Gulle kopers; De collectie van Alla en Dicky Goldschmidt

De maker van het abstracte beeldhouwwerkje is anoniem. Het marmer met de licht gebogen lijnen doet aan de minimale plastieken uit de jaren zestig denken. Zou de kunstenaar binnen een paar decennia al in vergetelheid zijn geraakt? Niet ver van het marmer staat een donker vlechtwerk van ijzeren draden dat uit dezelfde tijd moet stammen. Zo werd het schroot in die dagen esthetisch opgewerkt. Maar ook de naam van deze beeldhouwer is niet meer te achterhalen; het beeldje kan met geen enkel oeuvre in verband worden gebracht.

De andere in deze ruimte geexposeerde werken zijn wel gesigneerd. Sommige maken net zo'n gemiddelde indruk als de twee anonieme plastieken. De kleurige vegen op een doek, de in het papier geprikte gaatjes, het fosforescerende plastic, de voorwerpen van de kermis, het zijn de gestorven kenmerken van een tijdperk geworden.

De beelden en assemblages staan schots en scheef door elkaar. Er is met moeite een looppad uitgespaard. De muren hangen vol schilderijen en tekeningen; geen plek is ongebruikt gebleven. Hier en daar zie ik toch een kunstwerk dat los is gekomen van de tijd waarin het is ontstaan.

Een schroeisel van Otto Pieno, een stilleven met een kan, een brood en vruchten van Andre Derain, het vrolijk bewegende sterrestelsel van Pol Bury aan het plafond. Het is niet eenvoudig dat stofgoud uit het grote aanbod te zeven.

In deze ruimte bestaat geen onderscheid meer tussen goed en slecht. Hier is het of iemand heeft gedacht: nooit meer een ballotage, geen voorkeuren meer, alles is evenveel waard.

Het ratjetoe van middelen, technieken en stijlen uit deze eeuw wordt tot begin december in het Museum voor Moderne Kunst te Brussel tentoongesteld. De directie heeft niet een krankzinnig geworden conservator ruim baan gegeven. De ongebruikelijke expositie is het gevolg van een wilsbeschikking.

Op 6 juni 1989 stierf de vierentachtigjarige Alla Goldschmidt-Safieva, een Russin die tijdens de revolutie met haar familie vanuit Moskou naar Belgie was gevlucht. In 1949 trouwde ze met de bankier Benedict Leopold 'Dicky' Goldschmidt (1905-1972), beherend vennoot van de Brusselse Bank Philippson.

Het echtpaar Goldschmidt had een grote passie: het verzamelen van kunst. De liefde voor schilderijen was Dicky Goldschmidt door zijn ouders ingegeven. Zijn vader Robert was zakenman en ontwerper. Hij bemoeide zich met de bouw van luchtschepen, boten en amfibievaartuigen, adviseerde koning Leopold II en koning Albert I. In Berlijn leidde hij het laboratorium voor experimentele thermo-dynamica. Robert Goldschmidt had al jong grote belangstelling voor beeldende kunst en was bevriend met de schilders Henri Evenepoel en Leon Spillaert.

Gabrielle Philippson, de moeder van Dicky Goldschmidt, kwam uit een bankiersfamilie. Haar ouders waren bevriend met de schilder Ferdinand Khnopff. Hij schilderde Gabrielle in 1885 toen ze drie jaar was. Een meisje gekleed in een witte jurk zit in een crapaud; ze heeft donker haar en donkere ogen.

Alla Goldschmidt had geen erfgenamen. Guy Perier-Goldschmidt, haar enige zoon uit haar eerste huwelijk, was in 1955 op negentienjarige leeftijd bij een ongeluk om het leven gekomen. Haar testament bepaalde dat haar kunstverzameling aan het Museum voor Moderne Kunst te Brussel moest worden geschonken. Het legaat omvat ook het woonhuis aan de Kongolaan nummer 6 met de meubelen en voorwerpen, kortom, het complete bezit van de schenkster.

In dat testament liet Alla Goldschmidt een buitengewoon verstandige bepaling opnemen. Ze kon van het museum moeilijk verlangen dat het de volledige collectie permanent zou exposeren. Daarom dient de executeur-testamentair het deel dat voorgoed naar de kelders zou gaan te verkopen.

