Een papegaai in de polder; Hollandse meesters uit Amerikaansbezit in het Mauristhuis

Nederland is een klein land aan de Noordzee. De inwoners, gehard door de strijd tegen het water en tegen de Spaanse koning zijn vrijheidslievend, rechtdoorzee en nuchter. Hun steden en dorpen munten uit in properheid, hun woningen zijn ordelijk ingericht en als er ooit iets van wanorde te bespeuren valt, dan komt dat omdat de Nederlander Sinterklaas, Driekoningen of kermis viert. Boeren, soldaten en zeelieden willen nog wel eens voor ruzie, rommel en gelal zorgen, in hun kroegen en wachtlokalen hangt een bedompte tabakslucht, maar verder is het deugdzaamheid en burgerzin die de boventoon voeren.

Het bovenstaande beeld leidt sinds de vorige eeuw een hardnekkig bestaan. Het is opgevoerd door Nederlandse historici, door buitenlandse reizigers en weer versterkt en uitgebuit door toeristische propaganda. Veel buitenlanders hebben moeite te erkennen dat het hier lang niet allemaal rein, tolerant en ruimdenkend is. Voor hun beeld blijkt altijd de zeventiende-eeuwse schilderkunst bepalend te zijn geweest. De indrukwekkende sobere portretten van Rembrandt en Frans Hals tonen zelfbewuste burgers, geen praalhanzen, de kerkinterieurs van Saenredam zijn de iconen van ingetogen calvinistische devotie, Vermeers schilderijen en die terughoudende kleine stillevens geven toch duidelijk de eerbied weer voor het alledaagse, de liefde voor het kleine. Mijn idee is altijd geweest dat vooral Amerikanen aan dit beeld hechten, dat vooral zij zie ook een boek als dat van Simon Schama zo'n geidealiseerde visie op ons aan het water ontrukte landje hebben.

Ik verwachtte dan ook op de grote expositie Hollandse Meesters uit Amerika in het Mauritshuis een oerhollands bescheiden ingetogen Nederland tegen te zullen komen. Maar niets is minder waar. Het beeld is volkomen anders. Manieristen, caravaggisten, italianisanten, grote mythologische en bijbelse taferelen maken de dienst uit. Geen Saenredam, geen vechtende boeren van Brouwer of de Ostades, zelfs geen bundeltje asperges van Coorte. Hier hangen schilderijen met onbekrompen maten, waarvan vooral opvalt dat er heel veel op te zien is, en dat er behalve op de portretten veel beweeglijkheid heerst. Wat is hier aan de hand? Waar is het vertrouwde Nederland gebleven?

Laat er geen misverstand over bestaan: dit is een mooie en belangrijke tentoonstelling. Het Mauritshuis heeft 69 zeventiende-eeuwse schilderijen bijeengebracht uit meer dan veertig verschillende Amerikaanse musea en particuliere collecties. Het museum noemt het de creme de la creme van wat er op dit gebied in Amerika voorhanden is, maar relativeert deze opmerking direct weer door te melden dat de ideale tentoonstelling nooit te verwezenlijken valt, dus ook niet in dit geval. Musea die niet uitlenen, kwetsbaarheid van doeken en panelen doorkruisen altijd tentoonstellingsplannen. Desondanks blijft de bezoeker van het Mauritshuis rondlopen met de vraag wat nu eigenlijk het selectiecriterium is geweest, waarvoor deze keuze nu representatief is. Is het een doorsnee van de Amerikaanse smaak? Nee, dat kan niet want die smaak is in de eeuw verzamelen die deze tentoonstelling omspant telkens veranderd. Is het dan de smaak van de samenstellers? Die heeft een grote rol gespeeld. Maar waarom dan zo'n zwaar accent gelegd op de verzamelgeschiedenis? Want de uitvoerige catalogus en het tegelijk verschenen nummer van Kunstschrift besteden grote aandacht aan de Amerikaanse verzamelaars en hun veranderende smaak. Men zou de tentoonstelling bijna als een illustratie van de essays gaan beschouwen, zo gedetailleerd worden de belangrijke verzamelaars en de herkomst van de afzonderlijke schilderijen beschreven.

