De vrouwen winnen toch; Kingsley Amis over makkelijke boeken, poezie en wetenschap

Het is als met de fles die volgens de optimist nog half vol, en volgens de pessimist al half leeg is. Het werk van Kingsley Amis is volgens sommige critici steeds minder grappig geworden, volgens anderen een minderheid, naar te vrezen valt steeds serieuzer. Zijn debuut Lucky Jim (1954), een adembenemend geestig verhaal dat brandhout maakt van academische pretenties en snobisme, is vertaald in zeker dertig talen, van Catalaans tot Japans. Sindsdien publiceerde Amis een twintigtal romans, drie gedichtenbundels, enkele bloemlezingen, en boeken over onderwerpen als James Bond, science-fiction, drank en Rudyard Kipling. Van iemand die, terecht of niet, werd bestempeld als een angry young man is Amis geworden tot een conservatief auteur, iets te conservatief en misschien te populair om te worden omhelsd door het literaire establishment.

Amis' nieuwste boek The Folks that Live on the Hill is een somber boek. Het bevat naast diverse gradaties van spot en prachtige Amis-dialogen een aangrijpend portret van een jonge alcoholiste. Half november verschijnt het bij uitgeverij Veen in vertaling onder de titel Huwelijk op de helling. Een weinig toepasselijke titel, het boek gaat niet over een huwelijk, al komen er verschillende in voor, elk op een andere manier tragikomisch.

Oprecht genoegen glijdt over het gezicht van Kingsley Amis als hij de fles oude Korenwijn uitpakt die ik heb meegebracht. Hij luistert belangstellend naar mijn uitleg over mout en oud, en vraagt later nog eens of dit spul nu gekoeld of verdund gedronken moet worden. Hij vertelt dat hij vroeger nogal wat De Kuyper heeft gedronken, en dat daaraan in Engeland een heilzaam effect op de blaas wordt toegeschreven. 'Mijn moeder zag het mij een keer drinken ik was nog vrij jong en vroeg op vertrouwelijke toon of ik misschien ergens last van had. Nee hoor moeder, zei ik. Maar zij bleef aanhouden: ook niet een heel klein beetje? Mij kun je zoiets toch vertellen, jongen? Achteraf begrijp ik dat ik gewoon had moeten jokken, om haar een plezier te doen. Nu dacht zij dat ik haar ergens buiten hield.'

Hij is achtenzestig en ziet er geen dag jonger uit. Hij beweegt als een oude man, legt omstandig de Daily Mail uit zijn leunstoel. Zijn voeten met pantoffels komen op een voetenbank waarop zorgzaam een oude theedoek is uitgespreid. Afgezien van de werkster, die in de paar seconden waarin zij door de kamer glipt snel een 'dear' aan mijn adres weet te richten, is er geen teken van vrouwelijke aanwezigheid te bekennen.

'Ik ben wel blij dat ik niet meer op de universiteit zit, ' lacht hij als ik vertel over de bijeenkomst in Oxford waar ik zojuist vandaan kom. In ...3 verliet hij Cambridge, na twee weinig gelukkige jaren, om zich geheel aan het schrijven te wijden. 'Ik vind het sindsdien alleen maar prettiger om weg te zijn, ' zegt hij. 'U hebt misschien begrepen dat ik een groot bewonderaar ben van Margaret Thatcher. Maar dat slaat niet op wat er met de universiteiten is gebeurd. Als ik een van die mensen in Oxford was geweest die haar onlangs een eredoctoraat moesten geven, zou ik het moeilijk hebben gevonden om niet tegen te stemmen.

'Niet dat zij ermee begonnen is. Dat was eerder, onder Labour al. De universiteiten zijn van oorden voor studie en beschaving veranderd in een soort opleidingsinstellingen. De Conservatieven hebben veel van wat Labour heeft aangericht ongedaan gemaakt, maar dat niet.'

