Het achterland van de Russische avantgardisten

Eigenlijk had Binnen de USSR en erbuiten, de tentoonstelling van Sovjetkunst in het Amsterdamse Stedelijk Museum, de Tweede Russische Tentoonstelling moeten heten, schreef Lien Heyting in haar CS-journaal (28/9). Want voor het eerst sinds in 1923 in hetzelfde museum de Eerste Russische Tentoonstelling werd gehouden, is er nu een overzicht van Sovjetkunst te zien in Nederland. Wie een indruk wil krijgen van de inmiddels legendarische Eerste Russische Tentoonstelling, moet naar Duisburg voor Russische Avantgarde 1910-1930, een tentoonstelling van 152 schilderijen, tekeningen en porseleinen borden uit Duits en vooral Russisch bezit.

Van de zeventig kunstenaars, van wie nu werk in Duisburg aanwezig is, was de helft 67 jaar geleden ook vertegenwoordigd in Amsterdam. In Duisburg kan de bezoeker nu zelf vaststellen in hoeverre de criticus van De Tijd gelijk had, toen hij in 1923 het werk van de Russische avantgarde omschreef als 'artistieke hokus-pokus' en 'cerebrale producten'.

Net zoals in 1923 in Amsterdam hangt in het Wilhelm-Lehmbruck-Museum veel figuratief werk, varierend van het sombere expressionisme van Solomon Nikritin en de duizelingwekkende labyrinten van Pavel Filonov tot het vreemde, koude realisme van Alexander Deineka en Joeri Pimenov. De tentoonstelling geeft hierdoor een redelijk goed beeld van de Sovjetkunst van rond de revolutie, die in het Westen door de eenzijdige belangstelling voor kunstenaars als Malevitsj en Tatlin maar al te vaak gelijk wordt gesteld met abstracte kunst.

Toch bestaat ook dit keer het grootste gedeelte van de tentoonstelling uit abstracte werken. Vele hiervan zijn onbekend en dat geeft de tentoonstelling een bijzonder karakter. Van kunstenaars als Valentin Joestitski, Michail Menkov, David Sagokin en Andrej Sjaposjnikov zullen nog maar weinigen in het Westen hebben gehoord. Zoals uit de in de catalogus opgenomen biografieen blijkt, zijn ze trouwens in de Sovjet-Unie zelf ook tamelijk obscuur. Van Sjaposjnikov weet men bijvoorbeeld niet of hij nu leefde van 1901 tot 1986 of van 1883 tot 1948 en over het geboorte- en sterfjaar van Menkov tast men zelfs helemaal in het duister.

Van de beroemde avantgardisten is vooral gekozen voor werk dat afkomstig is uit de diepe Russische provincie. Het is daardoor bijna net zo onbekend gebleven als de schilderijen van bovengenoemde kunstenaars. Ten onrechte, want alleen al de doeken van Malevitsj en Kandinsky uit Krasnojarsk, de schitterende Popova uit Krasnodar, en de mooie composities van Olga Rozanova en Alexandra Exter uit Nizjni Tagil zijn de reis naar Duisburg waard.

Dat deze schilderijen in provinciale musea terecht zijn gekomen, is overigens te danken (of te wijten) aan de avantgardistische kunstenaars zelf. Na de Oktoberrevolutie hadden zij het korte tijd voor het zeggen in het nieuwe Sovjetkunstleven en een van hun eerste maatregelen was de verspreiding van moderne kunst over heel het land, zodat ook de plattelandsbevolking er kennis mee kon maken.

Onder Stalin werden uiteraard ook in de provinciale musea de avantgardistische schilderijen verbannen naar de kelders. En omdat de glasnost en perestrojka er met vertraging zijn doorgedrongen, is men pas onlangs begonnen met het (opnieuw) inventariseren van het avantgardistische bezit. De tentoonstelling in Duisburg is dan ook waarschijnlijk slechts een voorproefje van de verrassingen die uit de kelders van Russische provinciale musea tevoorschijn zullen komen.