Een smeltend boterbriefje; Roman van Joanne Werners

In 1987 debuteerde Joanna Werners met Droomhuid, een openhartig autobiografisch verslag van haar liefde voor een zwarte vrouw. Hoewel de schrijfster zich vaak te zeer liet meeslepen in het beschrijven van de hartstocht voor de geadoreerde Ilundi, leverde Droomhuid toch een boeiende roman op. Al schrijvende komt de ik-figuur erachter dat ze niet alleen verward is door haar verliefdheid, maar ook doordat ze voor het eerst gaat nadenken over het feit dat ze zelf zwart is. Behalve in haar verliefdheid volgen we de hoofdpersoon ook in haar analyse van haar Surinaams-Creoolse afkomst en haar positie in van de vrouwenbeweging in Nederland. Dit debuut maakte nieuwsgierig naar een vervolg.

In Zuigend moeras verplaatst de schrijfster zich in het Hindoestaanse meisje Aruna. In het eerste deel van de roman wordt beschreven hoe de 12-jarige Aruna nietsvermoedend wordt voorgesteld aan haar aanstaande echtgenoot en zijn broers. In enkele pagina's wordt een kleurrijk beeld geschetst van het tot dan toe ongecompliceerde leven van Aruna via beschrijvingen van de Surinaamse natuur, de typische Surinaamse vruchten en gerechten, met veel Surinaams-Nederlandse woorden en grammatica.

Aruna's leven verandert ingrijpend als ze op een middag bruut wordt verkracht door haar buurjongen. Ze blijkt zwanger en haar ouders zien geen andere oplossing dan haar naar Holland te sturen om hun de schande te besparen.

In de twee volgende delen, die zich in Holland afspelen, wordt de beeldspraak, met beelden die vaak verwijzen naar het leven in Suriname, steeds nadrukkelijker. Aruna is dan wel lijfelijk in Holland, haar geest blijft met Suriname verbonden. De vele vergelijkingen-met-als maken dit meer dan duidelijk: 'Ik zat te klappertanden op de achterbank, terwijl weilanden als amsoivelden en bruine koeien als bijenkorven voorbijflitsten.' Wanneer deze vergelijkingen elkaar opeenvolgen, gaan ze irriteren en verstoren ze de overigens wel natuurlijke vertelwijze.

In Nederland begint een martelgang langs talloze opvangadressen. Eerst bij de ronduit onaardige familie Diksasingh, dan in een tehuis waar de directrice zich over Aruna ontfermt. Bij de geboorte van Aruna's zoon, Remie, wordt vastgelegd dat moeder en zoon onder toezicht van de Voogdijraad komen. De druk om afstand te doen van haar zoon wordt steeds groter, maar Aruna weigert en zweert voor Remie te vechten tot ze erbij neervalt. Als ze 17 is wordt het tehuis opgeheven. Aruna gaat op kamers, werkt overdag en studeert 's avonds. Remie komt in een pleeggezin terecht. De beschrijvingen van de verschillende pleeggezinnen, van de confrontaties van Aruna met die zogenaamd goedbedoelende pleegouders en de leden van de Voogdijraad, die het allemaal zoveel beter denken te weten dan de moeder zelf, zijn ten hemel schreiend, maar de emoties van Aruna komen weinig tot leven. Ze is woest, ze is opstandig, ze doorziet het racisme dat ten grondslag ligt aan de vooroordelen van deze mensen ten opzichte van Remie en zijn jonge moeder, maar veel meer wordt er over haar gevoelens niet duidelijk. Haar persoonlijkheid wordt tamelijk eenzijdig belicht. Over de jaren tot haar 21ste wanneer zij Remie definitief bij zich krijgt, komen wij alleen te weten dat zij studeert, in het ziekenhuis werkt om Remie en zichzelf te kunnen onderhouden en vecht voor de zeggenschap over haar eigen kind. Geen geringe prestaties voor een jonge vrouw, moederziel alleen in een vreemde, vijandige samenleving. Maar in diezelfde periode ontwikkelt zij zich ook van kind tot vrouw, gaat zij relaties aan en denkt zij na over haar jeugd in Suriname en de verhouding met haar ouders. Deze laatste aspecten van haar leven worden jammer genoeg niet uitgediept. In Holland maakt zij twee vrienden, de directrice met wie de vriendschap na het sluiten van het tehuis al snel verwatert, en een collega op haar werk, die uiteindelijk ook vol vooroordelen blijkt te zijn.

Het vierde en laatste deel speelt zich weer in Suriname af, waar Aruna met Remie naartoe reist zodat hij zijn grootouders en tante kan leren kennen en het land waar hij gemaakt is. Het verblijf in Suriname wordt niet wat Aruna ervan had verwacht; de confrontatie met haar moeder en met haar zus is een teleurstelling. De kloof tussen hen is te groot geworden. Toch levert dit laatste deel interessantere literatuur op dan de voorgaande delen. Aruna rekent af met haar verleden. Het vacuum van haar Hollandse periode wordt op doorbroken. Haar vriendschap met de zelfstandige Afraajsa levert daarin een belangrijke bijdrage. Uren praten zij over hun idealen en toekomstverwachtingen. Beiden zijn het erover eens dat zij in ieder geval van een huwelijk niets verwachten: 'Die zogenaamde zekerheid van dat huwelijk, mij niet gezien. Ze noemen 't niet voor niets boterbriefje, het smelt, vooral hier in de tropen, het smelt en het sijpelt langzaam weg.'

Aruna besluit met Remie naar Holland terug te keren om haar studie af te maken: 'Op Schiphol regende het, en als late regendruppels die uit een paraplu werden geschud, viel mijn verleden stil.'

Het is jammer dat onder andere door dit soort geforceerde beelden dit tweede boek niet aan de verwachtingen voldoet die gewekt werden door Werners' debuut.

Joanna Werners: Zuigend moeras. Uitg. Furie, 192 blz. Prijs fl.27,50.