Lucky Jim is Amis' enige academic novel gebleven. Daar zit niks achter, zegt hij. Het speelt toevallig aan een universiteit. Her en der duikt het academische milieu ook nog in zijn latere werk op. 'Lucky Jim is zeker geen aanval op de universiteiten, hoogstens op twee of drie mensen, misschien typische academici. Het boek is een komisch liefdesverhaal met wat satire er in.

'De Amerikanen hadden het natuurlijk weer helemaal verkeerd begrepen. De Amerikaanse critici vielen mij aan omdat het boek, voor een novel of protest, niet fel genoeg was. Het was helemaal geen novel of protest! Dan kun je Milton wel verwijten dat er in Paradise Lost zo weinig over tuinieren staat!

'Het boek waar ik nu aan werk speelt weer aan de universiteit, althans, de hoofdfiguur is een lector. In Russische letterkunde. Hij ontmoet een Russische dichteres, een heel goed mens. Daar ben ik nu, het is nog niet zo duidelijk, maar ik geloof wel dat ze uiteindelijk een verhouding moeten krijgen. Ze heeft een broer die uit een Russische gevangenis geholpen moet worden, en ze vraagt de hoofdpersoon om steun.' De Russen boeien Amis al langer. Zijn Russian Hide-and-Seek uit 1980 speelt in een hypothetisch, door de Russen bezet Engeland. Helaas spreekt hij zelf geen Russisch. 'Het is zaak, niet te veel details te geven, ' zegt hij een paar keer, half tegen zichzelf.

Er is nog een reden waarom Amis blij is uit het academische milieu weg te zijn. 'Ik geloof dat het niet goed is om als schrijver je eigen bezigheid aan de universiteit te bestuderen. Ik heb jaren Engelse letterkunde gedoceerd.'

Je maakt het dood door het te ontleden?

'O nee, je maakt het juist levend door dat ontleden. Je vertelt er achtergronden bij, verdiept je in de betekenis van woorden, en produceert op die manier betere lezers. Nee, het is slecht voor een schrijver in zijn ontwikkeling. Je krijgt te maken met allerlei analyses: dit is de jonge Wordsworth, dit de middle Wordsworth, dit de late en je denkt hee, hoe zit dat met mij? Ik ben nu veertig, wordt het geen tijd om wat middle me te gaan produceren? Philip Larkin zei eens: als je poezie doceert, ben je verplicht om te weten wat goede poezie is, en dat betekent dat je ook verplicht bent om die te produceren als je schrijft. Je gaat dan de verkeerde gedichten maken, gedichten die in de plaats komen van de gedichten die alleen jij kunt schrijven. Je gaat je richten naar een externe maatstaf in plaats van te doen wat je zelf het beste kunt.

'Er is nog een bezwaar tegen de academische benadering van literatuur. Er zijn twee dingen van belang in een werk: of het goed is, en of het belangrijk is. Het laatste is veel makkelijker te meten. Hoe veel navolgers krijgt het, wat voegt het toe aan een traditie? Kwaliteit meet je niet zo makkelijk. The Waste Land is het belangrijkste gedicht van de twintigste eeuw, of de eerste helft daarvan. Maar is het ook het beste? Of zelfs maar een van de beste?

'Belangrijk zijn is niet belangrijk. Goed schrijven is belangrijk. Bij welke stroming je hoort, dat weet je niet eens. Tegenwoordig beginnen schrijvers met vast te stellen van welke stroming zij lid worden.

'Doceren over literatuur kun je alleen maar als er iets te zeggen valt. Je kunt moeilijk zeggen: vandaag wil ik u laten kennismaken met Tennysons gedicht Ulysses, en dan het gedicht voorlezen en eindigen met: mooi he? Goedemorgen. Toch is dat wat je zou willen.

