Geroosterde muis in elk kattenhuis; Pre-Victoriaansekinderversje

Wie voor het kinderboek meer dan gewone ouderbelangstelling koestert belandt vroeg of laat aan de overzijde van het Kanaal. Daar ligt het land van Louis Stevenson, Lewis Carroll, A. A. Milne en Roald Dahl, van Randolphe Caldecott, Beatrix Potter, Ernest Shepard en Tony Ross. In zijn boek Les livres, les enfants et les hommes schreef de literatuurhistoricus Paul Hazard ooit dat men Engeland volledig zou kunnen reconstrureren aan de hand van de daar verschenen kinderboeken. Dat was in 1932, toen nog maar een enkeling de waarde zag van het kinderboek als bron voor sociaal- en cultuurhistorische informatie. In hetzelfde jaar verscheen Harvey Dartons Children's Books in England; five centuries of Social Life, ook nu nog beschouwd als standaardwerk, en werd in het Victoria en Albert Museum een grote overzichtstentoonstelling georganiseerd. Alle medewerkers moeten zich mede gebaseerd hebben op het werk van Andrew Tuer, die met zijn Pages and Pictures from Forgotten Children's Books al in 1898 een lans brak voor dit verwaarloosde hoekje van de geschiedenis. Volgens hem bevonden zich op dat moment in het British Museum 'piles and piles of children's books mostly of the 'penny plain and tuppence coloured' order which no one yet has had the courage to catalogue.' Na de oorlog groeide de aandacht voor het oude kinderboek gestaag en wat meegroeide waren vrees ik eerder de prijzen dan de moed om te catalogiseren. Er ontstonden enkele openbaar toegankelijke collecties en naast een indrukwekkend aantal fraai geillustreerde secundaire publikaties verschenen er met regelmaat fotografische reprints en facsimile-uitgaven.

Een van de meest omvattende en belangwekkende collecties, genaamd de Osborne Collection of Early Children's Books bevindt zich niet in Engeland, maar in de Openbare Bibliotheek van Toronto. De basis werd in 1949 gelegd, toen de Engelse bibliothecaris Edgar Osborne zijn priveverzameling van tweeduizend banden afstond. Tegenwoordig omvat de collectie bijna het tienvoudige aan titels. Zij is beschreven in een tweedelige catalogus, heeft een internationale vriendenkring en trok tien jaar geleden de aandacht door een voornaam facsimile-project. De Japanse uitgeverij Holp Shuppan reproduceerde perfect vijfendertig titels uit de periode tussen 1777 en 1895. Bij De Slegte liggen de boekjes nog altijd voor een grijpstuiver te koop.

Uit deze Osborne Collection maakte Leonard de Vries een bloemlezing. Al eerder had De Vries een keuze uit de vaderlandse jeugdliteratuur gemaakt in Bloempjes der Vreugd voor de Lieve Jeugd (1958). Het succes van deze bundel zette hem op het spoor van het Engelse kinderboek, dat uiteindelijk leidde naar Toronto. Daar koos hij voor Flowers of delight (1965) de mooiste negentiende-eeuwse versjes en verhalen. Hij droomde van nog een fraaier boek. In A Treasury of Illustrated Children's Books zijn tweeendertig van deze onooglijke prentenboekjes, die in het eerste kwart van de negentiende eeuw in onwaarschijnlijk grote oplagen gedrukt, verkocht en stukgelezen zijn gemiddelde omvang zestien pagina's, gemiddelde afmetingen tien bij vijftien centimeter in hun volle glorie te zien. De gravures zijn soms wat onhandig en boers van lijn, met knoestige poppenkastachtige personages, maar de voorstellingen zijn vol vaart en beweging en roerend buiten de lijntjes gekleurd met achteloze dotjes verf. En wat gaat het er in enkele geschiedenissen opwindend aan toe. Zo is er de fel realistische schets uit het kortstondig huwelijksleven van Jerry en Kitty, waar de man zich al veertien bladzijden na de eerste toenadering van zijn echtgenote ontdoet:

And Jerry was sick of his sweet little

Wife

Jerry alone Jerry alone

Jerry was sick of his dear little Wife

And wish'd he alone could be

So he told her the Sea was not very

deep

And popped her in when she went up

to peep

Oh! fye Mr. Leary, where is your

deary?