Bierbrouwers

Amerikanen hebben al vanaf de achttiende eeuw Europese kunst verzameld, maar pas vanaf het eind van de vorige eeuw zijn verzamelaars zich ook gaan richten op Nederlandse meesters. Geld was er in overvloed. Bankiers, staalmagnaten, oliebaronnen, perstycoons, bierbrouwers, warenhuisgiganten, zij allen bouwden hun paleizen en lieten die inrichten met kunst uit de Oude Wereld. Geld is een voorwaarde om een kunstcollectie aan te leggen, maar zonder kennerschap kom je niet ver. De essays in de catalogus geven een fascinerend verslag van de activiteiten van Amerikaanse miljonairs. Hun namen leven nog in musea of deelcollecties daarvan voort: Mellon, Widener, Frick, Pierpont Morgan, J. Paul Getty en vele anderen. Het zijn verhalen van autoritaire magnaten, die of zelf op stap gingen langs de kunsthandels in Londen, Parijs, Munchen en New York, of agenten, makelaars, kunsthistorici of andersoortige tussenpersonen lieten opereren. Het zijn verhalen van kennerschap en trefzekere aankopen, maar ook van miskopen en van zuivere oplichterij, van handige transacties, veilingen, dubieuze certificaten en nobele schenkingen. Maar hoe dan ook, vanaf het eind van de vorige eeuw zagen velen in Nederland de yank als een a-culturele kapitalist die voor zijn status Europa afstroopte naar in de eerste plaats Rembrandt en Frans Hals. Tegen hun cheques waren de Nederlandse musea en de particuliere verzamelaars niet opgewassen. In pers en parlement kwam de kwestie uitvoerig aan de orde en hier en daar kon een verkoop voorkomen worden door overheidsingrijpen. Zo kon in 1908 het Melkmeisje van Vermeer voor Nederland behouden blijven. Langzaam maar zeker verstomden de verontruste klanken en in 1913 kon zelfs de directeur van het Mauritshuis Abraham Bredius, die zich altijd smalend over de Amerikanen had uitgelaten, na een bezoek aan de Verenigde Staten zijn bewondering uitspreken.

Wat zich nu in Amerikaanse collecties bevindt is het resultaat van twee eeuwen verzamelen, door zeer verschillende liefhebbers. Sommige verzamelingen zijn afgerond en getuigen van de smaak van een persoon, andere collecties worden nog steeds uitgebreid en geven een heel ander beeld. Men kan niet spreken van een typisch Amerikaanse smaak zonder dat voor een bepaalde periode te preciseren. Aan het eind van de vorige eeuw vormde zich een canon die nog decennia lang in deze eeuw gehanteerd bleef. Nederlandse kunst was Rembrandt, Frans Hals en Vermeer in de eredivisie, Ruysdael, Saenredam en Steen in de eerste divisie. Men was uit op het als realistische weergave van het alledaagse leven ervaren werk: Hollandse landschappen, portretten, genrestukken en stillevens. In 1928 werd de de verzameldrift van W. A. Clark, senator van Montana verklaard uit de 'sincerity' van deze schilderijen, 'their truth' en 'their wholesome realism'.

Aan het in stand houden van deze canon hebben Nederlandse kunsthistorici en cultuurhistorici van harte meegewerkt. Alles wat zweemde naar ingewikkelde allegorieen, naar Italiaanse of Franse invloeden werd afgedaan zoniet als decadent, dan toch wel als 'onhollands'.

Herwaardering

Deze canon is van een beslissende invloed geweest op het beeld van de Nederlandse schilderkunst en daardoor ook op het beeld van het zeventiende-eeuwse Nederland zelf. De collectie van de National Gallery of Art in Washington geeft nog steeds die standaard aan. Maar langzaam is daar iets aan veranderd omdat verzamelaars oog kregen voor andere schilders dan de bovengenoemde. Daar zijn verschillende oorzaken voor aan te wijzen. In elk geval heeft de schaarste aan meesters van de canon daaraan meegewerkt. Een Hals komt nog wel eens op de markt, maar een Rembrandt is een uitzondering en een Vermeer zal wel nooit meer verhandeld worden. Wie nog wilde verzamelen moest zich dus wel richten op andere tot dan toe minder bekende of geliefde meesters. Daar kwam bij dat door het onderzoek van kunsthistorici en de daaruit voortkomende tentoonstellingen heel andere, tot dan toe genegeerde genres onder de aandacht kwamen. Onderwerpen die tot ver in deze eeuw als onhollands werden beschouwd, kregen een herwaardering. Zo werden in de jaren zestig de Italianisanten gerehabiliteerd, en zo zag men in de jaren tachtig voor het eerst tentoonstellingen van Nederlandse historieschilders, verschillende stillevenexposities en zeer recent kort na elkaar Leidse fijnschilders. Deze tentoonstellingen en hun catalogi, en verder proefschriften en monografieen hebben het traditionele beeld van de Nederlandse schilderkunst aanzienlijk genuanceerd. Een gelukkige verrijking die aantoont hoe veelzijdig de Nederlandse schilders zijn geweest, op welk hoog niveau ze in uiteenlopende genres hebben gewerkt en hierdoor ook, hoe divers het publiek moet zijn geweest.