'Al dat gepraat over karakters. Er bestaat een misvatting, die ik terugvoer op D. H. Lawrence ik voer de meeste misvattingen terug op D. H. Lawrence dat een karakter in een boek echt moet zijn, een basis in het echte leven moet hebben. Dat vind ik erg geforceerd. Er was een criticus die zo ver ging dat hij vaststelde dat het voorbeeld voor een bepaald personage bij Dickens diens vader was geweest. Vervolgens ging hij Dickens verwijten dat hij dat karakter geweld aan had gedaan door hem iets veel gemeners te laten doen dan zijn vader ooit zou hebben gedaan! Een prachtig voorbeeld vond ik dat. Het schijnt erg moeilijk voor mensen te zijn om in te zien dat het twee verschillende dingen zijn, personages in de literatuur en echte mensen.'

Wordt er veel college over u gegeven? ..Er is niet veel over mijn werk te zeggen. Geen symboliek, heel af en toe iets duisters, maar dat kan onhandigheid van mij zijn. Er is zeker geen onderliggende boodschap of allegorie. Het gebeurt allemaal zoals het er staat. Soms krijg je de indruk dat achter een ogenschijnlijk banaal detail iets van grote betekenis schuil gaat, dat heb je in het leven ook wel eens. Het gevoel dat er iets belangrijks gaat gebeuren. Meestal gebeurt er dan natuurlijk niets. Je hebt in het leven lange vervelende stukken en dan opeens een onthulling, ontdekking; die afwisseling behoort in literatuur te worden versterkt. Maar om antwoord te geven op de vraag: nee. Of er is niets in mijn werk om over te doceren, of het is te moeilijk.'

U hebt in uw boek over James Bond geschreven: 'De mensen nemen je voor wat je zelf zegt dat je bent. Als je zegt dat je een genie bent, of dat je gewoon amusementslectuur schrijft, zullen zij elkaar gaan vertellen dat je een genie bent, of dat je gewoon amusementslectuur schrijft.' U hebt nooit erg gewichtig gedaan over uzelf.

'Nou, vast wel eens. Maar je neemt al vroeg in je loopbaan een besluit: ofwel je werkt mee aan de advertentie voor een biermerk waar je voor gevraagd wordt. Of je weigert je de eerste twintig jaar te laten fotograferen, en als er dan een foto van je verschijnt is het met je rug naar de camera, in een blad dat in Zurich verschijnt. In dat laatste geval heb je een kans op roem.

'Ik geloof zelf niet dat er kunst kan zijn zonder entertainment. Ziet u, dat klinkt een beetje gewichtig. Maar een boek dat je niet met plezier leest kan niet veel waard zijn.'

Ik vertel Amis over een vriend aan wie ik zijn Girl, 20 gaf, met warme aanbevelingen. Na lezing was hij licht teleurgesteld: het was zo grappig geweest, en zo makkelijk te lezen. Amis lacht. 'De mensen verwachten dat je dingen moeilijk verpakt. Dat boek gaat over een keurige, getalenteerde man die opeens zichzelf en zijn gezin voor aap begint te zetten. Je kunt gewoon lezen waar het over gaat.

'Je hebt dat ook met poezie. Neem Philip Larkin. Of John Betjeman, zijn gedichten zijn heel onderhoudend. En hij heeft nooit schrijversbeurzen nodig gehad, dus denken de mensen: dat kan niks zijn.'

Op de achtergrond bent u voortdurend bezig met grote thema's: liefde, ouderdom, seks, de dood, God...

'Dat probeer ik wel. Zo is het in het leven ook. In Betjemans gedichten heb je dat zo prachtig, in een paar regels soms. Een gedicht over een zondagochtend, de kerkklokken luiden, ergens waait een fish 'n chips-papiertje de rivier in... Daar heb je Betjeman weer, denken de mensen dan. Maar dan wordt die rivier opeens de stroom die alles meeneemt, de huizen, de mensen, ons. Allemaal in een halve bladzij. Dat kun je niet in proza doen.'

Had u meer poezie willen schrijven?

