De koppeling is niet goed voor de groei

Van de maan af bezien, schreef Multatuli, zijn alle mensen gelijk. Gezien uit Parijs en Washington vallen de nuances weg die het Nederlandse sociaal-economische beleid relief geven. De economische deskundigen van de OESO, de club van vierentwintig rijke industrielanden, en van het IMF, het Internationale Monetaire Fonds, hebben een ander oordeel over de BV Besturing van Nederland als de direct betrokkenen in de Haagse kajuit. Op afstand verliest de koppeling, de hoeksteen van het sociaal-economische beleid van het kabinet Lubbers-Kok, haar politieke en emotionele lading.

Nederland, zeggen buitenlandse economische deskundigen, moet oppassen. Met het herstel van de koppeling heeft Nederland gekozen voor een rechtvaardiger inkomensverdeling. Daarmee offeren we economische groei op en verminderen we het vermogen om externe schokken op te vangen. Als alles goed gaat, als de Duitse economie ons voorttrekt en als de Golfcrisis snel voorbij drijft, kan Nederland zich de koppeling blijven veroorloven. Maar als er scheuren in de internationale economie komen, dan is ons aanpassingsvermogen gering. Handhaving van de koppeling zal dan leiden tot hogere werkloosheid, lagere groei en grotere financieringsproblemen bij de overheid, dan anders het geval was geweest.

Al jaren hameren internationale organisaties op een grotere flexibiliteit in de arbeidsmarkten, niet alleen in Nederland, ook in andere landen. Hun economische credo is dat vraag en aanbod zoveel mogelijk ruimte moeten krijgen ook in de arbeidsmarkt. De bodem van de arbeidsmarkt moet worden beschermd door een sociaal vangnet, maar overigens dient de arbeidsmarkt zo min mogelijk structurele starheden te vertonen.

In Nederland is dat streven naar grotere flexibiliteit een halt toegeroepen door onder enkele beleidsmatige voorwaarden de koppeling te herstellen tussen salarissen in de marktsector en de ambtenarensalarissen en uitkeringen. Het is een kwestie van beschaving, zeggen sociaal-democraten. Het is een rem op groei en op meer welvaart, zeggen buitenlandse deskundigen.

Komend jaar verwacht het kabinet voor Nederland een economische groei van 2,5 procent en dat is voor ons doen aardig. Maar volgens buitenlandse deskundigen had die groei met een flexibeler arbeidsmarkt vier procent kunnen bedragen. We offeren dus 1,5 procent van ons nationale produkt op (in 1991 473 miljard gulden, dus ongeveer 7 miljard gulden) aan een gelijkheidsbeginsel.

Het valt deskundigen in het buitenland op dat in Nederland normatief wordt geoordeeld over de inkomensverdeling. Die is hier niet zozeer een economisch, maar een moreel issue. Hoewel alle landen in Europa een sociaal vangnet kennen, ligt het in Nederland gevoeliger om het ter discussie te stellen. In vrijwel geen enkel ander Westeuropees land is het koppelingsmechanisme bovendien zo volkomen als hier.

De Nederlandse politiek kijkt naar de relatieve, niet naar de absolute inkomensontwikkeling. Bij een volledige vrijheid op de arbeidsmarkt zouden dank zij hogere economische groei alle inkomensgroepen absoluut erop vooruitgaan, maar sommige meer dan andere. De relatieve verschillen zouden dus groter worden. 'Een grotere ongelijkheid in de inkomensverdeling is in Nederland politiek onaanvaardbaar', meent een buitenlandse deskundige, die de Nederlandse economie volgt en die, zoals gebruikelijk is bij internationale instellingen, op voorwaarde van anonimiteit spreekt. Over de politieke merites van die keuze laat hij zich niet uit.

Maar uit orthodox economisch gezichtspunt hebben buitenlandse deskundigen moeite met de starheid van de Nederlandse inkomensverdeling en arbeidsmarkt. 'De koppeling is niets anders dan een bevriezing van de relatieve lonen', aldus de deskundige. 'En daar betaal je een prijs voor.' Die prijs bestaat uit minder loonprikkels in de arbeidsmarkt, minder doorstroming van arbeid en uiteindelijk minder economische groei dan mogelijk is. Het maakt het, om maar iets te noemen uit het Najaarsoverleg van deze week, moeilijker om langdurig werkloze buitenlanders sneller aan een baan te helpen of om de groei van het aantal WAO-ers in te dammen.

En het legt de inkomensontwikkeling voor alle Nederlanders vast: een loonstijging van maximaal 3 procent volgend jaar en van 0,8 procent reele inkomensverbetering volgens de regeringsplannen. Voor iedereen een klein beetje, want anders is de koppeling onbetaalbaar. Dat verhoogt de flexibiliteit van de factor arbeid niet, het maakt aan de onderkant de toestroom van laaggeschoolden moeilijker en vertraagt aan de bovenkant de invulling van vacatures door gespecialiseerde arbeidskrachten. Bij blijvend hoge werkloosheid werkt dit het ontstaan van een krappe arbeidsmarkt in de hand. Of van zwarte betalingen en uiteindelijk een loonexplosie zoals in de jaren zestig aan het einde van de periode van naoorlogse geleide loonpolitiek.

In weinig industrielanden hebben beslissingen over de arbeidsmarkt zo'n directe invloed op de overheidsfinancien als in Nederland. Als de ambtenarensalarissen en de uitkeringen omhoog gaan in lijn met de salarissen in de marktsector, komt de overheid bij tegenvallende groei in financiele problemen en loopt de terugdringing van het financieringstekort gevaar. Dat blijkt uit de begroting voor 1991: ruim de helft (5,2 miljard gulden) van de uitgaven voor nieuw beleid (9,9 miljard) wordt opgeslokt door de kosten van het herstel van de koppeling voor ambtenaren en uitkeringstrekkers. Dat wordt bij tegenvallende groei nog moeilijker op te brengen.

Sluiproute

Standaardaanbevelingen van het IMF en de OESO zijn dat tegenvallers moeten worden opgevangen door economische aanpassingen. In het geval van Nederland bestaat daarbij een verleidelijke sluiproute: Nederland beschikt over aardgasbaten. In de jaren zeventig werden die gebruikt om de inkomens te verbeteren en om noodzakelijke aanpassingen uit te stellen. 'Als Nederland nu de gasopbrengsten zou gebruiken om de koppeling te financieren en de lonen kunstmatig hoog te houden, worden aanpassingen afgekocht. Dat is niet goed voor de economie en zal op den duur ten koste gaan van de groei', aldus de deskundige.

Zolang Nederland profiteert van een behoorlijke economische groei, is de koppeling betaalbaar. Het is een politieke keuze voor meer inkomensgelijkheid en minder groei, die we ons kunnen veroorloven zolang Nederland meedobbert op de golven van de Europese economische expansie. Het is, met andere woorden, een luxe-verschijnsel. En dat is de ironie van de koppeling: als het economisch slechter gaat, wordt een hoog sociaal vangnet onbetaalbaar en moet het lager gehangen worden, terwijl het dan hard nodig is. Het getuigt van verstandiger en socialer beleid om in tijden van groei de Nederlandse economie een grotere slagkracht te geven en meer banen te scheppen, zodat zwaar weer in de toekomst beter kan worden opgevangen.