Arcades

Ik loop nog een keer door de zaal met de anonieme beeldjes en het andere verworpen werk. Wat ik hier zie zal op 13 december 1990 door Christie's in de gehoorzaal van het museum worden geveild. Op die gewijde plek mag anders nooit iets openbaar worden verkocht, maar voor dit deel van de collectie Goldschmidt wordt een uitzondering gemaakt. Het geld zal immers ten goede komen aan het Benedict L. Goldschmidtfonds, dat het, naar een andere bepaling van Alla Goldschmidt, moet besteden voor de aankoop van werk van levende kunstenaars.

Op liefst drie andere verdiepingen wordt het werk tentoongesteld dat komend voorjaar in de vaste collectie van het museum zal opgaan. De keuze moet voor de speciale commissie nauwelijks een probleem zijn geweest.

Een van de mooiste doeken is Melancholie van een mooie dag, dat Giorgio de Chirico in 1913 schilderde. Een vrouw staat op een plein; we zien haar op de rug. Links van haar staat een gebouw met arcades, rechts een beeld van een liggende figuur. Ze kijkt niet naar haar omgeving, haar hoofd is gebogen. De datum van aankoop is niet precies vast te stellen, maar Benedict Goldschmidt kocht het in elk geval voor 1947 van de dichter Paul Eluard. Daar was een zekere moed voor nodig, want het figuratieve werk van De Chirico was in die tijd niet in de mode.

Benedict en Alla Goldschmidt wachtten niet tot het werk van een schilder respectabel was geworden. In het midden van de jaren zestig hadden zij al belangstelling voor het werk van Marcel Broothaers, toen deze Belgische schilder door sommige critici nog voor een epigoon van Magritte werd versleten.

Soms betrokken zij een werk in het jaar van zijn ontstaan rechtstreeks van de schilder. In 1953 kochten ze twee schitterende abstracte voorstellingen van de Fransman Serge Poliakoff met wie zij bevriend waren geraakt.

De verzameling groeide. Robert Goldschmidt had er met het werk van Ensor, Chagall, Spillaert, Wouters en andere oudere kunstenaars de basis voor gelegd. Alla en Benedict Goldschmidt lieten zich door hun intuitie leiden: een uitgesproken smaak voor een bepaalde stijl hadden ze niet. De namen van Max Ernst, David Hockney, Asger Jorn, Allen Jones, Claes Oldenburg, Cy Twombly, Andre Mathieu, Hans Hartung, Arman en Mark Tobey geven de grote tegenstellingen binnen de verzameling voldoende aan.

Toch doen die vertrouwde namen het werk van Alla en Dicky Goldschmidt tekort. Als je ze leest lijkt het toch nog of ze zich lieten leiden door de gangbare smaak. Het tegendeel is waar. Juist die twee zalen met het mindere werk op de onderste verdieping geven een indruk van de bezetenheid van het echtpaar voor de beeldende kunst.

Ze gingen vaak naar vernissages en kochten snel en gul, waren vlug geraakt door iets nieuws of wilden een schilder met weinig geld die hen beviel meteen helpen. Toen het huis aan de Kongolaan werd leeggehaald kwamen de schilderijen en tekeningen uit de kleinste kastjes. Hun hele woning was ermee gevuld. Om nog meer ruimte te krijgen werd later een garage met een eerste verdieping naast hun huis gebouwd.

De meeste van die impulsieve aankopen werden door het museum verworpen. De makers zijn soms al vergeten. En toch kan het belang van hun werk nauwelijks worden overschat. Het vormt de humus van een verzameling. Het museum in Brussel kon alleen zo'n goede keus maken omdat twee hartstochtelijke verzamelaars van alles wat ze zagen wel iets verwachtten. De meesterwerken komen pas later tevoorschijn.

De verzameling Alla en Benedict Goldschmidt: Museum voor Moderne Kunst, Koningsplein 1-2, Brussel; t/m 16 december di t/m zo 10-5 u.; de zalen met het deel van de collectie dat zal worden geveild kunnen alleen op donderdag worden bezocht.