Justitieel handwerk

HET RITUEEL VAN misdaad en straf werd onlangs in een boekbespreking in de New York Times getypeerd als 'America's great reality-avoidance mechanism', een welhaast volmaakt substituut voor kennis en nadenken. Ook in Nederland dringt deze gedachte zich wel eens op. Typerend was de reactie van de toenmalige voor politie verantwoordelijke ministers vorige zomer op de tegenwerping dat een speciale 'criminaliteitsfactor' die zij hadden ingevoerd bij de verdeling van de politiesterkte eigenlijk iedere wetenschappelijke onderbouwing miste. 'Die kritiek is op zichzelf genomen juist', erkenden zij. Toch meenden zij dat dit geen reden tot twijfel was. Het was immers 'een beleidskeuze'.

'Beleid' is thans weer het trefwoord van het vijfjarenplan dat het Openbaar Ministerie (OM) deze week presenteerde. Ook nu moet deze noemer kennelijk ontslaan van de noodzaak van al te veel inkeer en bezinning. De hoogste wijsheid die dit plan weet op te brengen lijkt wel 'sturing met prijskaartjes en doelbudgetten'.

De inzet van het beleid is zo stelt het Openbaar Ministerie met reden vast de geloofwaardigheid van de rechtshandhaving. Zou deze werkelijk slechts een simpele rekensom zijn? Zo wordt het wel voorgesteld met aankondigingen als: het ophelderingpercentage voor inbraken wordt verdubbeld van 12 tot 24. Alle (overigens nogal overspannen) claims op meer politiecapaciteit nemen niet weg dat andere ophelderingspercentages dan omlaag moeten. Een mooie uitwijk voor inbrekers.

DE GELOOFWAARDIGHEID van de strafrechtspleging waarvoor het OM alsof er geen rechter bestaat de centrale rol opeist kan kwantitatief meer hebben dan men denkt als de kwaliteit maar boven twijfel is verheven. En juist voor de legitimiteit van het justitiele beleid geldt volgens de bekende socioloog prof. Schuyt dat zij 'de laatste tien jaar onmiskenbaar is verminderd ook bij de meest gezagsgetrouwe groepen, de juristen'. Men spreekt in die kring al van 'turbostrafrecht'.

In het beleidsplan belijdt het OM ook wel zijn 'magistratelijke taak'. Maar het is blijkens ditzelfde plan steeds minder te onderscheiden van een gewone ambtelijke buitendienst van het departement van justitie, zoals minister Hirsch Ballin het ook bijna openlijk noemt. De dagelijkse praktijk wordt in toenemende mate gekenmerkt door effectbejag en blunders. Vrijwel op de dag dat de minister zijn eigen, nauwelijks te onderscheiden, beleidsplan presenteerde was het vorige week in Amsterdam weer prijs met iemand die veroordeeld was wegens een aanslag en die moest worden vrijgelaten. De reactie van het OM was typerend: geen opleving van beroepseer maar een pleidooi de wet op het punt van de vormfouten maar wat te versoepelen.

Het wordt tijd dat het Openbaar Ministerie nog altijd een keurkorps eens wat meer ernst maakt met het justitiele handwerk en wat minder vergadert over 'beleid'.