'Ja. Ik had mijn leven lang poezie willen blijven schrijven, maar je hebt geen keus. Met willen heeft het niks te maken. Ik ben niet helemaal opgehouden met dichten, maar ik heb de laatste twee jaar geen nieuw gedicht geschreven. Zo gaat het. Ik heb het onlangs nog opgezocht: Matthew Arnold, een groot dichter, maar alles waarmee hij beroemd is geworden heeft hij voor zijn veertigste geschreven. Browning, net zo. Sommigen gaan door, Tennyson bijvoorbeeld ook. Maar ze hadden net zo goed hun mond kunnen houden.'

Hoe is het met de oorlog tussen de seksen?

'Welke oorlog tussen de seksen?'

Die in uw werk.

'Is die er zo veel? Maar de vrouwen winnen meestal. En ze zijn veel aardiger dan de mannen. Noem maar op, One Fat Englishman, alle vrouwen zijn sympathieker dan de hoofdpersoon. The Anti-Death League, er is maar een echt kwalijk personage en dat is een man. Jake's Thing, Brenda is veel wijzer dan Jake. In al mijn boeken is dat zo. Nee, dat is allemaal krantepraat.'

Ik bedoel niet de krantepraat. Ik bedoel de sfeer in uw boeken dat er twee clubs zijn, de mannen en de vrouwen, wij en zij.

'Zijn die er dan niet?' ..

'Maar de Egyptologists steekt juist de draak met dat hele idee! Al die mannen blijken uiteindelijk door hun vrouwen te worden beetgenomen. Wat wilt u nog meer? De vrouwen winnen toch aldoor.'

Bent u daar blij mee?

'Dat is een heel andere vraag. Maar het morele gelijk ligt bij de vrouwen. Neem Stanley, uit Stanley and the Women, die deugt ook niet. Hij gaat naar dat feestje op die woonboot en denkt bij zichzelf, in een belangrijke scene: misschien kan ik een meid oppikken. Maar, denkt hij dan: waarover moet ik eigenlijk met haar praten? Over auto's? Reclame? De uienprijzen?

'Hij is slim, maar hij weet niet veel. Als er een militante mannenbeweging was, dan zouden die mij beschuldigen van het onaangenaam afschilderen van mannen.'

Maar uw mannen zijn veel levender, veel leuker dan uw vrouwen.

'Ja, kijk, als u ze leuk vindt is dat fijn, maar het is het een of het ander. Mijn hoofdpersonen zijn het soort mensen waarmee ik graag een paar borrels zou willen drinken, maar die ik niet zou vertrouwen. Niet met mijn dochter. En daarom zijn ze misschien aardig om over te lezen, voor beide seksen.'

Tijdens het gesprek is er twee keer opgebeld; aan de telefoon doet Amis' toon denken aan die van Harry Caldecote, bibliothecaris in ruste, de hoofdpersoon van zijn nieuwste boek. Een man die van het goede leven houdt, maar daarvan steeds wordt afgeleid door de zorgen van de mensen om hem heen.

Ik vraag hem of hij zich nog iets herinnert van een bezoek aan Nederland, lang geleden. Hij logeerde bij Adriaan van der Veen, die in het CS-journaal verslag deed van een over de grond rondkruipende Amis, die 'steunend, briesend en blazend zijn beroemde dierenimitaties deed'. Amis weet er weinig meer van, behalve een ding: dat de hoofdpersoon van Girl, 20, de ijdele Sir Roy Vandervane, aan deze Nederlandse gastheer zijn naam te danken heeft.

Welwillend laat hij zich fotograferen. Hij lacht en wijst mij de ondergrondse. Ja, Amis is meer Harry Caldecote dan Bernard Bastable, de cynische hoofdfiguur in Ending Up, zijn kwaadaardige meesterwerk over de levensavond van vijf bejaarden in een huis. Maar toen hij dat schreef was hij zelf ook nog niet oud.

Kingsley Amis: Huwelijk op de helling. Vert. Theo Hendriks. Uitg. Veen, 312 blz. Prijs fl.34,50