roman volgt de gangen en gedachten van een groepje uiteenlopende vrienden en vriendinnen, dat elkaar al tientallen jaren kent of denkt te kennen. Adams zet sterk in met een paar veelbetekenende beginzinnen waarin de wat oudere hoofdpersonen met onvaste tred hun dagelijkse wandelingetje over Californische weggetjes maken. De schrijfster is op haar best als ze een klein beetje venijnig kan zijn ('Maar vandaag de dag wordt niemand meer malende, het heet nu Alzheimer als je niet meer weet waar je auto staat'), en als ze in snelle streken levendig al haar personages schetst. Wat minder is de poging om het plot aan het einde de wending van een misdaadroman te geven, maar daar staat genoeg leesplezier tegenover.

Dan een boek uit de categorie Had Niet Gehoeven. Het is verwonderlijk dat Tobias Wolff in de Verenigde Staten een uitgever wist te vinden voor zijn saai vertelde jeugdherinneringen; dat Bert Bakker er een vertaler aan zette is onbegrijpelijk. De jongen die ik was (Bert Bakker, f. 34,90) rijgt de ene onbeduidende gebeurtenis aan de andere. Het jongetje pest graag en is een stiekeme vandaal, maar lang niet gemeen genoeg om de schrijver die hij zal worden spannende of grimmige herinneringen te schenken. Wolff is geestig, verbaasd noch tevreden; geen enkele gedachte zet zijn autobiografische herinneringen kracht bij.

Hoe volkomen anders is dat bij de roman Isobel alleen (Van Gennep, fl.34,50) waarin de Canadese schrijfster Audrey Thomas een meisje laat opgroeien in precies dezelfde periode: de jaren veertig en vijftig, ook in Amerika. Dit is een mooi boek dat zeventien jaar op een vertaling heeft moeten wachten. Van Gennep zag uiteindelijk hoe subtiel en sterk het is. Isobel alleen (Songs My Mother Taught Me) valt, verwijzend naar William Blake, in twee delen uiteen: 'Liederen der onschuld', met de meest idyllische, roerende en ook smartelijke jeugdherinneringen, en 'Liederen der ervaring' waarin Isobel vakantiewerk verricht in de wrede wereld van een psychiatrische kliniek, op de 'strontafdeling'. De roman begint met de aankomst van het arme gezin in de bergen, om er zoals elk jaar in de fraai gelegen blokhut van een grootvader de zomer door te brengen. Het is puur kindergeluk met koekjes, chocolademelk en een marshmellow: 'We zaten op de bisonhuid voor de open haard. Ergens ver weg daagde de hond al een wasbeertje uit.' Toch is Isobel alleen geenszins snoezig; de moeder jaagt heel het gezin angst aan met aanvallen van razernij en ze minacht haar echtgenoot diep. Hij gedraagt zich als een hele vent maar hij is abnormaal bang voor lijden en voor de dood: 'En hij kreeg een keer een hartaanval in de stoel bij de tandarts, ongetwijfeld uit angst dat hij niet bij zou komen uit de verdoving.' Isobel voelt zich getekend door hun armoede en brengt nooit een vriendinnetje mee naar huis: 'Wat deden we al die jaren? Terwijl we ons voor elkaar schaamden, elkaar haatten, elkaar de schuld gaven. Verstotelingen, buitenstaanders, met onze ellende die zich uitspreidde als het vocht op de muren.'

De huisvriend (De Prom, f. 28,50) van Natalie Bates is hoogstwaarschijnlijk autobiografisch. Zo niet, dan bezit deze schrijfster een benijdenswaardig inlevingsvermogen. De ik-figuur, een jonge vrouw in Californie, heeft twee kleine kinderen en een mooie man, die ook een liefdesvriend blijkt te hebben. Bates weet haar wanhoop en pijn navoelbaar te maken, en ook haar pathetische pogingen om hem te behouden. Stilistische finesse ontbreekt echter. Michael, de homo- of biseksuele echtgenoot, wil tot elke prijs zijn tweede leven verborgen houden onder het motto: 'De meeste mensen weten zich geen raad met de waarheid en die mensen moet je beschermen.' De vrouw, Anne, reageert op alle mogelijke manieren nadat ze het geheim van haar man heeft ontdekt: op de schok volgen ongeloof, woede en haat, vertwijfeling, verzet en tenslotte een zelfmoordpoging. Als die mislukt, raakt ze uit wanhoop schijnzwanger. Uiteindelijk wordt ze opgenomen in een psychiatrische inrichting. Het boek eindigt redelijk happy, en zo hoort dat ook in een familieroman, al is het een moderne.