De tentoonstelling in het Mauritshuis benadrukt deze herschikking zo sterk dat er van het oorspronkelijke beeld weinig meer over is gebleven. Van de oorspronkelijke canon zijn vier Rembrandts aanwezig (alle portretten), vier portretten van Frans Hals en een Vermeer. Ze zijn alle aangekocht voor 1930. Saenredam had hier nog bijgehoord maar kon niet worden geleend. Als men bedenkt dat meer dan de helft van de geexposeerde werken is aangekocht na 1950 en wanneer men vaststelt dat het grote formaat toch een voorkeur genoot en ik kan me niet aan de indruk onttrekken dat de wat ruimere formaten en het voorkomen van veel personages iets te maken heeft met de behoefte van Amerikanen om 'waar voor hun geld' te krijgen, of op zijn minst om hun vele ruime muren vol te krijgen dan wordt begrijpelijk waarom deze tentoonstelling zo'n drukke, volle indruk maakt. Het kleinste schilderij, de Pictura van Frans van Mieris is pas acht jaar geleden aangeschaft.

De trap oplopend stuit men op een vroeg portret van Rembrandt van de schutter Joris de Caulerij die in zijn eentje de bezoeker welkom heet. Maar wie naar links kijkt wordt geconfronteerd met een kort geleden opgedoken volumineuze Danae van Goltzius, die een allegorie op de Vrede van Aert de Gelder bijna wegdrukt. Daartegenover hangt een majestueus classicistisch portret historie van Jan de Bray, (een echtpaar verkleed als Antonius en Cleopatra met hun kinderen) die op zijn beurt weer een 'jonge man met zwaard' van Ferdinand Bol in de weg zit. En zo gaat het door: zeer 'aanwezige' schilderijen, niet gehangen naar school, periode of genre maar naar formaat en naar mijn gevoel lang niet altijd even gelukkig.

Papegaai

Maar wat een rijkdom. De frisheid van het verlovingsportret van Jan Miense Molenaar. De wervelende kleurige elegantie op de voorstelling van een moor die een dame een papegaai aanbiedt van Nicolaes Berchem. Bijbelse taferelen van Bloemaart en Breenbergh. Grootse landschappen van Jan Both, Meindert Hobbema, Philips Koninck en Jacob van Ruisdael. Alleen Pieter de Hooch herinnert nog aan het introverte huiselijke leven van het zeventiende-eeuwse Nederland. Een enkel stadsgezichtje verwijst naar de spreekwoordelijke properheid, een paar bloemstillevens getuigen van de aandacht voor de details in de natuur. En over verstilling gesproken: hoe mooi is het jongensportret van Michael Sweerts, een schilder die overigens nauwelijks in Nederland gewerkt heeft.

Deze tentoonstelling is een statement, de eerste grote tentoonstelling die lang veronachtzaamde genres te zamen etaleert en wie weet ook het historische beeld van Nederland in de zeventiende eeuw zal bijstellen. Wie op zoek gaat naar de vertrouwde beelden van huiselijkheid en eenvoud moet zoeken

sen God en goden, Italiaanse herders, exotische havens en caravaggeske courtisanes. Hij zal dat bekende Nederland nog wel vinden, maar in een veel rumoeriger en intellectuelere omgeving en temidden van veel meer zuidelijk licht dan ooit te voren.

Hollandse Meesters uit Amerika. Mauritshuis Den Haag tot 13 januari. Dagelijks van 10.00 tot 18.00 uur. Donderdag en vrijdag ook van 18.00 tot 21.00 uur. Catalogus fl.55, - (paperback) en fl.70, - (gebonden). De tentoonstelling is van 16 februari tot 5 mei 1991 te zien in The Fine Art Museums van San Francisco.

Het tijdschrift Kunstschrift (nr. 5) is met de titel 'Het melkmeisje belaagd' geheel aan deze tentoonstelling gewijd. Prijs fl.12,50.