Diplomatieke variant in Golfconflict

Een derde lijn wordt zichtbaar in de reactie op Iraks onderwerping van buurland Koeweit. De eerste stap was de, geleidelijk aangescherpte, boycot die Saddam Hussein moet dwingen zich terug te trekken. De gestage versterking van de internationale troepenmacht in Saoedi-Arabie is officieel bedoeld als bescherming van het gastland, maar samen met de concentratie van vloot- en luchtmachteenheden in de regio gaat er voldoende dreiging vanuit om wat eufemistisch de optie van 'aanvullende stappen' wordt genoemd ook in Bagdad geloofwaardig te doen zijn. Langzamerhand ontwikkelt zich een diplomatieke variant. De aandacht is op die variant gevestigd met de rede afgelopen maandag van president Bush voor de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Maar er waren al eerder tekenen waar te nemen.

Op 8 augustus, zes dagen na Iraks inval, was er nog geen sprake van enige tegemoetkoming. Tot het Amerikaanse volk zei Bush: 'Ons beleid steunt op vier eenvoudige beginselen'. De president somde op: de onmiddellijke, onvoorwaardelijke en volledige terugtrekking van alle Iraakse strijdkrachten uit Koeweit; het herstel van Koeweits rechtmatige regering; de verbondenheid van de Amerikaanse regering met de veiligheid en stabiliteit van de Perzische Golf; de bescherming van Amerikaanse burgers overzee.

Op 27 augustus herhaalde de president tegenover de pers: 'Er is geen ruimte voor compromis of onderhandeling' waar het gaat om de eis van Iraks terugtocht en het herstel van het emiraat Koeweit. 'Over het volkenrecht kan niet worden onderhandeld.' Maar bij dezelfde gelegenheid zei Bush dat dit niet betekende dat de Verenigde Staten niet bereid waren over de tenuitvoerlegging van de resoluties van de Verenigde Naties te spreken, eraan herinnerend dat er zich in Bagdad een Amerikaanse zaakgelastigde bevond, 'een zeer bekwaam iemand'. Er kunnen besprekingen noodzakelijk zijn om het doel van Iraks terugtocht uit Koeweit te bereiken, meende de president.

Op 30 augustus kreeg Bush tijdens een persconferentie de vraag voorgelegd of zich niet een scheiding der geesten had voltrokken in zijn regering, enerzijds zij die de afzetting van Saddam Hoessein in de doelstelling van het Amerikaanse beleid wilden zien opgenomen, aan de andere kant zij die wensten aan te sturen op een conferentie over het Midden-Oosten waar de problemen van de regio ter sprake zouden komen. Bush antwoordde dat hij graag zou willen dat uit het optreden van de Iraakse president een kans op vrede zou ontstaan. Maar hij wilde eerst zeker zijn van het succes van de lopende onderneming alvorens op de volgende agenda over te stappen. Een conferentie was op dat moment niet zijn doel. Vrede in het Midden-Oosten was dat wel. Bush riep in herinnering dat het beleggen van een conferentie enkele jaren geleden onderdeel was van Amerika's diplomatieke inspanningen.

Op 10 september brachten Bush en Gorbatsjov in Helsinki hun dilemma onder woorden in een gemeenschappelijke verklaring: 'Wij moeten buiten iedere twijfel stellen dat agressie niet kan en niet zal lonen'. Zij voegden er aan toe dat zodra de resoluties van de Veiligheidsraad over Iraks invasie waren uitgevoerd en was vastgesteld dat agressie niet lonend was, beide presidenten hun ministers van buitenlandse zaken zouden opdragen samen met de landen in de regio en daarbuiten regionale veiligheidsstructuren te scheppen en maatregelen te nemen ter bevordering van vrede en stabiliteit. 'Het is essentieel actief te werken aan de oplossing van alle resterende conflicten in het Midden-Oosten en de Perzische Golf', zo besloot het communique.

Op 21 september stak Washington voorzichtig een voelspriet uit. De Amerikaanse onderminister van buitenlandse zaken voor politieke aangelegenheden, Robert Kimmit, liet tegenover de BBC weten dat er na een terugtrekking van Irak uit Koeweit tegemoetkomingen aan Irak mogelijk waren. 'Het is verkeerd te zeggen dat er geen verzoenende houding is', verklaarde Kimmit. Als de oorspronkelijke situatie is hersteld, kunnen 'alle kwesties die op tafel lagen' voor de invasie van Koeweit 'terug op tafel' komen, onder meer Iraks aanspraken op grondgebied van het emiraat. Volgens Kimmit moest het Internationaal Gerechtshof in Den Haag of een andere dergelijke instantie zich daarover kunnen uitspreken.

President Francois Mitterrand schoot dus niet zo ver naast de roos toen hij op 24 september tot de Algemene Vergadering van de VN zei dat alles mogelijk zou worden zodra Irak kenbaar zou maken zich uit Koeweit te willen terugtrekken en de gijzelaars vrij te laten. De Franse president zag een ontwikkeling in drie etappes voor zich waarvan de eerste de Iraakse terugtocht zou zijn. Vervolgens zou de internationale gemeenschap dat vertrek moeten verzekeren, alsmede het herstel van Koeweits soevereiniteit en het verlenen van democratische rechten aan het Koeweitse volk. Ten slotte zou in het Midden-Oosten goede nabuurschap, veiligheid en vrede voor iedereen mogelijk moeten worden gemaakt.

Tegen de achtergrond van deze opeenvolging van uitspraken moet wellicht de recente rede van president Bush voor het forum van de Verenigde Naties worden beoordeeld. Hij zei bij die gelegenheid onder meer: 'En nog een ding volgend op Iraks onvoorwaardelijke vertrek uit Koeweit, geloof ik oprecht dat er openingen zullen zijn, voor Irak en Koeweit, om hun geschillen blijvend te regelen; voor de Golfstaten om nieuwe afspraken te maken ter bevordering van de stabiliteit; en voor alle staten en volkeren in de regio om het conflict te beeindigen dat de Arabieren scheidt van Israel'.

De ontwikkeling van een 'diplomatie voor naderhand' lijkt vooralsnog ingegeven door de behoefte een verantwoording-vooraf gereed te hebben voor het geval de aangekondigde 'additionele stappen' worden gezet. Wat de leveranciers van de internationale troepenmacht betreft, is er voor Saddam Hoessein politiek leven na diens terugtocht. Het ontslag van Amerika's luchtmachtchef na publieke dreigementen aan het adres van Iraks president, zijn familie en 'zijn maitresse' wees al op terughoudendheid. De 'onvoorwaardelijkheid' van de resoluties van de Veiligheidsraad strekt zich niet uit tot Irak zelf noch tot het staatshoofd van dat land.

Voor het geval Saddam Hussein voor de internationale aandrang mocht zwichten, blijft er een groot probleem waarnaar de uitspraken van Bush, van Bush en Gorbatsjov samen en van Mitterrand verwijzen. De onderstreping van de noodzaak van vrede en stabiliteit in de regio maakt duidelijk hoe dat probleem eruit ziet: een Irak, vernederd, maar in het volle bezit van zijn machtsmiddelen. In die situatie mag de kans op een vredesregeling waarvan Israel deel uitmaakt beperkter dan ooit worden geacht.

    • J.H. Sampiemon