Just gone a bathing said he.

Onweerstaanbaar is ook Lady Grimalkin's Concert and Supper (grimalkin is een benaming voor een oude poes). Op de prentjes is een wervelend fraai uitgedost kattengezelschap te zien, dat te gast is op de lady's 'milk-party'. Met een aaneenrijging van zinnen als 'Men are fond of roast beef, but a barbicued mouse is the great standing dish in every Cat's house' is het werkje een regelrechte voorloper van T. S. Eliots Old Possum's Book of Practical Cats en een must voor Rudy Kousbroek. Het is nauwelijks voorstelbaar dat deze boekjes afkomstig zijn uit de periode 1805 tot 1825. Dat moeten bruisende jaren geweest zijn.

Veel bakerrijmen werden ook als uitgangspunt genomen: Old Mother Hubbard and Her Dog, Dame Trudge and her Parrot en Old Dame Trot and her Cat. Moedertje Hubbard bijvoorbeeld rent zich de benen uit het lijf om haar hondje te plezieren, maar het dier gaat voortdurend zijn eigengereide gang. Hond dood:

She went to the Undertakers

To buy him a Coffin.

When she came back

The dog was laughing.

De oude wijfies en hun begaafde huisdieren werden in korte tijd klassiek. In alle literatuur over de geschiedenis van het Engelstalige kinderboek worden ze genoemd, omdat het hier voor het eerst ging om lezen voor je plezier en niet om er een beter kind van te worden. In de tijd dat de prentenboekjes verschenen deed een rijmpje de ronde: 'Old dames who are funny/ Will bring us in money; Ther's wealth astronomical/ in a gaffer (=ouwetje) who's comical.' Met Old Mother Hubbard was uitgever John Harris, de opvolger van de beroemde John Newbery, in 1805 de eerste die tussen alle braafheid een vrolijk proefballonnetje opliet. Het succes kwam onmiddellijk: binnen vier maanden had hij er tienduizend verkocht, na twee jaar maakte hij de vierentwintigste druk. Het kinderboek was handel geworden.

Voor Leonard de Vries vormen deze boekjes de bakermat van de Engelse nonsenstraditie, die later door Edward Lear en Lewis Carroll voorgoed gevestigd zou worden. Met zijn boek wil hij een hommage aan het genre brengen. Dat is maar ten dele gelukt, omdat er ook versjes over de Goede Heer en tot inkeer komende kindjes zijn opgenomen, een speels rekenboekje, sprookjes en een geestig verslag van een grammaticafeestje, waar de werkwoorden, de voorzetsels en de lidwoorden er een dolle boel van maken. In mijn ogen geeft De Vries meer een idee van wat er zo lang geleden al aan fraais en oorspronkelijks voor kinderen bestond.

Aan zijn boek kleven twee grote bezwaren. Op enkele rare kleurverschillen na is het adembenemend mooi geproduceerd bij een Amerikaanse hoogglansuitgever, die gespecialiseerd is in kunst en quasi kunst. Zo'n boek moet dus worden vormgegeven en allemaal van die kleine plaatjes achterelkaar mag blijkbaar niet. Derhalve is meer dan de helft van de illustraties tot enorme proporties opgeblazen. De Vries legt uit waarom dit mooi is en wie het allemaal ook prachtig vinden. Ik ben het er niet mee eens. Veel prentjes worden er kaal en onbeholpen van, met onnodig grove lijnen en vervagende details. Ten behoeve van de boekenmakers anno 1990 moeten ze tot iets groters verheven worden. Dat is pretentieus en overbodig, want ze zijn groot genoeg in hun eigen kleinheid. De tweede bedenking betreft het tekstgedeelte van het boek. De begeleidende informatie en vooral die per individuele titel is uiterst summier. De inleiding is bijeengesprokkeld uit wat kenners elders opschreven en De Vries vermeldt dat ook keurig. Maar bij een boek met zo'n ambiteuze opzet en zulk interessant materiaal hoort een betoog, een eigen visie, eigen ontdekkingen. Nu die ontbreken ben ik bang dat men deze schatkist gretig zal openen, om er wat in rond te neuzen en hem vervolgens te vergeten.