Fay Weldon speelt op haar manier een fantastisch spel met het gegeven van de schijnzwangerschap. Haar scherpe toon, humor en rappe zinnen grijpen de lezer meestal ook in De klonen van Joanna May meteen in de nek. De schrijfster leent ditmaal enkele trekjes van de detectiveroman en de strijd tussen de seksen wordt in deze roman op James-Bondachtige wijze uitgevochten. Ook jongleert ze met zorgelijke hedendaagse kwesties als de Tsjernobyl-fall out en DNA-manipulatie, maar ook met Tarot en de oude Egyptische cultuur. Zij kan dat op ongedwongen wijze. De klonen van de zestigjarige Joanna May zijn door een genetisch trucje gemaakt door haar echtgenoot, een machtige parvenu die een beestachtige inslag heeft overgehouden aan zijn jeugd die hij aan de ketting in een hondehok heeft doorgebracht. Zonder het te weten heeft ze vier dertig jaar jongere kopieen, wat in een roman leukere perspectieven biedt dan gewoon vier zussen of dochters. De man, Carl May, liet eerst haar honden ombrengen, toen haar minnaar en ging daarna, voor straf, bij haar weg. Ook hier houden hij en zij ondanks deze absurde omstandigheden nog steeds van elkaar, maar wat een verschil met Wolitzer! De klonen van Joanna May is een echte Weldon, dus een goedgeschreven en onderhoudende satire.

De Zweed Reidar Johnson faalde met de roman Mijn leven als hond (Bert Bakker, fl.37,90) in zijn poging Salingers Catcher in the Rye te imiteren. Wel werd een veelgeprezen film naar het boek gemaakt door Lasse Hallstrom, met een schitterend knulletje (en een dito hondje) in de hoofdrollen. Johnsons boek is nu in vertaling verschenen en stelt, ook in vergelijking met het filmscript (Faber en Faber), teleur. Het jongetje, Ingemar, probeert in het Zweden van de jaren vijftig met fantasieen, kolder en puberstreken te vergeten dat niemand veel om hem geeft, dat zijn moeder is doodgegaan en dat ook zijn hond verdween. Helaas ligt het er allemaal net iets te dik bovenop; de tragiek werkt net zo min als de humor. Het filmscript is aanmerkelijk subtieler en laat de ontvankelijkheid bij de lezer wel intact.

Van Mijn leven als hond naar Pat Barker is het slechts een kleine stap. Het boek Union Street (De Geus, f. 34,50) is de debuutroman van deze Engelse schrijfster en verscheen in de reeks Vrouwen-Wereld-Literatuur. In feite is het geen roman maar een reeks verhalen die zich in dezelfde verpauperde straat afspelen. Het zijn zeven vrouwenportretten die als een geheel werden verfilmd onder de titel Stanley and Iris met Jane Fonda en Robert de Niro. Barker schildert trefzeker, op vertrouwd naturalistische manier, de sfeer van een Noordengelse achterbuurt. Het proza leest gemakkelijk weg, tot het gaat kraken onder het gewicht van alle beschreven ellende. Een verkrachting, een werkloze man die zijn zwangere vrouw slaat, een lieve analfabetische vader van twee kindertjes die sterft aan eem slopende ziekte en een vrouw met een schizofrene schoonzus zijn te veel van het slechte. Afzonderlijk gelezen, met flinke tussenpozen, kunnen enkele van de schetsen misschien overeind blijven, vooral het eerste en langste verhaal over de reactie van een sterk en wonderlijk autonoom elfjarig meisje op haar verkrachting. Slechts een vleugje scherts komt in Union Street voor: de vrouw die een goor steegje afschuimt op zoek naar gebruikte condooms, ze oppakt met een zilveren suikertang en in een grote boodschappentas verzamelt om met die 'mannelijke energie' het missievuur in de kerk op te stoken.